is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1950, no 7, 11-11-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

selijkt”. In deze film is alles inderdaad zo vanzelfsprekend; de toeschouwer heeft het gevoel: zo en niet anders moest een en ander zich ontwikkelen. Deze film Engels op z’n best weet ons te boeien juist door de ingetogenheid en zakelijkheid, waarmede beelden en dialogen ons het verhaal doen. Dat wij dit als het ware met ingehouden adem volgen, ligt uiteraard ook aan het feit, dat wij van het begin tot het eind toe weten: alles is zo enkele jaren geleden gebeurd, niets werd geromantiseerd en vervalst.

En hiermede zijn wij ons bewust van het merkwaardige vermogen der cinematografie maar niet van haar alleen om gebeurtenissen op historisch en psychologisch juiste wijze te reproduceren, die zich maar een korte tijd geleden hebben voorgedaan en waarvan de in het middelpunt staande personen, vrij jong nog en hun werkzaamheden verrichtend, te midden van onze wereld vertoeven.

Het moet mij van het hart, dat tot deze psychologisch juiste inzichten ook behoort de bestrijding van het sprookje, dat ons wijs wil maken, dat diverse afdelingen en onderdelen van het Duitse oorlogsapparaat toch veel humaner dan de Gestapo geweest zouden zijn. De tegenstelling Gestapo-Contraspionnage? Ach ja, ze was er wel. De Herren van de Contra-Spionnage deden deftiger, zij hielden van goede manieren, van muziek en een enkele keer zelfs van Mendelssohn; maar, op de keper beschouwd, waren zij en de beulen van de Gestapo één pot nat. Odette Churchill en met haar vele anderen hebben dit ondervonden.

De tact en de intelligentie die regisseur en vertolkers der verschillende rollen getoond hebben, kan onze bewondering opwekken; daarom begrijp ik niet, dat enkele Schönheitsfehler hier in konden sluipen; ik bedoel de toepassing van de Engelse taal, waar zij alleen maar hinderlijk, meer dan hinderlijk werkte, bijv. in de gesprekken tussen de commandant van Ravensbrück en zijn bentgenoten, of wanneer hij, mededeiend wat hij zojuist vernomen heeft, zegt: „The Führer is dead”.

Aan de waarde van het filmwerk doen deze foutjes niets af. De grote prestatie van Wilcox lijkt mij de wijze waarop hij aan de camera leiding heeft gegeven. Zij moet soms indringster, soms echter niet meer dan discrete begeleidster der gebeurtenissen zijn; de regisseur moet bepalen, welke rol haar met het oog op het onderwerp en zijn innerlijke wetmatigheid – is toebedeeld. In „Odette Churchill” mocht zij personen en gebeurtenissen „slechts” begeleiden, zo discreet en sober mogelijk. Zij hééft het gedaan, dank zij de regisseur. Neem, ter staving van deze bewering, maar een der laatste scènes: mevrouw Churchill, die niet meer heeft kunnen hopen, dat zij haar kinderen nog eens zou zien, is gered, en vanuit het ministerie van Oorlog te Londen spreekt zij telefonisch met hen. Tussen het éérste telefoontje kort voordat zij naar Frankrijk vertrok en dit gesprek ligt alles: de tijd van uiterste nood, jaren die haar hebben getoond waartoe de mens in staat is, tot welke laagheid en tot welke grootheid. En nu hoort zij, herrezen uit de dood, weer de stemmen van haar kinderen. Zij die zich altijd kon beheersen, kan het thans niet. Zij en wij met haar wordt beheerst door ontroering. Zien wij nu haar gezicht, haar ogen, haar tranen? Wij zien alleen haar rug en wij hóren haar. De camera kan niet discreter, de indruk op de toeschouwer niet sterker zijn, dan hier het geval is.

H. WIELEK.

Najaarszendingsweek 1950 5-12 November

Toen in 1949 de zending onze kerk krachtdadig voor het feit plaatste, dat de ontzettende duurte in Indonesië heel het zendingswerk dreigde lam te leggen heeft de gemeente daar evenzeer krachtdadig op geantwoord. Zij bracht ƒ250.000,— meer voor deze arbeid bijeen dan een jaar tevoren. Thans is het nodig dezelfde oproep te herhalen. Er zijn drie dingen gebeurd:

1. De arbeid is, ondanks de geldsanering in Indonesië, niet goedkoper geworden. De levensstandaard werd er zo hoog, dat verschillende zendelingen echt gebrek hadden en zelfs bezittingen moesten verkopen om hun gezinnen van voedsel te voorzien. Daardoor was het nodig hun salarissen nogmaals drastisch te verhogen en ging ieder voordeel van de geldsanering verloren.

2. De inkomsten vertoonden in 1950 een nog niet omvangrijke, maar toch duidelijke neiging achteruit te gaan. Begrijpelijk, bij het nog steeds stijgende levenspeil in ons land. Maar als deze neiging zich doorzet, komen er hoogst bedenkelijke scheuren, zichtbaar, waardoor de zending alsnog kan komen te staan voor instorting van een deel van haar arbeid.

3. Het bericht, dat op sommige plaatsen (M. Celebes, terrein van de Geref. Zendingsbond, en Bali, terrein van de V.N.Z.) zendingsarbeiders zich moesten terugtrekken om de positie der Indonesische kerken niet in gevaar te brengen en terwille van eigen veiligheid, heeft bij velen de gedachte doen postvatten: „Nu geeft de zending haar arbeid op, waarom zou ik er nog voor geven?” Maar het omgekeerde is waar: De zending geeft haar arbeid niet op. Zij trekt zich op een enkele plaats tijdelijk terug, maar zet die op veel meer plaatsen krachtig voort. En zij blijft natuurlijk verantwoordelijk ook voor teruggetrokken arbeiders en houdt zich gereed om de verlaten arbeid te hervatten. Door dit alles is er geen sprake van vermindering der uitgaven. Er is alleen sprake van afbraak van veel veelbelovend werk als de gemeente niet krachtdadig bijdraagt.

Daarom: toont dat u niet wilt, dat de zending uit geldgebrek haar arbeid moet opgeven, haar werkers moet ontslaan, de Indonesische kerken en pandita’s aan hun lot moet overlaten. In de najaarscoUecte kan nog veel worden ingehaald van wat in 1950 te kort kwam. Daartoe zal zij ƒ350.000,— moeten opbrengen. De Pinkstercollecte leverde dit jaar ƒ 275.000,— op. Herinnert u zich nog wat uop Pinksteren voor de zending gaf? Tel daar dan ongeveer i bij en geef dat in de najaarscoUecte. Wie ƒ 1,— gaf, geeft nu ƒ 1.25. Wie ƒ 5,— gaf, geeft nu ƒ 6,25. Wie ƒ 10,— gaf, nu 12,50. Dan komen we aan het doel!

De ongelegenheden in de wereld, zijn gelegenheden Gods om Christus’ Rijk des te trouwer te dienen.

De Hervormde Raad voor Uitwendige Zending.

Wat denkt en doet de jeugd?

Over bovenstaand onderwerp werd op 28 en 29 October in het gebouw van de Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers te Kortehemmen een weekend gehouden. Deze keer werd het hoofdonderwerp in tweeën gesplitst nl. De jongeren en de Godsdienst, en De jongeren en de politiek.

Zaterdagavond opende de heer D. Sijtsma uit Sneek met een kort welkomstwoord. Ds Bender hield daarna zijn inleiding: De jongeren en de Godsdienst. Hij schetste de geschiedenis der kerk sinds 1850, toen practisch alle mensen naar de kerk gingen (welke dan ook). Legde het verschil uit tussen kerkelijk(heid), kerks-(heid), gelovig en ongelovig en liet voorts kaarten zien van de onkerkelijkheid in Nederland. Hij noemde veel cijfers uit het boek van C. D. Saai „Hoe leeft en denkt onze jeugd?”, waarin de resultaten zijn vastgelegd van een in ’46-’47 gehouden enquête over deze vraag. Veel bezwaren tegen de kerk draaiden om verdeeldheid en ruzies in de kerken, dat de kerk teveel buiten het leven stond, enz. enz. Ds Bender liet heel duidelijk uitkomen, dat, al mogen de kerk en de mensheid gefaald hebben, dit echter niet geldt voor de oorspronkelijke boodschap van Jezus Christus. De volgende morgen leidde ds Bender een ochtendwijding.

Hierna sprak Nico Bloemendaal, die de inmiddels ziekgeworden Klaas Toomstra verving, over: De jongeren en de Politiek. Hij begon zijn inleiding met enkele voorbeelden uit de bezettingstijd, toen er geen vrijheid was, en er op geheime vergaderingen gefluisterd werd over de te volgen politiek na de bezetting. In die dagen leek het, dat men na de

bevrijding, de band, die er ontstaan was, wilde handhaven. Doch na de ooriog kwam de desillusie in de vorm van dezelfde hokjesgeest als voor de oorlog.

Spreker schetste de toestand in die dagen, waaruit we materieel buitengewoon snel herstelden. De morele schade bleek echter veel aanzienlijker te zijn.

Ook in de jeugdbeweging streefde men naar eenheid, maar ook het N.J.G. is geen succes geworden. In politiek opzicht mochten er dan wat namen veranderd zijn, in werkelijkheid bleef alles bij het oude. Spreker kon zich dan ook best voorstellen dat er tegenwoordig weinig interesse voor serieuze zaken bij de jeugd is, omdat zij gauw geneigd is te zeggen: Och, wat geeft het aliemaal. Ook het Atlantic Charter gaf hoop voor de toekomst, maar het beantwoordde niet aan de verwachtingen. Dit tempert de mensen in hun geestdrift, en niet in het minst de jeugd. Spanning tussen lonen en prijzen, een sterk opgevoerde bewapening, het ijzeren gordijn enz. enz. stemmen niet erg hoopvol. Maar, zo zei spreker, de jeugd heeft de toekomst, en als we die toekomst willen verbeteren, moeten we niet aan de kant blijven staan kankeren, maar daadwerkelijk meewerken, en dus ook mede de verantwoordelijkheid dragen.

Het weekend werd besloten met het zingen van enkele liederen en een woord van dank door de heer Sijtsma aan de inleiders, in het bijzonder de heer Bloemendaal, die ons uit de nood kwam helpen. Ook dankte hij Sjoerdtje Gorter voor haar goede zorgen aan dit weekend besteed. B. de B.

Leestafelnieuws

Dr G. C. van Niftrik. De belijdenis aller eeuwen. Korte verklaring van de Apostolische belijdenis. Uitgeverij T. Wever, Praneker, 1949. 217 blz., geb. ƒ4,90.

Dit boekje is een beknopte dogmatiek voor leken. Het ontleent zijn schema aan de Apostolische belijdenis, waarover het veel leerzaams vertelt. De schrijver heeft niet de bedoeling uiteen te zetten wat de makers van deze belijdenis precies bedoelden (zie hoofdstuk 18 of 28), maar hij zet uiteen wat de kerk nu er bij denkt. En zo komen dan de belangrijkste dogmata der Hervormde Kerk aan de orde. Ik waardeer dit boekje om twee redenen: de schrijver weet deze dogma’s zo uit te leggen, dat ze voor een modem mens ik zeg niet aanneembaar, dat is een kwestie van geloof maar verstaanbaar zijn en daarenboven: de dogma’s blijken in zijn uiteenzetting geen dorre, intellectualistische, maar inspirerende leerstellingen. Het boek is stichtelijke lectuur in de beste zin van het woord. Een bezwaar is wel, dat de uiteenzetting steunt op bijbelse gegevens, kerkelijk-traditionele interpretatie en eigen visie (subs. die van K. Barth). Deze steunvlakken hebben een zeer verschillend gezag. Men lette eens op de geheel verschillende methode bij de verklaring van Hoofdstuk 18 en 28. Op de ene plaats wordt een leerstuk, althans naar de letter gehandhaafd, omdat het kerkelijke leer is (nedergedaald ter helle); elders wordt een leerstuk („De wederopstanding des vieses”) geïnterpreteerd dwars tegen de traditie in. Methodisch lijkt me dit niet onbedenkelijk. J. G. B.

A. J. Otte—Arnolll; Gesprekken met huisvrouwen. Uitgave: Bijleveld, Utrecht, 1950. 168 blz., ƒ4.50. De s., bekend door haar radio-toespraken voor huisvrouwen, schreef „op veler verzoek” een bundel van 24 gesprekken „in de geest van haar radiopraatjes”. De velen, die geregeld naar de practische raadgevingen van mevr. Otte hebben geluisterd, zullen het prettig vinden nu haar „Gesprekken” te kunnen lezen. Zij zullen al lezende haar opgewekte stem weer horen, die zo dikwijls aan het begin van de dag moeders raad heeft gegeven en bemoedigd heeft.

Mevr. Otte heeft een uitgebreide practische kennis en een blijmoedige aard. Met een wel eens benijdenswaardige stelligheid geeft zij haar kennis door, zegt vastberaden hoe het moet en geeft aan waar de oplossing gezocht moet worden. Het geheim van haar invloed lijkt me dat zij de huisvrouw weet te bemoedigen door steeds weer te verzekeren hoe gewichtig haar taak is, want wie hoort niet graag dat wat hij doet uitermate belangrijk is? Mij lijkt de taak die de s. de huismoeder toebedeelt wel eens te groot, alsof er geen man ware, die de zorgen helpt dragen.

Dat zij het presteerde tijdens haar ziekte deze gesprekken te dicteren (haar man stelde ze op schrift) dwingt respect af. Er zal stellig door velen graag naar haar geluisterd worden.

R. B.—V. R.

N.V. Dl ARBIIDCRBPBFS A.'OAM