is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 50, 23-09-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij de Jehova-getuigen

Zondagmiddag. Houtrusthallen, Den Haag. Congres Jehova-getuigen.

Buiten staan rijen autobussen. Rondom Houtrust tenten.

Ik ben vroeg gegaan om rustig de mensen en de organisatie aan te zien. Het is de laatste middag van het drie-daagse congres. Zullen de congresgangers moe zijn, murw van al dat spreken en luisteren en vreemd kamperen?

Van moeheid is niets te merken. Wel van een voortreffelijke organisatie. De zaal loopt vol. De mannen met een groen lint waarop „dienaar” staat, wijzen correct de weg. zy instrueren de mannen met de witte linten, die precies doen wat hun bevolen is. Ook de bezoekers zijn getraind in gehoorzaamheid. „Stilte” en er is stilte. „Bank ontruimen”, en de bank wordt ontruimd. Zonder pruttelen, ook al weten de opgestanen, dat elders heel slecht een plaats te krijgen is.

Het zijn „gewone” mensen om mij heen. In ieder geval geen rijken. En geen intellectuelen. Veel jongeren. Mannen en vrouwen gelijk op. Kantoorbedienden, kleine winkeliers, kleine handelaren, vaste en losse arbeiders. Zonder een duidelijk stempel van stad of platteland.

Ordelijk zyn ze. En blij. Niet luidruchtig, eerder met een zekere ingetogenheid. De zaal is niet versierd. Is het een godsdienstige byeenkomst? Ja en neen. Ja, wat het onderwerp betreft, néén, wat de liturgie aangaat. Het is, alsof men in élk onderdeel wil laten uitkomen, dat men in niets op een kerk wil gelijken. Boven het podium staat een tekst „Predik het Woord”. Op het podium een katheder en stoelen. Alles netjes, ordelijk. Maar zonder opsmuk of fantasie. Vóór het podium een orkestje. Waar een piano aan meewerkt. Vooral géén orgel.

Voor de openbare lezing begint, zingt een koor. Eenvoudig, zonder pretentie. De herkomst van de melodieën ken ik niet. Ze

zijn in ieder geval niet ontleend aan de kerkelijke schat van alle eeuwen. De melodieën zijn blijmoedig, zonder uitdagend te worden. Ze liggen in het gehoor, maar zijn niet ordinair. Ik blader de liederenbundel door en lees de tekst. Alweer: ik herken geen enkele. Nergens dus aansluiting met de kerk.

Om drie uur zijn vrijwel alle stoelen bezet. Alleen in het middenvak, opengehouden voor „vreemdelingen”, is nog een enkele stoel vrij. Het blijkt, dat er 10.500 aanwezigen zijn. Vijf jaar geleden, op het eerste congres in Amsterdam, waren er 800.

De openbare lezing wordt gehouden door de voorzitter van het congres, W. C. Reijntjes. Alleen op het grote podium. In grijs pak. Een man met een stalen stem, die, via de microfoon, tot in alle uithoeken doordringt. Een lezing van een uur. Een vol uur. Zonder pauze, zonder versiering. En de vergadering luistert een vol uur. Al zie ik hier en daar iemand, door slaap overmand, even geestelijk wegzakken. Dat zag ik bij middagdiensten in de kerk ook wel eens, en zelfs in groteren getale.

Een merkwaardige toespraak. Over: „Kunt gij voor altijd in geluk op aarde wonen?” Het begin schiet precies in het centrum van de zorgen van ieder mens. Het sluit aan bij alle vragen, die millioenen ten diepste verontrusten en die in de laatste honderd jaar steeds weer tot felle uitbarstingen geleid hebben. Geluk op aarde, terwijl het militarisme met dood dreigt, terwijl de sociale spanningen ten top gevoerd worden, terwijl de kerken („de religieuze machthebbers”) elkaar verketteren? In enkele trekken staan zo de angst, de wrok, de afkeer van millioenen die onder dreigingen leven, getekend.

Ja, ’t kan. Want het staat in de bijbel, die als gezaghebbend aanvaard wordt. Daardoor weten wij, hoe de ellende komt en hoe er verandering zal komen. Punt. Daarmee was de bijbel ingevoerd. Er werd zelfs geen toespeling gemaakt op de vraag, waarom die bijbel zulk een gezag had. Absoluut vast uitgangspunt.

Wat toen volgde, was in wezen dit: uitgaande van de bybeltekst maar dan zonder de ballast van eeuwenlang-gevijlde exegetische uitleggingen werd het heden gezien onder het gezichtspunt van het spoedige einde. Het was boeiend en verschrikkelijk tegeiyk, dit bybelgebruik. Boeiend, omdat met zulk een ernst de prediking van het Godsrijk gehoord werd. Maar verschrikkelijk, omdat de ganse bijbel op dit ene punt werd samengetrokken en alle andere elementen daaraan ondergeschikt werden gemaakt. Het was, alsof de bybel alleen maar geschreven was voor dit éne tijdsgewricht. Alle gebeurtenissen van oud en nieuw testament waren voorafschaduwingen van wat nu, in deze jare zou gebeuren. Terwijl wij, die de bijbel lezen als mensen die weten in een historische ontwikkeling te staan en die daarom afstand scheppen, het bybelwoord in zyn bepaaldheid door de tyd-van-toen willen verstaan, was hier het bijbelwoord onderworpen aan dit ene verlangen: te weten, goed, precies, wat nü gebeuren zou.

Waaraan men houvast heeft. Waarin men zekerheid vond bij leven, werken, sterven. Ziehier de zekerheid volgens de spreker; alle middelen om aan de ellende te ontkomen, falen. Ja, die middelen zijn de laatste listen van de Satan. Fascisme, communisme, UNO, kerkelijke bewegingen, het is alles niets. Alleen de Schepper zal de wending brengen. Zie psalm 146, „vest op prinsen geen vertrouwen”. Jehova-God moet het doen. Zal het doen. Is bezig het te doen.

Jezus Christus is de koning van de nieuwe wereld. Dit koninkrijk is thans naby. De catastrofe nadert. In de Hemel is de stryd al gestreden. In 1914. Toen stelde Jehova Zijn Zoon op de troon. Maar Satan probeert nog macht te houden. Hij heeft zyn hoop op de aarde gevestigd. Hij gebruikt alles, om de komst van het Koninkrijk te verhinderen. Maar dat zal hem niet gelukken. Want de aarde voetenbank Gods zal gereinigd worden in het grote Armageddon. Niet de aarde-zelf zal vernietigd worden. Maar alle vijanden van God zullen vergaan. Als stof en as. Slechts een rest zal overblijven. Dat zijn zij, die samen in de theocratische organisatie de wereld van de Satan afgezworen hebben. De zachtmoedigen, die de aarde zullen beërven. Die het teken zijn van de ophanden zijnde vestiging van Gods Koninkrijk. Door hun moed, door hun reine woorden, door hun zuivere leven. Jezus Christus zal nu niet meer gekruisigd worden, maar tuchtigen met ijzeren roede. Deze aarde zal een paradys worden. Waarom zou hij de aarde-zelf verdelgen? Wie een huis met ratten heeft, verbrandt toch niet het huis, maar zal alleen de ratten doden. Zó zullen de vijanden Gods gedood worden. En dè,n komt het volmaakte mensengeslacht. Dan zal er een nieuwe aarde zijn met een nieuwe gerechtigheid. Nieuw georganiseerd. En aan die nieuwe organisatie kan men deel hebben, door nü reeds getuigen te zijn van het Koninkrijk. Van de theocratische organisatie. Wij moeten reeds nu in de gunst van Jezus Christus komen. zult gy bij het grote Armageddon gespaard worden. Ga er op uit, om dit te verkondigen!

Dat was het. Het was, alsof ik oude Munsterse Wederdopers hoorde. En het was, of ik ... in een communistische vergadering was. Deze Jehova-getuigen zijn als het ware de communisten van het godsdienstig leven. Dezelfde volstrekte zekerheid, hetzelfde intellectualisme, dezelfde afschuw van de wereld van heden en dezelfde verwachting van catastrofale gebeurtenissen op korte termijn. Alleen: hier, bij de Jehova-getuigen, ontlaadt dit pathos zich in bybelse termen en daarom is er iets van waarachtige evangelische blijdschap over het geheel en ook een oprecht verlangen naar persoonlijk-zedelijk leven in apostolische zin.

Na deze spreker was er pauze. „Vreemdelingen” konden weggaan. Ik bleef. Want straks zou het congresverslag komen. Dat interesseerde mij, omdat men een beweging het best kent uit haar vormen.

De „congres-dlenaar” verslag. Ook hier weer een verbysterende directheid, een vervloeiing van Amerikaanse zakelijkheid en bijbelse visie. „Dit congres is een waarachtig instrument voor de nieuwe wereld”, zei de heer J. v. d. Landen. „Aan de cafetaria konden wij zien, dat er toename van theocratie is.” En toen kwam een opsomming van wat allemaal gedaan en verbruikt was in die dagen. Er was een patates-frites-inrichting aangeschaft. 65 mud aardappelen waren geschild, 11.500 ballen gehakt gedraaid, 2650 liter appelmoes verorberd, 300 liter olie verbruikt.

de politieke en sociale vragen in zyn boeken een voorname plaats gaf, omdat er, naar zijn overtuiging, zonder een nieuwe ordening der maatschappij geen vrede op aarde mogelijk was.

Het paradys der negentiende eeuw is een waan, een edele waan wie zal het ontkennen maar een waan. Wij zullen goed doen Jan Greshoff niet te volgen in zyn pogen, om deze waan tot een werkelijkheid te proclameren. Latzko heeft ons meer te zeggen dan Zwelg, ook al is het een genot, om ons in „Die Welt von Gestern” te verdiepen. Daar is ook geen bezwaar tegen om dit te doen, indien wij maar geen ogenblik vergeten, dat wij, ons verdiepende in deze wereld, voor enkele ogenblikken leven in een droomwereld. Om niet in wanhoop onder te gaan, hebben wij iets anders te doen dan de wereld van gisteren te idealiseren en naar deze geïdealiseerde wereld terug te vluchten.

Latzko wijst ons een weg, niet terug, maar vooruit.

J. J. BUSKES Jr