is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 46, 26-08-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het liberalisme begint de grote tegenstroom van het socialisme te groeien. En het communistische régime in Rusland Ls nog geen mensenleeftijd oud

18 Augustus.

In aansluiting op het stukje van gisteren: zo’n beetje mijmeren over de historie leidt altijd tot wonderlijke conclusies. Zo bijvoorbeeld, dat de vrijheid, zoals wij die in de Westerse democratieën opvatten (en waarvoor wij in Korea vechten) het bezit is van een uiterst kleine groep der mensheid in een heel korte periode van haar geschiedenis. Vorige eeuwen hebben we deze vrijheid, met name de persoonlijke vrijheid (zowel geestelijk als politiek) niet of nauwelijks gekend. In grote delen van de wereld (Rusland, Azië, enz.) is de persoonlijke vrijheid in onze Westerse, democratische zin (in het algemeen: dat wat wij de eerbiediging van de menselijke persoonlijkheid noemen) nooit bekend geweest. Voor het Westen is het zelfs nog de vraag of ze in de geestelijke structuur van sommige grote groepen (bijv. het Rooms-Katholicisme) wel werkelijk een diep-gewortelde plaats heeft gevonden ... Geen erg prettige gedachten

19 Augustus.

Vandaag iets heel anders. In het Julinummer van de „Doorbraak-Persdienst” stond een stuk, ontlqend aan een artikel van mr Chr. de Jong in het C.H. weekblad „Koningin en Vaderland”. Mr de Jong waarschuwt in dat artikel gedreven door een eerlijke verontrusting tegen het al te gemakkelijke hanteren van en schermen met „eeuwige beginselen”. Letterlijk zegt hij: „Al onze beginselen zijn slechts van betrekkelijke waarde. Telkens weer blijken onze klein-menselijke formuleringen maar een flauwe weerkaatsing te zijn van het absolute, telkens weer moeten we ons afvragen, of we in ons menselijk tasten wel de weg bewandelen, die van ons gevraagd wordt”. Hij illustreert dat met de Indonesische kwestie, waarin, zegt hij, „we met al onze beginselen in de kou stonden” en met de leer van de souvereiniteit in eigen kring, waarbij hij de anti-revolutionnaire verabsolutering van dit „beginsel” afwijst.

En dan volgt aan het slot dit gedeelte: „Het behoeft wel geen betoog, dat degenen, die mijn standpunt delen (en dat is practisch de gehele jong-C.H. richting) het tot op zekere hoogte te moeilijk hebben om op de juiste wijze hun verhouding tot de P.v.d.A. te bepalen. Zeker, wij zien als belangrijk punt van verschil, dat wij, ook als partij, ons op het Fundament wensen te plaatsen. Daaruit vloeit voort een ondubbelzinnige afwijzing van het humanisme. Maar toch moeten we wel zeer gegronde redenen hebben, willen we gescheiden optrekken. Ik weet: de P.v.d.A. is in onze pers in den treure besproken. Toch ben ik nooit geheel bevredigd en vandaar dat ik aan de lezers van „Koningin en Vaderland” aan een ieder zeer persoonlijk de vraag voorleg: „Wat scheidt ons van de P.v.d.A.?” En vandaar, dat ik, toen ik dit las, graag aan mr De Jong wilde vragen: „En als op die vraag nu eens het antwoord zou luiden: „Niets, want wij hebben vrijwel dezelfde politieke idealen en wij moeten erkennen, dat er ook in de P.v.d.A. volledig ruimte voor ons is om vanuit ons Fundament te denken en te handelen”?

Wat voor practische consequentie zou u dan uit dat antwoord trekken (en met u de jong-C.H. richting)? Uw eigen stelling daarbij overwegende, dat wij „zonder gegronde redenen niet gescheiden mogen optrekken” j. H.

ËERLINER ËALLADE

ONZE nood! ONS leed! ONZE ruïnes. Vele Duitse dichters en romanciers willen het ons goed duidelijk maken, en heel wat Duitse cineasten willen niet ten achter blijven bij de schrijvers. Zelfbeklag wat de klok luidt. (Soms lijkt het dan warempel op een soort coquetteren met eigen ellende en eigen vertwijfeling.) Eén uitzondering wil ik maken, voor Wolfgang Borchert, deze bezeten „nihilist”, wiens kreten, wiens hunkering naar het echte geloof en de echte religie zelfs door onverschilligen gehoord moéten worden.

Het gros der Duitse films na ’45 bevatte waarheid (voor 50 %) en leugen (voor 50 %). Maar aangezien een halve waarheid erger kan zijn dan een héle leugen, stonden zij ons niet aan; soms wisten we niet dadelijk, waaróm ze ons zo tegenstonden.

Dat ook pathos en voortdurend symbolisme een enkele keer taak en functie kunnen hebben in een film, heeft „Woyzek” aangetoond. Dat een Duitse rolprent, welke zich met meer of minder actuele vraagstukken bezighoudt, desondanks voor de honderd procent eerlijk kan zijn, heeft „Affaire Blum” bewezen. Dat een „Heimkehrer”-film ook zonder mysterieuze rhetoriek, verwrongen heldhaftigheid en niet minder verwrongen „humor” gemaakt kan worden... ik zag het tot mijn verbazing in de „Berliner Ballade”.

Geen Pruisische, doch een schnodrig-Berlijnse film: het verhaal van Herr Normalverbraucher die toch nog „gen Osten” moest trekken ondanks zijn niet meer al te jeugdige leeftijd en zijn dank zij vermoeiende holpartijen hevig kloppend hart. En terug kwam hij ook; van hém zou je zelfs willen geloven, dat hij nog nooit van Dachau enOraniënburg heeft gehoord. ledere dag wordt-ie een dagje ouder.... iedere dag wordt hij wakker en gaat hij

slapen als een pasgeboren kind. Hij weet zich geen raad met de vele formulieren en ambtenaren en steenruïnes en zwarte handelaars en vrouwen zes op één man! en hij weet zich geen raad met z’n lange benen en armen, en zijn onbeholpenheid. En zo tolpatscht hij dan door de Reichshauptstadt anno 1947, door een stuk wereldgeschiedenis; in zijn boekenkast staat weer Thomas Mann voorop en Rosenberg daarachter (je kunt nooit weten... een paar jaar geleden was P. G. Rosenberg de man op de voorgrond en hield Thomas Mann zich er achter schuil), hij bezoekt vergaderingen in de Oost- en in de West-zone en hoort hier hetzelfde als ginds. Hij werkt in een drukkerij en maakt borden „Heute keine Ware verhanden”. Als kellner slijt-ie z’n avonden in een Tingeltangel. En wordt tenslotte bijna! het slachtoffer van twee stramme officieren, die, voordat zij elkaar in de haren vliegen, hem de naïeve Herr Normalverbraucher, met schreeuwen en een pak slaag en andere hardvochtige argumenten van de juistheid van... ja, waarvan? ... willen overtuigen.

Die twee Pruisische officieren, die in dè Kneipe aan een tafel zitten en zo verschrikkelijk kwaad op elkaar zijn, omdat de éne de politiek der Russen en de ónder die der Amerikanen verdedigt (waarbij ieder alleen maar aan de“>verwezenlijking der nog niet begraven übermenschenoverheersing denkt), zullen we niet licht vergeten. Deze scène zegt ons méér dan een heleboel geschrijf over de doelstellingen en de wensdromen van vele Wehrmachtsangehörige. Dit tafereel doet aan de grote meesters van de satyre denken, aan een Kurt Tucholsky vooral, de man, die het Pruisendom haatte en belachelijk maakte. Zelfs dit tafereel wordt niet met veel pathos en nadrukkelijkheid hingeschmettert, maar vormt een van de vele episoden, een als het ware terloops geschetst beeld. En er zijn meer van die beelden; er zijn ook enkele songs, die echter in melodie en woord zwakjes zijn en aan bloedarmoede lijden, behalve dan het liedje van de Kampf gegen dat en gegen dit, gegen zus en gegen zo. In dit en in soortgelijke gedeelten kan ons de „Berliner Ballade” het meeste bekoren, omdat zij de draak steekt met pathos en heroïsering. Onze Normalverbraucher droomt bijv. niet van heiden. Walhall en andere schone nonsens, maar bij voortduring van Torte en Kuchen en Schlagsahne. En in de tweede plaats van een meisje. Natuurlijk van het kind dat hem zo royaal moorkoppen spendeert.

Een explicateur geeft af en toe z’n commentaar ’t Wordt geen zwaarwichtig moraliseren, maar een cabaret-achtig kletsen, ondersteund door vele een enkelo keer zeer geslaagde woord- en beeld-toespelingen.

Ons mannetje luistert naar de 8.8. C. Anno 1943..

Soms echter is een en ander gezocht en