is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 50, 23-09-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

55 kilo koffie gedronken, 135 kilo kaas en 5000 haringen gegeten („en toch rook je het niet in de zaal”). Het was een theocratische winkel, nl. goedkoop en goed. 707 personen werden door de E.H.8.0. geholpen, maar er werd géén baby geboren. „De leveranciers hebben aan de orde en netheid kunnen zien, hoe de nieuwe wereld zal zijn, die nu spoedig komt. Dit congres is een waarschuwing geweest aan Gods vijanden.”

Voor mij was dit congres óók een waarschuwing. Ik behoor dan, naar de terminologie der Jehova-getuigen, tot Gods vijanden. Maar het was niet in die zin een waarschuwing. Wél zo, dat hierin gedemonstreerd wordt, hoe ’n groot verlangen er is naar het Koninkrijk Gods, naar verlossing. Hoe de politieke activiteit op deze mensen géén beroep meer kan doen (de Jehova-getuige stemt blanco). Hoe de kerken geen deuren tot deze harten meer kunnen vinden. Hoe hier een speciaal soort „religieus-socialisme”, waarvan ik het pathos best begrijp, in veramerikaniseerde vorm op ons af komt. En hoe slechts een nieuw, door het Evangelie aangeraakt leven in offervaardigheid en liefde, zowel het maatschappelijke leven als dat der kerken, nieuwe kansen geeft.

Het is waarlijk niet zo slecht, te luisteren naar de Jehova-getuigen. Niet om wat zij zeggen, maar om wat zij zijn. Inderdaad: een waarschuwing.

L. H. RUITENBERG

PERSPECTIEF

De tijd om er op uit te trekken en buiten te vertoeven ligt alweer achter ons. Jammer? Och, ook de periode die voor ons ligt biedt vele genoegens, ook al zijn die veelal van andere aard dan die welke de zomermaanden ons kunnen geven.

Wanneer komen wij bijv. méér tot lezen, dan juist op de lange winteravonden? De maanden welke voor ons liggen zijn mede daarom zb bij uitstek geschikt om te trachten het

aantal abonné’s op „Tijd en Taak” te vergroten.

We houden ons hierbij gaarne verzekerd van de steun en medewerking van onze getrouwe Tijd en Taak-lezers en -lezeressen.

Zoekt uw vrienden en familieleden eens op en praat met hen over een abonnement op ons weekblad. Vestigt vooral hun aandacht op de ingrijpende prijsverlaging waardoor per 1 October de abonnementsprijs wordt gewijzigd voor

een jaarabonnement van ƒB, in ƒ5,

een halfjaarlijks abonnement van ƒ 4,25 in ƒ 2,75

een kwartaalabonnement van ƒ 2,30 in ƒ 1,50

Deze verlaging biedt perspectief en het moet dan ook mogelijk zijn in de komende maanden een groot aantal

abonné’s te winnen op „TIJD EN TAAK”, Werft abonne s!

« Het goede en het slechte Duitsland (n)

Brief aan een boekhandelaar in Neurenberg

Holland, September 1950. Zeer geachte heer Schneider,

U hebt mij gevraagd, mijn indrukken over Neurenberg op te schrijven en u te sturen. En omdat u één der weinige mensen bent geweest, die licht hebben laten vallen op mijn verblijf aldaar, wil ik graag aan uw wens voldoen.

Gemakkelijk zal dat niet zijn, want eigenlijk ken ik u niet. Of misschien toch wel? Eén ding hebben we in ieder geval gemeen: Onze liefde voor de kunst, zoals die in oude tijden in Neurenberg gebloeid heeft. Het kan haast niet toevallig zijn, dat uw noodwinkel opgesteld is naast de St Lorènzkerk met zijn prachtige beeldhouw- en smeedwerken van Veit Stosz en Peter Vischer.

Toen ik u daar zag staan in die veel te kleine boekwinkel met uw Beethoven-kop met grijs haar, vriendelijk pratend met jonge mensen, die kennelijk arme kunstenaars waren, toen heb ik een zucht van verlichting geslaakt. Eindelijk een mild, begrijpend, innerlijk beschaafd mens in Neurenberg. En zonder aarzelen heb ik de spontane handdruk aanvaard, waarmee u een Hollandse in uw winkel welkom heette. Ja, ik weet het, hiermee vel ik een hard oordeel over de andere mensen in Neurenberg. En ik hoor u al vragen: „In welke kringen hebt u dan verkeerd? Er zijn toch massa’s beschaafde en tegemoetkomende mensen in Neurenberg?”

Natuurlijk, meneer Schneider, ik twijfel er geen ogenblik aan, dat er ook in Neurenberg allerlei kringen zijn, waarin het goed is te vertoeven. Maar dat was niet mijn be-

doeling. Ik ben als een vreemdeling door Neurenberg gegaan, ik heb gepraat met de mensen in touringcars, trams en bioscopen, ik heb in de café’s gezeten, in de dierentuin en in de parken. En ik heb gevoeld, dat de stemming tussen het gewone volk zo adembeklemmend slecht is, zo geladen van haat, van zelfmedelijden, van onbegrip, dat een buitenlander het er niet kan uithouden. Het Neurenbergse volk is als een kind, dat gestraft is en nu in een hoek zit te mokken, omdat het vindt, dat het onrechtvaardig behandeld is. En het schopt nijdig naar alles, wat in zijn buurt komt. En men kan er niet mee praten.

De onderlinge omgang.

Toen ik de tweede keer bij u kwam, meneer Schneider, had ik die dag een uitstap naar de bergen gemaakt met een touringcar. Een hele dag op stap met 40 Neurenbergse, onbekende mensen. Van allerlei rang en stand en van allerlei leeftijd.

Het begon al dadelijk vóór het vertrek. De gids ontdekte, dat zijn zitplaats, vóór in de bus, ingenomen was. Hij was een oude man en maakte een vriendelijke indruk. Hij vroeg aan de voorste reizigers, of ze één plaats naar achteren wilden gaan, want achter in de bus was nog één plaats open. Niemand gaf antwoord, niemand verroerde zich. Nog eens vroeg de gids het. Er ontstond een gemompel.

„Niet doen”, zeide één, „laat hij zelf maar achterin gaan.” „Mij krijgen ze niet van mijn plaats”, zei de ander.

„We moeten niks meer”, hoorde ik iemand zeggen.

Ten slotte zei één stem, hard en duidelijk: „We leven nu in een democratie. Niet doen wat die man vraagt. Hij kan zelf

achterin gaan zitten. Hij is één tegen velen.”

En de gids deed het. De hele dag schreeuwde hij zijn uitleggingen tegen onze ruggen. En denkt u nu, dat dit een uitzondering was, meneer Schneider? Welnee, zo ging het de hele dag. De éne onhebbelijkheid volgde op de ander. Een kind werd wagenziek, en de moeder vroeg, of het bij een open raam mocht zitten. Weer over en weer boze woorden en boze blikken, weer een geschreeuw: „Moeten we voor één kind in de tocht gaan zitten?” Weer gaf de moeder het op. Toen, na 5 minuten gewacht te hebben, zei heel schuchter een jong meisje: „Laat hij dan maar op mijn plaats gaan zitten”. Ja, dat was inderdaad nog het merkwaardigste: het schuwe, spottende lachje, waarmee dit meisje zich verontschuldigde, omdat ze iets geks deed.

En dan de tramconducteurs, meneer Schneider! Denkt u dat ik ook maar één keer behoorlijk antwoord heb gekregen als ik de weg vroeg? Nooit. Alleen maar scheldwoorden, als ik de aanwijzingen in zeer plat dialect niet dadelijk verstond. Nu zegt u misschien vergoelijkend: „De mensen zullen gedacht hebben, dat u een Amerikaanse was, door uw buitenlands accent. En u weet de bezetting ”

Nee, meneer Schneider, dat was het ook wel, maar niet alléén. Want de man, die de tram in wilde stappen op het moment dat ik mijn koffer vooruitschoof en er uitstapte, wist helemaal niet dat ik een vreemdeling was. Toch schopte hij mijn koffer achteruit en duwde mij opzij, want hij wilde naar binnen. Kon het hem wat schelen, dat als regel de mensen eerst uitstappen? Nu weet ik wel, dat ook in Nederland de manieren vaak slecht zijn. Maar je ziet toch nog wel eens iemand voor een ander opstaan in de tram. In Neurenberg nooit. Men zorgt alleen voor zich zelf.

Moraal? Dat een bezetting demoraliserend werkt, dat weten wij ook in Holland. En dat de