is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1950, no 9, 25-11-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De spreker van hedenavond

Vorig jaar had ik óók al een uitnodiging gehad om te komen spreken voor die partijafdeling. Maar ik had geweigerd. Ik kon niet. Het dorp, waar men mij vroeg, kende ik bovendien niet en ik meen, dat men alleen met enige vrucht kan spreken, wanneer er een persoonlijke relatie is.

Dit jaar kwam de vraag opnieuw. Ontroerd door zoveel aandrang, misschien ook wel gevleid door de hardnekkigheid, waarmee men juist mij op het oog had, stemde ik toe.

Het was in, laten wij zeggen, Elfhuizen. Neen, het was niet in Elfhuizen zelf. Dat is maar een pseudoniem voor dat dorp. De ware naam wil ik niet onthullen. Om straks begrijpelijke reden. Het kenmerkende van deze naam intussen was, dat er vier dorpen in Nederland zo heten. Zoals dat ook met Hoorn en met Bergen het geval is.

Nu dacht ik, dat men mij voor Elfhuizen vroeg, vlak bij een onzer grote steden. Daarom nam ik de spreekbeurt aan. Ik kon een en ander combineren. Ik zou niet al te veel tijd kwijt raken.

Maar toen de brief kwam, waarin vreugde werd uitgesproken over mijn besluit en mij meegedeeld werd, hoe ik reizen moest, bleek het hélemaal niet dè,t Elfhuizen te zijn, maar een héél ander. Veel verder weg. Met een bevolking, waar ik helemaal niets van wist. Behalve dan, dat er een grote, zéér zware kerk staat, omkranst door kerkjes en oefenlokalen van nóg zwaarder aard. Door eigen ofschoon haast schuldeloze schuld was ik er ingelopen.

De dag van de spreekbeurt kwam. Ik had mij netjes geprepareerd op een verhaal over de „Doorbraak”. Niet onnodig daar, dacht ik. Het was morsig weer. Ons Elfhuizen lag aan de zijweg van een zijweg van een secundaire weg langs smalle dijken. Het leek mij dus beter per trein en bus te gaan, dan het risico van verdwalen en verongelukken te nemen. Dat betekende wel véél vroeger weg en véél later thuis, maar, enfin, wie in de schuit zit moet meevaren.

De trein deed het goed, wachten op een bus is vervelend, drie kwartier wiebelen in een bus, lijf aan lijf, in een te benauwde ruimte met schaars licht geeft ergernis, maar onze voorvaderen hebben ernstiger geleden voor hun geloof. Ik werd ergens in de donkerste delen van Nederland afgezet, zonder enige beschutting tegen gierende wind en neerstriemende regen. Een eenzame voorbijganger wist mij te vertellen, dat het café, waar de spreekbeurt plaats zou vinden, een half uur lopen van de bushalte was. Die tijdsduur was aanzienlijk te bekorten door het huren van een taxi. Zowaar: uur na vertrek van huis stapte ik een café binnen. Ik werd meegenomen naar de kleinste kamer van het huis. De huiskamer van de herbergier. Met acht nog lege stoelen. Méér verwachtten ze er blijkbaar niet.

Nu mocht ik niet pruttelen. Ik had geschreven, dat ik wel wilde komen, indien ten minste de vergadering niet openbaar zou zijn. Ik houd niet van openbare vergaderingen. Vooral niet, wanneer er pers bij zit. Ik ben nl. bang voor de pers. Een goed verslag maken is erg moeilijk. En de koppenmaker pikt een enkele zin uit je weldoorwrochte rede, niet omdat die zin het centrale van het betoog is of bijzonder puntig, maar eenvoudig, omdat die een vereist aantal letters telt of een goede blikvanger is. Dat alles maakt, dat je later héél andere dingen leest, dan je bedoelde te zeggen. En dat je last krijgt van brieven, die je inlichtingen vragen over dingen, die je helemaal niet gezegd hebt. Om nog maar te zwijgen van al die blaadjes, die zo graag polemiseren. Ik had dus gezegd: ik wil komen in besloten kring. Jullie kunnen iedereen uitnodigen. Als er 100 mensen komen, vind ik dat prachtig. Maar de beslotenheid maakt, dat je méér van hart tot hart kunt spreken dan wanneer je in debat-houding moet gaan staan.

Nu waren er geen 100. Ook geen 10. Slechts vijf. Met de kastelein meegerekend, die overigens af en toe weg moest, om borrels te schenken in de gelagkamer.

Wat doe je in zo’n geval? Ga je boos worden? Uiteenzetten, hoe gewichtig je wel bent? Hoe kostbaar je tijd is? Neen, want dat is alles maar zeer betrekkelijk. De bezoekers putten zich overigens uit in excuses. Het was wel erg slecht weer. Bovendien was er vergadering van de Oranjevereniging. En preekte er een dominee op beroep, zoals dat in Gereformeerde Bondsgemeenten, overigens tegen de geest van de reglementen in, te doen gebruikelijk is. Tegen deze drie machtige natuurverschijnselen kon ik niet op. Daar hadden wij ons met z’n zessen maar bij neer te leggen.

Moest de Spreker Van Hedenavond nu tóch zijn verhaal houden? Hij heeft het niet gedaan. Hij liet zich een kop koffie inschenken, stak de pijp aan en ging luisteren. leder van de mannen vertelde zijn verhaal. leder van die partijgenoten daar in Elfhuizen. In het dorp, waar de Waarheid op zéér gereformeerde wijze beleden wordt. Waar de Partij van de Arbeid nochtans 400, dat is 20% van de stemmen haalt, al zijn er maar 15 leden.

En nu ga ik niets anders doen, dan die verhalen eenvoudig, simpelweg vertellen. Ik heb ze later niet gecontroleerd. Want het gaat mij niet om de objectieve waarheid, maar om het beeld, dat deze mannen daar hadden over hun dorp, over de kerk bovenal.

De voorzitter was een spoorwegarbeider. Afkomstig uit een heel ander deel van Nederland. Ofschoon lid van de Gereformeerde Kerk was hij al in de dertiger jaren SDAP’er geworden. En hij wilde daarbij gereformeerd blijven. Dat is natuurlijk niet gelukt. Toen, in een felle verkiezingsstrijd, de SDAP in dat dorp voor het eerst op de proppen kwam tégen Colijn, en toen onze vriend daarbij de voorvechter was, toen kwam de tuchtmachinerie van de Gereformeerde Kerk in werking. Het lidmaatschap werd hem ontnomen. Gelukkig, zei hij, was ik onafhankelijk. Hoe zou het zijn geweest, indien hij een betrekking had gehad, waarvan de directie niet in Utrecht maar in Elfhuizen zélf zetelde.

Dan zou het gegaan zijn met hem als met

zijn oudste abonné op het „Volk”. Een man met een groot gezin. Die vlijtig zijn brood verdiende. Maar die eindelijk, in een moeilijke periode, hulp nodig had. Van de diaconie. Van de Hervormde diaconie. Zeker, die wou wel helpen. Maar dan eerst dat rooie blad, „Het Vrije Volk” de deur uit.

En hoe kan je lezen met een hongerige maag? Het blad ging de deur uit. Totdat deze lezer weer een veer van zijn neus kon wegblazen. Toen kwam zijn krantje,als vanouds weer zijn deur in. Maar voortaan zou hij de kerkdeur voorbij lopen. Vanwege die diaconale steun.

De secretaris, een jonge man, vertelde ook zijn verhaal.

Hij was Hervormd. Lid geworden van de Jongelingsvereniging. Op gereformeerde grondslag, zoals dat heet. Maar hij was óók lid van het N.V.V. In het begin lette men er niet zo op. Maar toen hij eens zijn lidmaatschapskaart op de vergadering had laten zien, en toen daarover een waarschijnlijk fel gesprek volgde, gaf men hem daarna te verstaan, dat hij op kon hoepelen. Hij werd uit deze gereformeerde gelederen verwijderd. En de predikant ter plaatse had er mee ingestemd. Was niet komen spreken, noch komen bemiddelen. „Zal ik niet haten, die Gij haat. Heer”, zal hij gedacht hebben.

Deze jongeman stond nu los van alles. Hij vroeg: kan niemand daar nu wat aan doen? Je hoort dan wel eens, dat men in Den Haag er anders over denkt. Maar hier ben je eenzaam. Ik moet een heel eind fietsen. Zondags, wil ik in een kerk komen, waar ik het gevoel heb niet wèggestuurd te worden. Hoe kan ik de kerk liefhebben, als ik zó verstoten word? vroeg hij met oprechte zorg.

Ach, wat zijn woorden dan ontoereikend! Ik kon wel betogen, dat het bestuur van de Jongelingsvereniging op Gereformeerde Grondslag in Elfhuizen niet de sleutels van het hemelrijk in handen heeft de jongeman blijft met zijn zorg en zijn eenzaamheid achter.

De derde man vertelde van zijn vakverenigingszorg. Hoe op dit ogenblik mannen van het C.N.V. de N.V.V.-leden voor het overgrote deel trouwe kerkmensen gingen bezoeken om hun aan te zeggen, dat ze verkeerd georganiseerd waren. Die mannen waren veelal tegelijk óók ambtsdragers in de kerk. De leden van het N.V.V. konden dat niet allemaal onderscheiden. En de C.N.V.-ers maakten dat onderscheid ook niet duidelijk. Zeiden helemaal niet: jullie Synode heeft héél uitdrukkelijk gezegd, dat er géén bezwaren bestaan om bij het N.V.V. georganiseerd te zijn, maar wij zijn van mening, dat..., neen, zij zeiden alleen: jullie zijn als christenen verkeerd georganiseerd. Daarmee wierven ze wel weinigen wég uit het N.V.V. Maar ze plaatsten velen voor een gewetensconflict. En zij stelden de trouw aan de kerk op een gevaarlijke proef. Onze zegsman kwam dan ook, door dit alles, nooit meer in de kerk.

De verhalen van de vierde man waren niet anders. En waren er tien geweest, èch, wat was dat dan eentonig geworden...

De Spreker van Hedenavond was de toehoorder geweest. Wellicht was het voor het eerst van him leven, dat deze mannen een dominee als toehoorder hadden.

Op de terugreis had ik alle gelegenheid te overdenken, of mijn tijd nuttig dan wel onnuttig besteed was. Ik heb niet kunnen helpen. Ik heb alleen héél sombere gedachten over ons kerkelijk leven gehad. En Ik ben niet uit de vraag gekomen wat erger Is: al die vroomheid In Elf hulzen of al dat ongeloof In Amsterdam. Het laatste Is In leder geval beter te dragen. L. H. R.

om de Ander, die deze liefde inspireert. Het instrument zijn van Gods waarheid vergt een uiterste aan bescheidenheid. Zo kan onverdraagzaamheid ook (zo goed als verdraagzaamheid) verraad zijn aan God. Ziedaar, waarom iedere discussie zo’n bittere nasmaak laat. Dit ideaal van onzelfzuchtige liefde voor de ander ligt ergens onbereikbaar boven ons aardse plan van verdraagzaamheid óf (én) onverdraagzaamheid. J. G. B.