is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1950, no 9, 25-11-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

socialisten hebben, waar de kans zich voordoet, opmerkelijk goede maatregelen tegen de heersende wantoestanden genomen. Waar zich de kans voordeed, maar dat hield niet over.

Een veroordeling van Adenauers sociale politiek is tegelijk een veroordeling van de, voornamelijk Amerikaanse, bezettingspolitiek der afgelopen jaren. Onder gouverneur Lucius Clay zijn teveel pogingen in de goede richting gesneuveld. Hoe kon men eigenlijk verwachten, dat de „liberale” Amerikanen, meer dan ooit gewend aan een wereld van overvloed, het juiste antwoord op de Duitse ellende konden geven. Adenauer heeft echter zozeer overdreven, dat het zelfs de Amerikanen, die overigens in Duitsland, in Griekenland en overal waar zij hun oppergezag hebben uitgeoefend, veel hebben geleerd, te gortig wordt bij wijlen. Gelukkig, dat nu ook het Duitse volk zelf wil corrigeren.

Mag er nu een ommekeer in de West-Duitse politiek verwacht worden? De ja-z'eggers op deze vraag kennen Adenauer niet. Zijn eerste reactie op de uitslagen hebben wij hierboven vermeld. Zijn volgende reacties zullen stellig van eenzelfde karakter zijn. Adenauer behoudt formeel in het West-Duitse parlement de meerderheid. Wij achten het een illusie te geloven, dat hij ook maar een duimbreed zal terugwijken.

H. VAN VEEN

Twee citaten

TP e beweren, dat de lezers en lezeressen van „Tijd en Taak” een aanzienlijke uitbreiding van onze lezerskring niet zouden willen, zal wel ver bezijden de waarheid zijn. Eerder zult u, juist door de gebondenheid aan ons gemeenschappelijk ideaal, er aan mee willen werken, dat de invloedssfeer van ons blad belangrijk wordt vergroot. Echter, ~willen” en ~doen” is niet hetzelfde. Dit heeft Goethe eens doen zeggen: „Het is niet genoeg te willen, men moet ook doen”. Als ook u deze wijze woorden ter harte neemt, zal het ons aan medewerking stellig niet ontbreken. En hebt u eenmaal de stap van „willen” naar „doen” gedaan, dan zult u een ervaring rijker zijn geworden. Immers, datgene wat ons zo erg moeilijk leek, blijkt in werkelijkheid gemakkelijker te zijn dan wij ons hadden voorgesteld. En we zijn verbaasd, dat we nog zo lang geaarzeld hebben om te „doen”.

Hoe treffend wordt dit weergegeven in de, eveneens veel wijsheid bevattende, uitspraak: „Sommige dingen schijnen gedaan niet zo moeilijk als gezegd”.

Omdat wij nogmaals een beroep op u allen doen, gevolg te geven aan de oproep van prof. Banning om gezamenlijk de invloedssfeer van „Tijd en Taak” te vergroten, geven wij u beide citaten graag ter overdenking.

Werft abonné’s!

Arbeidsproductiviteit

Bij de verschillende loonronden is telkens weer het woord arbeidsproductiviteit gevallen. En wel in die zin, dat gezegd werd: accoord, de lonen moeten wel omhoog, willen wij de arbeiders niet laten verkommeren, maar het kan er eigenlijk niet af. Het kan er maar op één voorwaarde af, nl. wanneer de arbeidsproductiviteit aanzienlijk stijgt. Dan wordt immers de productie groter zonder dat meer arbeid behoeft te worden aangewend. Dus zonder verlenging van de arbeidstijd en zonder inschakeling van meer arbeiders. De productie per „manuur” wordt groter (manuur is de technische uitdrukking voor de gemiddelde productie van één arbeider per uur). Met die arbeidsproductiviteit is het inderdaad niet in orde. Wij hebben in Nederland in tegenstelling tot andere landen nog steeds niet het peil bereikt van voor de oorlog. Het is natuurlijk zonder meer duidelijk, dat dit na een oorlog volstrekt het tegendeel is van wat nodig is. De schade door de oorlog toegebracht is zo groot, dat wij in plaats van een relatieve overvloed de armoede te verdelen hebben. Gezorgd moet worden, dat de te verdelen koek weer wat groter wordt. Daartoe moet o.a. de arbeidsproductiviteit verhoogd worden.

Hoe komt het nu, dat in Nederland die productiviteit zo beneden het gewenste peil ligt. Dat ligt niet alleen aan de arbeiders. Ad. Vermeulen heeft het kort geleden juist aangegeven in een vraaggesprek. Het ligt voor een goed deel aan de situatie in de onderneming, waar de arbeider moet werken met verouderde machines, die natuurlijk niet zo snel meer werken en die vaker mankementen vertonen. Maar niet alleen de technische uitrusting van de arbeider is verouderd. Ook de gehele productiewijze is in vele bedrijven verouderd. Er wordt

niet gewerkt met de moderne vindingen op het gebied van bedrijfspianning. Vaak moet erg veel gelopen worden in een bedrijf, omdat de opeenvolgende stadia in het productieproces niet vlak bij elkaar zijn opgesteld. Er is iets niet in orde met de „routing” (vergelijk met route, d. i. de weg waarlangs het product zich beweegt van grondstof tot afgewerkt eindproduct). Verlichting, temperatuur, verversing van de lucht enz. zijn vaak beneden het peil, waarop deze in de moderne onderneming kunnen zijn. Nog veel te weinig wordt gewerkt met tijd- en bewegingsstudie. Deze studies gaan na in welke tijd een bepaalde handeling kan geschieden en met welke bewegingen.

Nu moet daar direct aan toegevoegd worden, dat vaak de arbeiders zich verzetten tegen deze nieuwe productiemethoden, omdat ze daarachter (soms terecht helaas) een uitbuitingsmethode zoeken. Zij vrezen een jachtsysteem, waardoor zij tegen hetzelfde inkomen worden opgedreven als slaven. Toch behoeft dat niet het geval te zijn en in vele moderne ondernemingen ook in ons land is dat niet het geval. Men moet echter de moeite nemen de moderne productiewijze uit te leggen aan de arbeider en hem te vertellen, wat de bedrijfseconoom voor taak heeft. Dat het er niet om gaat de arbeider uit te putten, maar juist om hem minder vermoeid te maken door hem bewegingen te laten verrichten, die makkelijker te doen zijn dan die hij tot dusverre in practijk brengt. Het is in onze tegenwoordige maatschappij niet meer zo, dat de practijk de beste leermeesteresse is. De moderne techniek vergt naast practijkervaring een hoge mate van theoretische scholing, waarvan het uitgesloten is,, dat de arbeider die bezit, zo goed als het uit-

gesloten is, dat een ingenieur alleen maar uit de practijk bruggen leert bouwen. Daarvoor moet hij naar Delft. Zo heeft ook de bedrijfseconoom een geheel aparte opleiding. Helaas schiet hij in de meeste gevallen tekort in psychologisch gevoei. Hij kan het niet aan de arbeiders duidelijk maken, waarom hij met een horloge naast hen gaat staan en waarom hij aanmerkingen maakt op de bewegingen, die zij maken.

Maar zelfs als de arbeider begrijpt, dat zo’n studie en zulke moderne bedrijfsmethoden de productie vergroten en niet alleen gericht zijn op het uitbuiten van zijn arbeidskracht, dan nog is nodig, dat hij ook profiteert van die grotere productie. Natuurlijk kan in de tegenwoordige tijd niet het geheel van de productievergroting aan de arbeiders ten goede komen. Wij zijn nu eenmaal achter en het is nodig, dat de achterstand wordt ingehaald. Bovendien is een grotere productie nodig om de veel verbeterde sociale wetgeving te kunnen bekostigen en om een veel meer vragende fiscus tevreden te stellen. Het is niet meer zo, dat de winst uit de productie in de zak gestoken kan worden door ondernemer en aandeelhouders. De grote portie gaat naar belasting, sociale lasten en reserve. Deze laatste is nodig om te komen tot uitbreiding van het bedrijf en tot nieuwe investeringen, die nodig zijn om in ons land te komen tot industrialisatie. Voor de ondernemer en aandeelhouders blijft wel wat over, maar in verhouding toch minder dan voor de oorlog. Dat is trouwens duidelijk uit het percentage, dat voor en na de oorlog aan de „kapitaal”-bezitters gaat. Dit is gedaald van 60 % op 48 % van het nationale inkomen, terwijl andersom het gedeelte, dat naar de „arbeid” gaat, gestegen is van 40 % op 52 %.

Bij dit alles past helemaal geen gehuil van ondernemerszijde. Ook zij hebben te beseffen, dat een oorlog een land armer maakt. Als de meest draagkrachtigen voelen zij aan den lijve natuurlijk ook wat van deze gevolgen. Maar de „uitwijk”-mogelijkheden