is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1950, no 7, 11-11-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Amerika China Duitsland

Gelukkig, de Amerikaanse verkiezingen zijn er. Eindelijk kan er nu opklaring komen in Amerika’s buitenlandse politiek; eindelijk is een duidelijk voor en tegen uitgesproken aangaande de door de Republikeinen voorgestane machtspolitiek en het Democratische streven naar de politiek van „punt vier”, van steunverlening aan de weinig ontwikkelde Aziatische gebieden.

Voor of tegen? Op het moment, dat ik dit schrijf. Dinsdagmorgen, is de uitslag nog niet bekend. Als u dit leest, zult u het weten. Ge zult dan weten of er nog groter verwijdering zal ontstaan tussen Azië en het Westen, ook of de Atlantische gemeenschap verder zal worden uitgehold. Dit is mogelijk bij een Republikeinse overwinning, want de Republikeinen verwijten Truman c.s. te laks te zijn geweest in de Chinese aangelegenheid. Als goede isolationisten verwijten zij de president voorts veel te ver te gaan in de bindingen met en hulp aan het roerige, zwakke en dus onzekere West-Europa. Meer isolationisme ten aanzien van Europa, machtsvestiging en -handhaving in Azië, ziedaar het program der Republikeinen. „Verkiezing over Wereldpolitiek” noemde de N.R.C. deze Amerikaanse stemstrijd. Inderdaad, want hoewel deze verkiezing ook de keuze van nieuwe gouverneurs voor de yerschiliende staten ten doel heeft, hoewel anderzijds op de onsmakelijkste wijze allerlei persoonlijke haat en nijd wordt uitgespeeld, toch is de grote problematiek der wereldpolitiek de voornaamste inzet. In dit opzicht beseffen de Amerikanen hun plaats in deze wereid.

Truman zal het ook uit verkiezingsoogpunt niet prettig gevonden hebben, dat juist vóór de verkiezingsdag duidelijke berichten binnen kwamen over de Chinese deelneming aan de strijd in Noord-Korea. Ruim een week lang sijpelden slechts onofficiële mededelingen hierover binnen. De regeringen wilden, nog niet geloven, dat hetgeen steeds gevreesd is, sedert het begin van het Koreaanse conflict, werkelijkheid was geworden: nl. dat China mee ging doen. De legerleiding was zozeer van het tegendeel overtuigd, dat zij haar troepen in een hinderlaag heeft laten lopen. Plotseling bleek de uiteengeslagen Noordkoreaanse strijdmacht weer gevechtsklaar te zijn, plotseiing bleek de bewapening weer hersteld. In aller ijl moesten de troepen der Verenigde Naties terugtrekken, met zware verliezen, om een verdedigingsiinie op te bouwen. De giorieuze zuivering van Noord-Korea is tot een nieuwe verbeten verdedigingsstrijd geworden.

ledereen kan op zijn vingers natellen, dat dit Noordkoreaanse herstel slechts met behulp van China en/of Rusland mogelijk is geweest. Nu staat vast, dat Chinese „vrijwilligers” in groten getale over deMantsjoerijse grens zwermen. In alle grote steden van China kunnen nieuwe vrijwilligers zich melden. Let wel, vrijwilligers. Daarmee bewaart de Chinese communistische regering de schijn van onofficiële inmenging.

Tot nu toe heet het in westelijke uitlatingen, dat China waarschijnlijk de door Japan gebouwde electrische centrales aan de Koreaans-Mantsjoerijse grensrivier, de Jaloe, wenst veilig te stellen. Er zijn dan ook reeds onofficiële suggesties gedaan om deze centrales, die ook de Mantsjoerijse industrie van stroom voorzien, voor China veilig te stellen. Om tot dit resultaat te komen, zou echter niet een zo grootscheepse inmenging van China nodig zijn geweest. Vandaar, dat er Andere, ernstiger, Chinese bedoelingen

vermoed moeten worden. Een tweede mogelijkheid is, dat China met de actie in Korea de aandacht van de inval in Tibet poogt af te leiden. Maar ook dat is een onvoldoende verklaring, aangezien er voor het Westen niet te denken valt aan een ingrijpen ten behoeve van het huidige Tibetaanse bewind. De werkelijke schade voor China van het Tibetaanse avontuur ligt in de verwijdering van India, die daarvan het gevolg is geweest. India is tot nog toe in Azië een belangrijk pleitbezorger geweest voor communistisch China. Nehroe heeft oprechte pogingen gedaan om tussen China en Tibet een vergelijk tot stand te brengen. Mao echter heeft de militaire weg gekozen.

Evenmin kan verondersteld worden, dat China de kracht van zijn wapenen als inzet wil gebruiken voor het verlangde lidmaatschap der Verenigde Naties. Agressie en strijd tegen het leger der V.N. zijn nu eenmaal geen goede aanbevelingen hiervoor. De conclusie zou dan ook kunnen zijn, dat China wil proberen de strijd in Korea ter uitputting van de Amerikanen te gebruiken. Het is niet waarschijnlijk, dat zelfs indien de verse strijdmacht der Noordelijken wordt verslagen, de V.N.-troepen Mantsjoerije zullen binnen trekken. Afgezien van het gevaarlijke politieke aspect daarvan, zou zulks ook zuiver militair een hachelijke onderneming zijn. Veel risico loopt Mao dus niet. Ik heb vorige week getracht dit in deze rubriek aan te tonen. Bovendien zal een, zij het dan ook niet geheel officiële, strijd tegen het „imperialistische Amerika” in het Chinese binnenland wel aanslaan. En wat mogelijke verliezen betreft heeft China tenslotte, hoe cynisch het moge klinken, mensen genoeg. Er is op het ogenblik een staand leger van vele millioenen.

Ten slotte nog iets over de Westduitse remilitarisatie. Langzamerhand komen de standpunten dichter bij elkaar. Voor het Westen is alleen Frankrijk nog spelbreker, maar de Franse minister van Defensie, Jules Moch, heeft het hard te verduren. Zijn verstandige uitspraak, dat Duitsers in niet groter eenheden dan bataljons in een Europees leger zouden moeten worden opgenomen, heeft vooral bij de radicalen bijna een oproer ontketend. De belangrijkste vraag, of de Duitsers zelf

ook bewapening willen, is nu ook enigszins opgehelderd. Tegenstanders als Niemöller en Schumacher zijn nu zover, dat zij de bevolking hierover willen laten beslissen in een volksstemming. Adenauer heeft zich hierbij aangesloten, na zijn aanvankelijke enthousiasme, dat niet in goede aarde is gevallen. In zijn hart, maar ook metterdaad, heeft Adenauer echter op zijn weinig openhartige manier het Duitse leger reeds in aanzienlijke mate voorbereid. Het blad „Freie Presse” uit Paderborn-Büren gaf daarvan een duidelijk voorbeeld, waarvan ik hieronder ter illustratie iets weergeef. Het leek mij beter, ondanks de onaangename herinnering, niet te vertalen. De „kazernetaal” van het stuk is al even angstwekkend als de inhoud. Het betreft hier een rondschrijven voor aanmelding voor het nieuwe Westduitse leger gedateerd 5 October 1950, toen Adenauer officieel reeds verklaard had op geen enkele beslissing vooruit te willen lopen: Düsseldorf, den 5. 10. 1950 Brehmstr. 32 pt. ' Notgemeinschaft

ehem. Berufssoldaten, berufsm. Wehrmachtsbeamter u. ihrer Hinterbliebenen für das Land Nordrhein-Westfalen, e.V. Landesverband Betr.: Meldungen zur Offz.-Anwarterschule. Bei dem der Bundesregierung unmittelbar unterstehenden Schutz- und Begleitkommando wird ein Offz.-Lehrgang eingerichtet. An ihm nehmen teil:

I) 100 Ungediente zwischen 18 und 25 Lebensjahren. II) 100 ehem. Unteroffiziere im Alter von etwa 30 Jahren, nicht über 38 Jahre. III) 100 ehem. Leutnante und Oberleutnante, nicht über 45 Lebensjahre. IV) 100 ehem. Hauptleute und Majore, nicht über 45 Lebensjahre. Weitere Verwendung der Kategorien IIIV: nach Ablauf der drei Monate in anderen Einheiten. Verpflichtung: Einsatz für die Bundesregierung. Einreichung: Den Meldungen sind laut Bestimmung Aeusserungen von zwei Bürgern, möglichst früherer Kommandeure, beizufügen. Es empfiehlt sich, darüber hinaus eine

O, DROOM, DIE TROUWER ZIJT DAN ’T TROUWELOZE LEVEN

O, Droom, die trouwer zijt dan ’t trouweloze leven,

Dat daaglijks ons steeds armer achterlaat. Zodat het hart haast iedere nacht vergaat

In ’t brandend heimwee naar wat niet meer is gebleven. En toch hoe rijk is hij, van Uwe troost verzaad, O, Droom, trouwer zijt dan ’t trouweloze leven!

Wij zochten bei, mijn vriend, ver van elkaar gedreven. Achter veel horizonnen elk een toeverlaat. Nooit heeft, hoe ’t leven heeft geschonden en geschaad.

Wat wij tezaam bezitten, ons voorgoed begeven:

De Droom, die ’t leven in de dood verstaat,

Die hoog tot in de sterren staat geheven O, Droom, die trouwer zijt dan ’t trouweloze leven.

Johan Toot.

{Uit: Zes Rondelen voor de Zwitserse kunstschilder Jan Terwey)