is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1950, no 11, 09-12-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eeuwen en ook het lot van onze mannen en jongens, die in de bezettingstijd voor het vuurpeloton der Duitsers zijn gevallen, is benijdenswaardig geweest in vergelijking met dat van hen, die thans in het Oosten „geliquideerd” worden. Voor hen geen martelaarschap, dat tot een getuigenis kan worden. Alleen iets zieligs en een einde in

de vergetelheid. Niemand onzer zal de illusie koesteren, dat het met hem anders zou gaan, indien hij in een dergelijke situatie zou worden geplaatst. De demonen schijnen in onze tijd onnermachtiK te heersen...

Wat kan ik tegenover deze gedachten stellen? Maar één ding: dezelfde dingen, die in het gesprek, waarmee ik begon, genoemd zijn. Dat ondanks alles, ook ondanks deze verschrikkingen, de geschiedenis in Gods hand is en dat deze hand ook het léven van deze negen mannen zo vast kan houden, dat het zelfs, wanneer het vergruizeld is tot een zo zielig restant van menselijkheid, in Zijn hand volkomen veilig is en gaaf wordt

bewaard. Dat de opdracht voor deze dag ook in het aangezicht van zulke verschrikkingen niet van ons af wordt genomen. Dat het Rijk Gods toch komt. Het artikel over het leven in Oost-Duitsland was even benauwend en uitzichtloos. Maar daarover nu niet meer.

De tweede reden, waarom ik het weergegeven gesprek vanavond voor mezelf heb herhaald, lag in de vraag, die van verschillende kanten wordt gesteld en die mij ook vaak bezighoudt: heeft het socialisme in het Westen nog voldoende geestelijke kracht en kan het de mensen nog een perspectief bieden, reëel en inhoudrijk genoeg, waardoor het in de stormen van deze wereldsituatie een wezenlijke kracht kan zijn? Aan die vraag ontkomt het niet. Hier zou ik moeten beginnen met een nieuw stuk in dit dagboek.

Laat ik vanavond mogen volstaan met een haast afgezaagde zin: voor de Christen, die in de rijen van het socialisme staat, ligt hier een grote verantwoordelijkheid, J. H.

HET MONUMENT DER GHETTOSTRI]DER S IN WARSCHAU

De muur

Na 1945 heb ik geen oorlogsboek gelezen, dat zó geconcentreerd de mens én het anti-menselljke doet zien, als dit werk van John Hersey: „De muur”.

„Oorlogsboek”? Op bijna 600 pagina’s lezen wij van de ondergang der Joden in Warschau. Van deportatie, dood, vernedering der 500.000 ghetto-bewoners; wij lezen van hun onnoemelijk leed, hun ruzietjes, van de tegenstand die van April tot Mei 1943 door een paar honderd Joden tegen de SS werd geboden, vanuit kelders en riolen totdat ook zij waren uitgeroeid door Duitse tanks, vlammenwerpers, bommen.

Ja, oorlogsboek! De meest merkwaardige episode wellicht van deze oorlog heeft zich binnen de muren van het ghetto in Warschau afgespeeld. Bijzonderheden werden ons reeds door romanciers en dichters verteld.

Doch dlle mozaïek-steentjes liggen pas voor ons in dit werk van Hersey (zojuist in de voortreffelijke vertaling van J. van der Ster bij de uitgeverij Breughel verschenen). Alle steentjes... alle stenen van die muur, waarmede in April 1940 een begin werd gemaakt. Hersey wil „alleen maar” als geschiedschrijver fungeren. Hij heeft daarom niet de vorm van een roman, maar die van een dagboek gekozen, dat dan geschreven heet te zijn door een archivaris van de Joodse raad te Warschau. Hersey bereikt hierme, dat de lezer inderdaad reeds bij bladzij 100 zich niet van de indruk kan losmaken, dat hij het relaas van een ooggetuige voor zich heeft, en dat hij niet langer de „lezer”, doch zelve getuige is van die gebeurtenissen.

Overigens komt deze vorm uitmuntend overeen met de inhoud en met het episodische karakter van de Jiddische literatuur. De geesteskracht van sommigen in dat ghetto des doods maakt het buitendien psychologisch aanvaardbaar, dat een van hen inderdaad een dagboek met nauwkeurige aantekeningen er op na had kunnen houden.

Over de gebeurtenissen zelf heb ik in „Tijd en Taak” enkele jaren geleden geschreven: over de strijd die de laatste Poolse Joden met SS-regimenten en Wehrmacht-bataillons hebben aangebonden, totdat ook zij, na vier weken, ausradiert waren, op enkele tientallen na die zich via de riolen in veiligheid konden brengen.

Dat een dergelijk boek op deze wijze door iemand geschreven kon worden, die niet .als Jood, die niet in Oost-iEuropa is geboren, lijkt mij een wonderlijk, ja een wonderbaarlijk feit. In „De muur” leeft het Oost joodse volk, zijn taaie realisten en ontvlamde idealisten, zijn sjacheraars en chassidiem, zijn praters en narren. Zijn vele, vele optimisten (optimistisch, omdat in hen een onblusbare levenswil brandt). Zijn vele, vele ontroerend kinderlijke figuren.

Meegetrokken worden wij van feit tot feit, van maatregel tot maatregel, van belofte en dreiging tot de dagen der deportatie. En wij moeten, terloops, constateren, dat het duivelse systeem der systeemloosheid, toegepast door de Duitse Jodenjagers In