is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1950, no 10, 02-12-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tioneel werd zij voor het eerst door Russische regisseurs als Eisenstein („Potemkin”) en Pudowkin („Storm over Azië”) toegepast. Tussen deze regisseurs is er een niet onbelangrijk verschil, vooral t.o. van de montage. Eisenstein, die dikwijls diepgaande gesprekken met Pudowkin had, schreef eens:

„Pudowkin verdedigde met warmte de opvatting, die de montage ziet als de aaneenrijging van allerlei schakels, om er een ketting van te vormen. Bakstenen, rijen bakstenen, bouwen een gegeven.

Daartegenover stel ik mijn opvatting van de montage: die van schok en samentreffen. En botsing. De opvatting, volgens welke uit het samentreffen van twee factoren het éne gegeven ontstaat.”

Dit is de dialectische opvatting van theseantithese-synthese, waarvan aldus in de cinematografie gebruik werd gemaakt. Maar het is merkwaardig te constateren, dat juist enkele Eisensteinfilms minder dynamisch zijn dan werken van Pudowkin. Want Eisenstein was steeds verliefd op het close-up; elke uitdrukking van het menselijk gelaat wordt door zijn camera af getast. Een opeenvolging van te veel close-ups kan op den duur alleen maar statisch werken, ja zij kan de dynamische werking die ontstaat volgens het beginsel dat het conflict de basis van alle kunst vormt uiteindelijk te niet doen.

Scène uit de film „Storm over Azië”

Verschilden de opvattingen van Eisenstein en Pudowkin t.o. van de montage, de spelers voor hun films zochten allebei niet in toneelscholen, maar in fabrieken en boerderijen, dikwijls onder mensen die nog nimmer een camera hadden gezien.

Twee van deze tussen 1926 en 1928 in de Sowjet-Unie vervaardigde films, die de roem van de Russische cinematografie eens en voor altijd vestigden, kunnen wij thans weer in onze bioscopen bewonderen. Bewonderen; want wat filmkunst ké.n zijn, wordt hier gemanifesteerd. Herinnert u zich de jonge Mongoolse jager uit „Storm over Azië”, het gevecht met de Amerikaanse kooplieden die hem bedriegen, het feest der Lama-volgelingen ter ere van de Engelse kolonel, de dood van de partisanenleider, de bewustwording van de jonge Mongool die niet langer als marionet van de kolonel kan fungeren, en de slotbeelden: galopperende paarden, buigende bomen, de wildheid der natuur, de STORM ?

Wanneer men deze filmwerken weerziet, beseft men, dat geluid en muziek overbodig zijn. En is dit niet de grootste lof die men een film kan toezwaaien? Want hiermee wordt gezegd, dat alles in dit werk wordt bewogen en voortgedreven dank zij het rhythme der beelden dat wij hier dus te maken hebben met een souverein (alleen van eigen middelen en nooit van surrogaten gebruik makend) kunstwerk.

H. WIELEK

Goed voorbeeld doet goed volgen

„Hierbij zend ik u alvast een opgave van een nieuwe abonné”; ~Wilt u onderstaande opgaven van twee nieuwe abonné’s met ingang van. . . . noteren”; ~Hieronder volgen de namen van drie nieuwe abonné’s”.

Dat zijn zo de mededelingen, welke wij ontvangen over de resultaten van velen uwer bij de actie ter vergroting van de invloedssfeer van ~Tijd en Taak”. Resultaten waarover wij oprecht verheugd zijn. Maar hoe groot zou onze blijdschap wel zijn als u allemaal aan de actie zoudt medewerken.

Door het ontbreken van uw aller medewerking immers, kunnen de mogelijkheden, welke, gezien de bovenvermelde resultaten, onmiskenbaar aanwezig zijn, niet ten volle worden uitgebuit. Het spreekwoord zegt: ~Goed voorbeeld doet goed volgen”. Laten we het hopen. Werft abonné’s!

HET WOORD KOMT NIET DOOR

Vanwaar toch dat katterige gevoel na elke spreekbeurt tegenwoordig? Men spreekt voor verschillende organisaties voor socialisten, voor drankbestrijders, voor vredesvrienden, voor de jeugd, voor een vrouwenorganisatie en men neemt zo’n spreekbeurt gaarne aan in de verwachting, dat de volijverige besturen en comité’s er wel voor zullen zorgen, dat er ook een groep mensen, variërend van „gemeenschap” tot „publiek”, zal zijn, die luistert. Men spreekt; men spant zich enkele uren in ten aanschouwen en aanhoren van een grote of kleine menigte, van arbeiders en kleine luyden of van dames en heren, van een stijf en gereserveerd gezelschap of van een jolige troep; men vertelt hun iets, men zet wat uiteen, men getuigt ergens van; en dan wordt men op straat gezet na de al of niet gebruikelijke „nabespreking” en het meestal onvermijdelijke bedankje van de voorzitter, die meent, namens allen te spreken, wanneer hij de spreker van hedenavond hartelijk dank zegt... enzovoort. Men staat op straat, men ijsbeert op een perron, men hobbelt in een taxi. En men maakt zich zelf nog wijs, dat die avond toch wel geslaagd was... maar de kater laat zich reeds hevig voelen. En voordat men, thuisgekomen, antwoord kan geven op de belangstellende vraag: „En, hoe was het vanavond?” weet men reeds zeer zeker, dat het weer niet was, wat het zijn moest. Vanwaar toch dat katterige gevoel?

Is het een late nawerking van de ergernis, dat het weer een hele avond kostte van de dure tijd? Een teleurstelling over vele lege stoelen, die u vertellen, dat de klad erin gekomen is of dat men naar u niet meer luisteren wil? Een gevolg van de misselijkheid, veroorzaakt door het gebrek aan stijlvolle aankleding van de zaal en opzet van de bijeenkomst? Ach nee, dat is allemaal zo belangrijk niet! Het is dat andere, dat ieder, die spreekt, van tijd tot tijd als een vernietigende ontmoediging bespringt: het gevoel, dat het woord niet doorkomt. Wij stappen van de persoonlijke gevoelens van de spreker af. Wij luisteren naar de stemming van ontmoediging, die de besten van alle organisaties en bewegingen wel eens neerdrukt. Want die katterigheid kan algemeen zijn, juist bij de ijverigsten, bij

de geestdriftigen behalve bij hardleerse fanatiekelingen.

Men is eens gegrepen door een beginsel. Men wil doorgeven, wat ontvangen werd. Men gaat zijn kracht en tijd geven aan de beweging, de partij, de organisatie, de kerk, de groep. En men heeft in alle bescheidenheid toch wel even het onbescheiden gevoel, tot „de wereld” te spreken, voor het forum van spotters, realisten en goddelozen te staan met zijn principe. Zo ziet het er ten minste uit in de dromerige ogen van de jonge idealist. En nu maken wij na een aantal jaren de rekening op van de beweging, de partij, de organisatie, de kerk, de groep: wat zij wilde zijn èn wat zij werd. Zij werd dat is de katterige ontdekking een kring van min of meer gelijkgezinde vrienden, verbonden door het beginsel, ongetwijfeld, maar ook door nog wat anders: door maatschappelijke overeenkomst, door plaatselijke traditie, door familieverwantschap. Haar verbondenheid, die haar vormde tot een gemeente of een gemeenschap, was haar kracht (immers: hoevelen werden in haar midden bezield tot de strijd voor de betere wereld?), maar ook haar zwakheid, misschien wel haar noodlot: verbondenheid dreigt te verworden tot geslotenheid, tot de gezapige stemming van het onder-ons. Zo heeft elke beweging zijn familiegevoel. Op wijkbijeenkomsten van kérkelijke gemeenten voelt men dat ook. De Blauwe Beweging met zijn noodzakelijke culturele bedrijvigheid, die aan de mensen moet tonen, dat er betere levensvervullingen bestaan dan het drinken van alcoholica, heeft juist hierdoor dit familiegevoel zeer sterk. Maar dit is nu tegelijkertijd het noodlot, de tragiek van alles, wat zich aaneengesloten tot nieuwe broederschap beweegt op weg naar een betere wereld: dat door die familiaire aaneengeslotenheid het woord niet meer doorkomt. Naarmate de kring zich nauwer sluit tot een hechte gemeenschap, die de ouderen in later jaren met dankbaarheid en v/eemoed doen gedenken, hoe goed ze het met elkander hadden in „de partij”, vermindert de werfkracht van de groep doordat zij, die buiten zijn, niet over de drempel der geslotenheid kunnen komen, ook al stemt men principieel in met het beginsel. De avonden worden