is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 50, 23-09-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Heer ' behoort de aarde j en haar 1 volheid. > \ Psalm 24 : 1 y/

Tyd en Taak

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR. EVANGELIE 'EN SOCIALISME

VERSCHIJNT 50 MAAL PER JAAR 48STE JAARGANG VAN „DE BLIJDE WERELD”

Zaterdag 23 September 1950 Nr50 Redactie: ds J. J. Buskes Jr ds L. H. Ruitenberg dr J. G. BomhofT Redactie-Secr.: Roerstraat Amsterdam-Zuid Telefoon 24386 p/a dr J. G. BomhoflF Vaste medewerking van prof. dr W. Banning J. Hulsebosch H. van Veen dr M. V. d. Voet ds H. J. de Wijs Mej. dr M. H. v. d. 2ieyde e.a.

Abonn. hg vooruitbet. per jaar f 8.00, halfjaar f 4.23, kwart, f 2.i0 plus f 0.13 incasso. Losse nrs f 0.13, Postg. 21876, Cem. giro V 4300, Adm. N. V. De Arbeiderspers, Hekelveld 13, A 'dam C

HET PARADIJS DER NEGENTIENDE EEUW

Met deze woorden karakteriseert Jan Greshoff de wereid van gisteren, die door Stefan Zweig in zijn levensherinneringen beschreven wordt, een tijdperk van sierlijke rijkdom en onbevangen idealisme. In deze wereld heeft Zweig oprecht en innig geleefd. Deze wereld heeft hij in woord en geschrift verheerlijkt. Het was zijn wereid, die hem had gemaakt en die hij had helpen maken.

Deze bepaaide en onherhaalbare wereld is ondergegaan en Zweig, die in een andere wereld niet leven kon, maakte er een eind aan: „het was niet levensmoeheid, die Zweig tot zelfmoord bracht, het was tot het uiterste doorgevoerde trouw, hij was als de kapitein, die een plaats in de laatste sloep weigert, omdat hij verkiest met zijn schip in de golven te verdwijnen.”

Zo veridealiseert en veraesthetiseert Greshoff Zweigs tragische zelfmoord tot een heroïsche daad. Men moet hem dat niet kwalijk nemen. Hij kan niet anders, omdat hij, naar zijn eigen getuigenis, de wereld van gisteren hartstochteiijk ideaiiseert, om niet in wanhoop onder te gaan.

Van Heerikhuizen heeft er in zijn inleiding op de Nederlandse vertaling van Zweigs autobiografie te recht op gewezen, dat Zweig en zijn geestverwante tijdgenoten, tot wie ik ook Greshoff reken, zeif voor de ondergang van deze wereld een belangrijke bijdrage hebben geleverd. Zij waren het immers, die zelf meehielpen de burgerlijke tradities omver te werpen en zij zagen niet, dat zij daarmee bezig waren, om het paradijs der negentiende eeuw, die wereid van veiligheid, waarin ze waren opgegroeid en die het hun mogelijk maakte te leven zoals ze deden, ten onder te brengen. Met de burgerlijke beperktheden, aan welke zij zich ontworstelden, verdwenen de vaste maatstaven en de gematigdheid, die de voorwaarden waren, door welke hun leven in hun jonge jaren zo schoon kon lijken.

Van Heerikhuizen zegt het heel scherpzinnig: „het is de tragiek van deze generatie, dat ze juist met haar schoonste verwachtingen voor zich zelf het graf heeft gegraven.”

In Zweigs leven heeft dit tot onoplosbare tegenstrijdigheden geleid, die men nog

beter dan in zijn autobiografie, die slechts tot 1939 gaat, leert kennen in het boek, dat zijn eerste vrouw over hem geschreven heeft: „Stefan Zweig, wie ich ihn erlebte”. Zweig was een kind van de oude stad Wenen met haar onbezorgde en liberale levensopvattingen en een enthousiast vertegenwoordiger van de toenmalige schoonheidscultus. Zijn leven-werd nooit door materiële zorgen gedrukt en op een idealistische wijze verheerlijkte hij de moderne maatschappij met haar voortschrijdende techniek. Hij droomt in zijn edel idealisme van een algemeen Europees burgerschap. Hij was voluit een aestheet, zoals ook Greshoff een aestheet is.

De vraag moet gesteld worden, of de wereld van gisteren wei als het paradijs van de negentiende eeuw gekarakteriseerd mag worden.

In Latzko’s Levensreis worden wij evenals in Zweigs autobiografie met de wereld van gisteren geconfronteerd. Latzko was echter het tegendeel van een aestheet. Zijn levensinstelling is niet aesthetisch, maar ethisch. Hij idealiseert de wereld van gisteren niet, maar laat haar ons zien, zoals zij in werkelijkheid was.

Het eerste hoofdstuk van Zweigs autobiografie heeft tot titel: die Welt der Sicherheit! En in de eerste zinnen karakteriseert hij de jaren van de eerste wereidoorlog als het gouden tijdperk van veiligheid en zekerheid, waarin men meer in de vooruitgang dan in de bijbel geloofde. Zelfs het probleem der problemen: de armoe van de grote massa, scheen niet onoplosbaar. Zwelg weet wel, dat het optimistisch geloof van de negentiende eeuw een waan is gebleken, maar hij noemt het toch een edele waan en hij geeft toe, dat hij zich van deze waan nooit geheel heeft kunnen bevrijden. Hij erkent, dat deze wereld van zekerheid en veiligheid een droomslot is geweest, maar zijn ouders leefden in dat slot en hij is altijd een kind van zijn ouders gebleven. Naast dit eerste hoofdstuk van zijn autobiografie legge men dat van Latzko’s Levensreis: Autokerkhof en Massamoord. Latzko begint met het ware aangezicht van de oorlog te onthullen en noemt op één van de eerste bladzijden van zijn autobiografie het doden van mensen een gru-

wel, omdat elk afzonderlijk, vóór de tijd uitgerukt en als oud roest in het massagraf geworpen leven, een kapitale misdaad is tegen de geest en tegen de zin der schepping. Hij noemt die misdaad moord. Enkele bladzijden verder vertelt hij, dat hij als kind van vijf jaar het bestaan van een rijkeluiszoontje voerde, terwijl millioenen kinderen van vijf jaar honger hadden. En nog enkele bladzijden verder volgt een paragraaf over het anti-semitisme.

Latzko kent geen paradijs der negentiende eeuw. Hoe kan men van een paradijs spreken, wanneer duizenden in de overvloed van de grote stad honger lijden? Vanaf zijn jeugd weet hij, dat hij tegen deze wereld van onrecht moet protesteren, tegen een vijandig gegrendelde, mens tegen mens en land tegen land grimmig gepantserde wereld, waarin het geringste sieraad, alles wat het leven pas levenswaard maakt, alleen voor de rijkdom bereikbaar is.

Latzko wordt anti-militarist en radicaal socialist. Hij vecht tegen het onrecht en voor de verdrukten. Zijn leven lang is het onrecht het middelpunt gebleven, waar al zijn gedachten omheen draaiden. En het is zijn enige troost, dat zijn ergste vijand in zijn leven vergeefs naar ontrouw of inconsequentie in dit opzicht zal zoeken. Zoals Zweig Wenen liefhad, zo hield Latzko van Boedapest. Wenen was mooi en Boedapest was mooi, twee mooie steden van de wereld van gisteren. Zweig en Latzko waren beiden kunstenaars. Latzko was echter geen aestheet. Hij doorzag de wereld van gisteren en hij zei: „Dat mooie is maar uiterlijk. Achter deze prachtige faqade leeft de ellende. De verzadigden en rijken —■ men denke er aan, dat Latzko evenals Zweig tot een zeer welgestelde familie behoorde hebben een muur om zich opgetrokken en zien haar niet, willen haar niet zien, de vreselijke ellende, die hun eigen hebzucht heeft geschapen. Deze toestand, waarbij Juist zij die de hele dag werken, in kelders en krotten moeten leven, terwijl anderen, die de hele dag niets doen, genieten van de frisse lucht bij golf- en tennisspel en wonen in prachtige paleizen, deze hele toestand moet van de grond af worden gewijzigd.”

Zweig is altijd aestheet en daarom ook altijd toeschouwer gebleven.

Latzko was het tegendeel van de aestheet en hij nam deel aan de strijd voor de onderdrukten en ontrechten. Hij stond vooraan in de rijen van de strijders tegen militarisme, kapitalisme en imperialisme. Daarom meende Zweig, dat Latzko de tijd waarin beiden leefden, met een overdreven pessimisme bekeek en beschuldigde hij hem van een ongegrond wantrouwen. Daarom wilde Zweig met de politiek niets te maken hebben en vermeed hij angstvallig de sociale vragen, terwijl Latzko aan