is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 40, 08-07-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gesprekken met lifters

Sinds mijn gemeente het héle land is, zijn de persoonlijke contacten met „gewone” mensen aanzienlijk minder geworden. De „gewone”, ongekwalificeerde mensen, die ik ontmoet, zitten in mijn auto. Scherfjes van de massa staan aan de kant. Op vaste punten. In ieder geval bij Voorburg voor de long run naar het oosten des lands en bij Wassenaars viaduct voor rechtstreekse verbinding naar Amsterdam.

Massa, zei ik. Het is goed voor een automobilist zo’n stuk massa mee te nemen. Hij zal ontdekken, dat in de zin, zoals hij koning van de weg in zyn beschermd blik denkt, dat stukje massa geen massa is. Het is een student op zwart zaad, een verpleegster, een soldaat, een werkzoekende of snipperdag-verbruikende arbeider. Studenten nemen graag de houding aan, dat ik, de automobilist, het prettig moet vinden, dat hij mee wil rijden. Ik laat dat dan maar zo. Verpleegsters en soldaten zyn het minst interessant. Waarschijniyk vanwege de uniform. Klagerig over de dienst, de soldaten hunkerend naar het einde. Het boeiendst is veelal het gesprek van de werkzoekende of één dag vacantie-houdende arbeider. Hij komt er royaal voor uit, dat hij een gesjochte jongen is. Het verlangen naar mededeelzaamheid is by hem het sterkst. Hij is nog niet zo aangestoken door het individualisme van de student of door de massageest van de soldaat. Hy verheelt niet, dat hy zorgen heeft, en omdat hy gewoon is zorgen te hebben, kan hy er ongeprikkeld over spreken. Hy vindt het prettig om er over te spreken, van die vreemde meneer geen enkele hulp verwachtend, behalve dan, dat hij hem aanhoort.

Deze week moest ik naar Amsterdam. Van het rytje mannen by het Wassenaars viaduct, wees ik naar die ene. Waarom? Een moordenaarsgezicht had ie niet. Hij had duideiyk zijn enige nette pak aan. Een bundeltje kleren was in een Canadese camouflage-regenjas gewikkeld. „Gaat u naar Amsterdam?” Hij dus naast my. En toen volgde het verhaal. Omstandig. Het duurde tot Amsterdam. Het verhaal, dat ik u vertellen ga. Heel geen bitter verhaal. Maar een stuk levensgeschiedenis naar waarheid, of zoals het in zyn fantasie geworden was, maar dat doet er niet toe dat wij moeten kennen, als wy over geestelijke volksgezondheid spreken; als wij actief bezig zyn met het wekken van een betere wereld.

Hij was grondwerker, nog geen dertig jaar. Zijn vader was vroeger boer geweest. Maar het lapje grond en zyn energie waren niet toereikend geweest om het grote gezin te onderhouden. De vader was terecht gekomen in de fabriek, had er dertig jaar gewerkt en leefde nu van zy'n pensioentje.

Vanuit de verte ziende hoe zijn 14 kinderen het verder in het leven zouden maken. Tom, een der jongsten, kwam terecht in de landarbeid. Toen hij 21 was, midden in de oorlog, trouwde hij. Een der eerste prooien was hij van Soukels mensenhonger. Hij stond in de fabrieken van Bannen, van Berlijn, van Bohemen. De heuvels van Westfalen en de bergen van Tsjechoslowakije vond hij mooi.

Thuisgekomen, na de capitulatie, vond hij, als slib van het wegebben van de Duitse legers, zijn vrouw met een kind. Hij had geen aardigheid om bij haar te blijven. „Ziet u, meneer, als er ’s ruzie zou komen, dan was het eerste, dat ik zou zeggen: jij met je kind”. Het was niet eenvoudig om te scheiden. Zijn roomse opvoeding zat hem niet dwars, wèl de gebrekkige postverbinding met allerlei Duitse instanties, die de tijden van zijn verblijf in Duitsland moesten opgeven. Maar ten slotte kreeg hij de papieren voor elkaar. Hij kon bewijzen, dat het kind niet van hem was en toen was de scheiding gauw uitgesproken.

Niet lang daarna maakte hij kennis met een ander meisje. Werkend op een fabriek, ’t Ging allemaal goed. Totdat zijn vriend hem kwam zeggen, dat Marie het met een ander hield. Nu moest hij dus bewijzen

tegen Marie zien te krijgen. En eerst niets laten blijken. Die bewijzen kreeg hij, toen hij op een onverwachte tijd bij de uitgang van de fabriek op de loer ging staan. Marie schoof met een ander weg. ’s Avonds ontkende Marie, maar de mededinger, er bij geroepen, gaf toe. Er vloeide geen bloed, maar of de woorden ook zo correct waren als die in mijn auto klonken, weet ik niet. Kortom, onze grondwerker was weer vrij man. Nóg weer wijzer.

En nu, een half jaar geleden, had hij weer verkering gekregen. Met Annie. Annie was 22 jaar, de steun van haar vader-thuis, sinds moeder dood was. Annie had een kind van 4 jaar. De kerel, waarmee ze had moeten trouwen, had niet gedeugd en was er met een ander van doorgegaan. ’tWas goed gegaan tussen hem en Annie, en het kind was nu geen hindernis meer. Maar, ziet u, Annie is nogal meegaand. Dat zou ook blijken.

Vorige week waren ze in Amsterdam geweest. Voor boodschappen. Op een gegeven moment zeurde het meisje van vier, trouwe comparant blijkbaar op hun tochten, dat ze nodig moest. Ga jij, zo besliste Annie, maar een paar straten verder, (dicht bij het Centraal Station was het) waar mijn zuster woont. Annie zou wel op de hoek wachten. Hij dus op weg met het aanstaande stiefkind in hoge nood. Naar Jeanne, de zuster van Annie. Toen hij voor het huis van Jeanne kwam, zag hij het al. Jeanne was een vrouw van de wereld. Zij

geen Truman en geen Mac Arthur ben en dus de beslissingen niet heb behoeven te nemen.

En als er nu een oorlog van grote omvang komt en ook onze regering moet beslissen? Dan zou die beslissing stellig zijn: meedoen. En dan zou ik hoogst waarschijnlijk achter die beslissing staan... Maar een boek als „Helden zonder glorie” dan?

En de vragen die blijven? Ik zou willen, dat een ander zijn reacties eens schreef. Ik heb alleen maar de mijne willen registreren... Ik weet niet eens of ze goed zijn... J. h.

HET ROEPEN AAN DE HORIZON

Kiet in het sterflijk uur, niet in het luide woord En niet in ’t onophoudelijk bewegen Van deze wereld heb ik het gehoord.. .

’k Verbleef hier niet en heb het steeds verzwegen. Maar ik was altoos aan de horizon

En in de uren die nog moesten komen. Vandat mijn ziel haar ademen begon Ontweek ik op de wiekslag harer dromen.

Ik kon niet wennen aan de werkelijkheid. Wist verder altijd verder dan mijn trage voeten Een wezenlijker heden dan de tijd; Ik kon niet wonen en niet meer ontmoeten . . .

En was ik hier niet eindeloos verblijd? Had ik je glimlach niet, je ogestralen? Je kloppend harte en je zuiverheid?

En van je liefde ’t woordeloos verhalen? Maar weet, mijn lachen kwam van de overzij. Mijn ziel kwam over uit haar droom gegleden.

Mijn woorden zongen ginder in de hemelwei, Behoedzaam droeg ik ze over in het heden,

Zo heb ik altijd zwervende verbeid; Mijn leven was een altoos overkomen

Voor een kort weerzien uit de eenzaamheid; Ik kwam en ging, wanneer ik had vernomen Je stil verlangen en ik kon niet rusten.

Want immer wilde ik luistren aan de poort. Die openstraalt aan de overzeese kusten . .. Werd er mijn naam geroepen en gehoord?

Johan Toot.