is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 42, 22-07-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Pleidooi voor de mens (2)

Gheorgiu is in zijn boek, zoals we de vorige keer zagen, voortdurend bezig overal de tekenen aan te wijzen van die grote bedreiging: de negatie van de mens, het wegvalien van een menselijkheid, zonder welke de Europese beschaving niet bestaan kan. Daarin ligt o.i. ook de grote waarde van zijn boek. Het is één hartstochtelijk pleidooi voor de mens. Daaraan doet het feit, dat op dit boek ook ernstige critiek is uit te oefenen, niets af. Zoals we zagen, ligt voor Gheorgiu de oorzaak van deze ontmenselijking der samenleving in de techniek. Die stelling is prof. Banning schreef er onlangs ook reeds over zeer aanvechtbaar. Gheorgiu voert, vanzelfsprekend, allerlei argumenten aan, die de juistheid van zijn visie moeten bewijzen.

Het uitgangspunt van zijn redenering is: de techniek beheerst in de Westerse samenleving het leven. De mens is aan alle kanten van de techniek afhankelijk geworden. Niemand onzer zal dit willen ontkennen.

Deze techniek nu heeft, volgens Gheorgiu, haar eigen wetten. Deze zijn: het automatisch karakter der techniek, de eenvormigheid en de anonimiteit.

Ergens wordt een handle overgehaald en automatisch zetten grote machines zich in beweging. Een machtig proces begint zich af te spelen, zonder dat daarbij verder persoonlijke beslissingen nodig zijn. Sterker nog: persoonlijke beslissingen zijn verder buitengesloten. Zij zouden alleen maar onheil kunnen stichten. De techniek met zijn eigen wetten dwingt de mens om meer aan deze wetten te gehoorzamen. Als Johan Moritz in de fabriek nog een klein persoonlijk initiatief wil nemen en probeert of hij niet twee kisten tegelijk van de transportband kan nemen, loopt de hele boel vast! Er is slechts ruimte voor de automatische planmatigheid, die bij de techniek behoort. De mens wordt slaaf van de machine.

Tot het wezen der techniek behoort de eenvormigheid: er is slechts ruimte voor

Eenheid

Het streven naar eenheid en vereniging is in de wereld zeer opmerkelijk. Het tempo, waarin dit geschiedt is zo hoog, dat de geschiedschrijving het nauwelijks kan bijhouden. Kon men zich een tiental jaren geleden in het wei en wee van een aantal grote mogendheden verdiepen, er zijn thans nog slechts twee grote mogendheden, die op het doen en laten van alle andere volken hun stempel drukken. Kon men zich kortgeleden niet anders voorstellen dan een onrustig en vechtend Europa, dat de aandacht van de gehele wereld tot zich trok, thans zoekt ditzelfde Europa zijn heil in samenwerking, omdat dit voor hem een zaak is van bestaan of niet bestaan. En wie gaf zich moeite om zich het leven der mensen in Korea in te denken? Wie zou niet gezegd hebben, dat men toch niet overal belangstelling voor kan tonen? Thans breekt een (burger)oorlog uit in Korea en Nederland maakt zijn vloot gereed. Wie de samenhang der dingen in de wereld gadeslaat, kan een gevoel van verontrusting en verschrikking niet onderdrukken. Zoals een spin toeschiet, wanneer ergens in het net beweging veroorzaakt wordt, zo komt een wereldleger op de been, wanneer in stad of land een haard van onrust ontstaat, hetzij in Korea, Perzië of Berlijn. Het is nog slechts de vraag, wie de wereld-spin is, die ten slotte het terrein beheersen zal.

De verontrusting over deze gang van zaken moest eigenlijk het gevoel van blijdschap en opluchting niet kunnen overschaduwen. Moeten wij niet verheugd zijn, dat er zulke ernstige pogingen tot vereniging en eenheid in het werk worden gesteld? Is het niet verheugend, dat niet alleen de vakpolitici, maar ook degenen, in wier brede culturele visie wij vertrouwen hebben, zich zo openlijk achter een Europese eenheidsbeweging scharen? Is er dan, hoe vaag misschien ook beseft, toch niet iets van een geestelijke bewogenheid, die op het ogenblik ons met zoveel overtuiging het woord eenheid op de lippen doet nemen? De toekomst zal het

zeggen, of wij bij dit alles te denken hebben aan een concentratie van macht of van geest. De toekomst zal het leren, of er ook een soort eenheid bestaat, die door de omstandigheden wordt opgedrongen en die in haar totstandkoming de allerverschrikkelijkste en meest helse bedreigingen voor de mens inhoudt. Men kan het echter nu wel reeds zeggen, dat niet de Geest de leiding heeft, maar hoogstens achteraan komt als een „cultureel belang”. Maar de eenheid, die buiten de Geest staat, is een Babylonische eenheid.

Deze eenheid is een boze droom. Het is dezelfde droom, aan welke Daniël gestalte gaf en die hij in een nadere verklaring analyseerde. Het is de droom van de wereld-spin, die een monster-lichaam voortbracht, waarvan het hoofd van goud, borst en armen van zilver, lendenen van koper, benen van ijzer, voeten uit ijzer en leem gemengd waren samengesteld. De sleutel tot deze droom ligt in de samenstelling der voeten, die geen samenstelling is. Dit is een schijn-eenheid zo goed als alle machtsconcentratie is. Dit lichaam mist echter niet alleen iedere grondslag, het ergste is wel, dat ook de Geest ontbreekt, waardoor het onherroepelijk moet neerstorten, wanneer het eenmaal in het oordeel der eeuwigheid tot verantwoording komt. Er valt een steen op het beeld, een steen, die niet met mensenhanden is losgemaakt deze vergruizelt het beeld, zodat het tot stof wordt en als kaf voor de wind wegstuift. De steen groeit uit en wordt een berg, die de ganse aarde vervult.

Er is een ander lichaam, waarvan Christus het hoofd is. Dit lichaam is de ware eenheid en kan zich in zijn werking slechts naar verscheidenheid tonen. In dit lichaam is een zo sterke samenhang, dat leed en blijdschap van de één ook leed en blijdschap van de ander betekent. Maar ook dit lichaam, dat zich in de wereld de kerk noemt, ontkomt niet aan de verzoeking der machtsconcentratie het heilige jaar van de Rooms-Katholieke kerk gaat reeds een heel eind in deze richting. Alleen een meer ingetogen en stille heiligheid zal van de eenheid getuigen, waarnaar zovelen in de wereld reikhalzend uitzien en die juist in haar stilheid de waanzin van het geweld overstemt. A. F. L. VAN DIJK

het gestandaardiseerde instrument. Afwijkingen kunnen niet worden geduld. Tot de afgoden der techniek behoren: de statistiek en de perfecte organisatie. Maar dit zijn juist begrippen die het individuele, het persoonlijke buitensluiten.

Het boek van Orwell tekent een totalitaire staat, waarin deze dingen tot in hun uiterste consequenties zijn doorgevoerd. Niemand zal ook ontkennen, dat een vertechnisering van het leven blootstaat aan deze gevaren. Dat Gheorgiu en Orwell onze aandacht daarop vestigen, Is stellig te waarderen.

De conclusie, die Gheorgiu trekt uit deze dingen, is echter in zijn boek voor ons gevoel niet aanvaardbaar gemaakt.

In deze technische samenleving wordt de mens verwisseld met de sociale functie (de sociale nuttigheid) die hij heeft, zegt Gheorgiu. Hij wordt gewaardeerd, zoals men een machine waardeert: bruikbaar en nuttig of: onbruikbaar en onnuttig. In het eerste geval is er voor hem plaats in de samenleving, in het tweede geval wordt hij geliquideerd. Alweer: met het constateren van deze dingen gaan wij accoord. Het is de praktijk, die wij in de totalitaire staten zien. En de aanklacht, die in de boeken van Gheorgiu en Orwell ligt tegen deze demonische ontkenning Van de menselijke persoonlijkheid, is in deze tijd ongetwijfeld niet overbodig. Hier ligt en voor de kerk en voor het socialisme een hoogst belangrijke taak. In een gesprek met een aantal mensen uit de Oost-zone, waar men deze bedreiging wel heel direct ervaart, zei onlangs een theoloog, dat in een dergelijke situatie de kerk het moet zien als haar opdracht van Christuswege om van het Evangelie uit te strijden voor een waarachtig mens-zijn. De boodschap der kerk zal duidelijk moeten maken wat een waarachtig mens-zijn inhoudt. En het lijdt geen twijfei: op dit punt zal de kerk met haar boodschap in botsing komen met de totalitaire staat, waarin voor zo’n houding tegenover de mens geen ruimte is. De kerk pieitbezorgster voor de bedreigde mens. Het is goed om te bedenken dat dit geen vreemde houding voor de kerk is. Als het Evangelie spreekt over het reddende handelen Gods, dan wordt gezegd, dat dit handelen van God geschiedt ter wilie van de mens, naar wie de Liefde Gods uitgaat. Daarom zal ook de kerk, wil zij getrouw zijn aan haar opdracht, moeten leven en spreken van uit de bewogenheid met de mens in de concrete bedreigingen, waaronder deze mens leeft. Juist hier heeft de kerk in een vorige eeuw zozeer gefaald en daardoor in zo sterke mate de sociale strijd die een strijd was ter wille van een waarachtige menselijkheid niet begrepen en meegestreden.

Een taak voor het socialisme. Ook ten aanzien van het accent van de socialistische strijd misschien. Hier zijn geiukkig ook positieve dingen te zeggen. En in het Westen en in de Oosteuropese landen heeft het democratische socialisme de bedreiging van de mens door totalitaire politieke machten gezien en krachtig partij gekozen. Daarbij heeft het ook zijn martelaren reeds. Bij alierlei critiek op het socialisme, die men meent te moeten uiten in bepaalde kringen, mogen wij deze dingen niet vergeten.

Zouden wij de conclusie van Gheorgiu moeten aanvaarden, dat deze negatie van de mens een onvermijdelijk gevolg is van de voortschrijdende invloed der techniek, dan zou het weinig zin hebben om hier over een taak te spreken voor de kerk en voor het socialisme. Maar op dit punt wijzen wij de gedachtengang van Gheorgiu af. Niet, als zouden wij de gevaren van een vertechniseerde samenleving niet zien of onder-