is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1950, no 4, 21-10-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Millioenennota

Op Prinsjesdag, de derde Dinsdag in September, komt de minister van Financiën met een koffertje in de Tweede Kamer. Als ik goed ben ingelicht dan zit daar dan de hele Rijksbegroting in (voorzover gereed). In ieder geval haalt hij er dan de Millioenennota uit te voorschijn. Met enige spanning verwacht het land die, want de Rijksbegroting snijdt tegenwoordig zo een reusachtige moot uit onze nationale koek (niet ver van een derde deel) dat zij niemand onverschillig kan laten. In een wonderlijke mengeling van feestvreugde, gouden koets met acht paarden en Koningin, lakeien, met één of twee tegelijk „gaande voor elk portier”, graven en baronnen, militair saluut en driemaal hoera plus zorg voor de hoge belastingdruk en de economische ontwikkeling, komen de gedrukte stukken van de landsdrukkerij ook op de tafels der leden van de Staten-Generaal en ik stel mij zo voor, dat de Kamerleden, nog met de hoge hoed op en de jacquetpanden wapperend om de leden, met potlood en papier aan het rekenen slaan. Er hangt om Prinsjesdag zoiets als een beursstemming: hoe zal dit cijfer uitvallen, of dat?

Neen, het is heus wel een interessant stuk, die Millioenennota dan, de „Nota betreffende de toestand van ’s Rijks financiën behorende bij de ontwerp-begroting v00r...” ditmaal 1951. De begroting zelf is droog als gort, een stapel papier van minstens 75 cm hoog, maar het voornaamste staat in de Millioenen-nota bij elkaar en dat wordt dus een stuk met tal van feiten en beschouwingen over onze hele economische toestand. Een heel enkel interessant onderdeeltje pik ik er voor u uit: op blz. 50 vindt u een reuze tabel met de besteding van ons nationale inkomen in 1938 en in de jaren 1946 t/m 1949. Neen, wordt u maar niet bang, ik neem hem niet over. Maar wist u dat de netto investeringen in bedrijven dat zijn practisch alle netto investeringen een zo enorm veel groter beslag op onze middelen zijn gaan leggen dan vóór de oorlog? In 1938 1,7%, 1946 7,5%, 1947 11,2%, 1948 12,5% en 1949 15,2%!

Dat is een formidabele verandering, verbazingwekkend, omdat dit een wijziging is in een bestedingsgewoonte van een geheel volk, terwijl volksgewoonten anders maar heel langzaam plegen te veranderen. Hier blijkt uit dat we de toename van het nationale product zijn gaan dirigeren naar de plekken van de grootste nood: de verzorging van onze toekomstige welvaart en werkgelegenheid. Uiterst merkwaardig, dat een zo forse ruk in de richting van besteding van onze middelen plaats vindt in een volk dat niet een van boven af straf geleide economie heeft. Zo helemaal verstard is onze economie dus blijkbaar toch nog niet. Of is dit een succes voor de indirect geleide, zgn. „gerichte” economie? Van de loonstop bijvoorbeeld? Weet ik nog zo niet. Maar wat kan het eigenlijk schelen; in ieder geval: een mooi succes (van wie dan ook). Als de Amerikanen weer eens willen weten wat we met hun Marshall-centen uitvoeren, kunnen we met deze cijfers voor de dag komen. Een ander onderdeel, de Industrialisatie-

nota, graai ik in dit verband nu maar meteen voor u uit de hoge stapel weg; want de cijfers die ik hier gaf, houden op bij 1949 en nu die er mooi uitzien, willen we natuurlijk meteen v/eten of we de reis naar evenwicht in de betalingsbalans en volledige werkgelegenheid bij dit tempo op de bestemde tijd (eind 1952) halen. De Industrialisatie-nota is een bijlage van het tiende hoofdstuk der Rijksbegroting, dat voor rekening komt van de minister van Economische Zaken. Ha, hier is-t-ie, gauw kijken, blz. 11, naar het uit de nota van het vorige jaar bekende Industrialisatieschema. Aha, de taakcijfers zijn vrijwel gelijk gebleven. Valt me mee bij zoveel speculatief gereken. Een beetje hoger geworden, nou ja, natuurlijk: door de versnelde demobilisatie in Indonesië. Per jaar moeten we in totaal in de industrie investeren bijna 1290 millioen (waaronder voor uitbreidingen 645 millioen). Zijn we daar nou aan toe gekomen? Neen, we liggen er blijkens de tabel op blz. 3 nog onder, maar niet hopeloos: realisatie in 1948 en 1949 voor alle investeringen resp. ruim 1000 en bijna 1200 millioen, nieuwe investeringen (uitbreidin-

gen) resp. 420 en 565 millioen. Net wat je zou verwachten de minister zegt het trouwens zelf ook al: er is een aanlooptijd nodig en normaal is dus, dat de grote klap in de laatste helft van de Marshallperiode komt.

Neen, eerlijk gezegd, na de sombere, strakke Troonrede valt dat me mee. Of liever: wat om te vloeken zo jammer dat dat Korea en die herbewapening nou weer roet in het eten gaan gooien. Wat zijn we toch voor een wereld met elkaar, om, juist op het moment dat het er op gaat lijken, dat we toch weer op de been zouden kunnen komen, alle vruchten van ons gezwoeg van vijf jaren lang er aan te gaan wagen. Doodjammer.

En natuurlijk, als v/e het daarover hebben; sombere klanken zijn er in de Millioenennota genoeg, kijkt u maar naar bladzijde... Maar verdorie neen, ik kijk er nu maar even niet naar. Ik wil nu maar even In de stemming blijven van de man die juist ontdekt dat hij het eerlijk gezegd: tegen zijn heimelijke verwachting in toch wel zou kunnen redden, als niet R. EVERTS.

STEINBECKS

Russisch Reisverhaal

Het komt op ons aan 3

Als ik de ander eens was

Wanneer wij met de hierbovenstaande woorden eens wat meer ernst maakten, dan zouden vele „onoplosbare moeilijkheden” in een ander licht komen te staan. Er zou dan ook zeker wat meer begrip komen, nieuw, bevrijdend begrip.

Laat ik met een eenvoudig voorbeeld beginnen.

Ik spreek met iemand, die vol weerstanden zit tegenover de kerk, ook vol wantrouwen tegenover de dominees. Misschien kan ik door een spitse apologetiek de man een ogenblik met stomheid slaan. Maar dat betekent niet zoveel. Of beter: dat betekent niets.

Ik kan eerst werkelijk tot een bevrijdend gesprek komen, wanneer ik doodeenvoudig tegen mezelf zeg: Als ik die ander was, dan sprak en deed ik precies zo. Als ik precies dezelfde opvoeding had gekregen, als ik dezelfde teleurstellingen met dë kerk en haar dienaren had ervaren, als ik tot dezelfde sociale laag zou behoren als die man daar, welnu, dan sprak en deed ik precies zo.

Deze waarheid van het: Als ik de ander eens was... heeft de Amerikaanse schrijver Steinbeck ook toegepast op Rusland. En al zegt hij dan, zich niet met politieke kwesties in te laten in dit reisverhaal

toch laat hij af en toe een verkwikkend en bevrijdend geluid horen.

Omgang met vreemdelingen.

Het is bekend: de Russen mijden de omgang met vreemdelingen. Zij nodigen vreemdelingen niet uit. Dat is gevaarlijk. Steinbeck zegt, dat één der leden van de Amerikaanse ambassade het hem aldus uitlegde: „Hij vertelde, iemand van het State Department te hebben gesproken, die naar Moskou gekomen was en zich er over beklaagde, dat het hem niet mogelijk was met het Russische volk in aanraking te komen. De man van de ambassade zei: „Welnu, laten we ’s veronderstellen, dat u in Washington ter ore kwam, dat één van uw secretaressen met iemand van de Russische ambassade uitging. Wat zou u doen?” En de man van het State Department antwoordde: „Nou, haar de laan uitsturen, onmiddellijk.” Waarop de man van de ambassade zei: „Nu dan, het kan best zijn, dat de Russen er precies zo over denken, begrijpt u?”

Steinbeck vertelt verder:

„Als men een Rus uitnodigt, komt er gewoonlijk iets tussenbeide. Hij is ziek, of hij kan niet komen, of hij is de stad uit. Dit is ongelukkig, maar waar. Het is al even ongelukkig, dat hetzelfde tot op zekere hoogte ook in Amerika waar kan zijn.” Inderdaad: de redenering: „Als ik de ander eens was dan deed ik precies zo”, werkt wel zeer ontdekkend, wanneer we zien, dat we ook inderdaad „tot op zekere hoogte” hetzelfde doen. Vrienden, die communisten zijn geworden, worden, ondanks de oude vriendschap, door velen gemeden.

Dit heeft niets te maken met goedpraten van een verkeerde situatie in Rusland. Dit heeft wel te maken met het begrijpen van een bepaalde situatie vanuit onze eigen daden. Dit kan én voor onszelf èn voor de hele positie waarin we ten aanzien van Sowjet-Rusland verkeren, alleen maar heilzaam zijn.

Democratie.

In de Oekraïne vroeg één der boeren aan Steinbeck: „Wat zou de Amerikaanse regering doen als de Sowjet-regering geld