is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1950, no 12, 16-12-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niaanse effect van een dergelijke quasirealistische uitbeelding en de nodeloze animositeit, die er door wordt gevoed. Doch dit alles doet geen afbreuk aan het feit, dat het stuk terecht is ingeslagen. Het evenement is belangrijker dan de literaire waarde en daarom zullen wij er ons verder van onthouden deze op een goudschaaltje te wegen.

Zullen wij het dan ten slotte hebben over het spel van „De Nije Toanielgroep” en constateren, dat de Friese amateurs spélen kunnen en waaraan wij dan een beschouwing kunnen vastknopen over de voordelen van het in het volk gewortelde amateurtoneel boven het beroepstoneel? Slechts dit hierover. Zou het beroepstoneel ooit in staat zijn een vertolking te geven van de figuur van Marten Hogerhuis, als hier ten tonele werd gevoerd, een vertolking, die ondanks het feit, dat de vertolker van die rol lang niet de sterkste speler van de groep was, niettemin door zijn spontane, onbevangen spel, de Friese landarbeider zó in zijn wezen wist te treffen, dat deze daardoor niet alleen werd getjqjeerd, doch tevens werd geplaatst tegen de transcendente grond van zijn bestaan. Neen, ook daarover meer te zeggen tot hen, die de opvoering niet hebben gezien, lijkt mij niet gewenst. Belangrijker voor de lezer van dit blad, dat naar het gebeuren achter de dingen vraagt, acht ik het echter te wijzen op datgene, wat ons socialisten uit het geloof treft èn in de gang van zaken, die aan het toneelstuk ten grondslag ligt èn in het drama, zoals dit ten tonele wordt gevoerd en wat ik zou willen noemen de inhaerente vernietigingsdrang, die eigen is aan wat wij met een mooi woord „principes” plegen te noemen.

J. A. DE JONG

LEID MIJ, O HEER!

Leid mij, o Heer, uit donkere nacht.

die rampspoed over d’ aarde bracht en die mijn denken gans vervult

en ’t licht in mij als rook omhult.

tot ’t Grote Licht, dat brandend blijft en grauwe nevelen verdrijft.

Leer mij te zien de onwerkelijkheid die schijnbaar ’t klein van ’t Grote scheidt.

want waart gij niet in elk bestaan, ons licht zou doven en vergaan.

Geef dat mijn ziel de schakel vindt die aan Uw werkelijkheid mij bindt.

Het tijdelijke brengt ziekte en dood,

en zorgen drukken, zwaar en groot. In ’t Licht der Eeuwigheid beseft

mijn ziel, wat haar van zorg ontheft, en hoe ze ook in benarde tijd kan leven in d’ onsterflijkheid.

J. LEYNS

Waarom ik pacifist ben

Enkele overpeinzingen bij een film

lemand nam mij dezer dagen mee naar een film. We hebben het beiden druk en zwichten dan wel eens voor de bioscoop. Beiden ook zijn we reeds lang tot de conclusie gekomen, dat we ons door deze ontspanning niet in een nieuwe problematiek laten drijven. Je kunt die er tegenwoordig bijna niet meer bij hebben! En dus: een film, wanneer we dan gaan, die zonder kolder of alleen maar show te zijn, ons een stuk gezonde humor brengt, waarvan je niet wakker ligt en hoogstens in je droom er nog eens om lacht.

De film, die we wilden zien, draaide niet in het theater, dat we er voor aanzagen. En hoe is een mens omdat we toch onderweg waren, kwamen we terecht bij „Guadalcanal”. We herinnerden ons in elk geval een goede recensie. Een oorlogsfilm, Guadalcanal is een van de eilanden, het eerste meen ik, dat tot de sprongen behoorde van de Amerikanen op hun weg naar Japan, eenmaal.

We hebben wel oorlogsfilms gezien, die ten slotte, of reeds aanstonds een fel getuigenis waren tegen de oorlog. Zo’n film. die in de zaal een benauwende stilte verwekt, omdat hij een beroep doet op het kleine beetje goeds en menselijks, dat er in ons aanwezig is. Films, die ten slotte als reactie geven: dat nooit meer. Door zulke

films zijn ongetwijfeld mensen pacifist geworden. Vooral degenen, die iets spectaculairs nodig hebben om tot zulk een overtuiging te komen. Wat dit betreft, moeten oorlogsfilms altijd maar weer gedraaid worden, wanneer er maar ergens een spoor is te ontdekken van dat: nooit weer.

Met Guadalcanal ligt de zaak anders. De wijze waarop het eiland stormrijp wordt gemaakt, de ellenden, die de eerst-gelande Amerikaanse troepen er meemaken, de nood, waarin zij als mensen komen te verkeren, heeft ons ten eerste op geen enkel punt ontroerd. Eenvoudig omdat deze documentatie schuil ging achter iets, dat het verderfelijke van een film als deze aan het in de zaal aanwezige publiek ten duidelijkste demonstreerde. Want hier groeide de agressie van minuut tot minuut. Er werd niet alleen enthousiast gelachen om een Amerikaanse marinier, die „handig” een Japanner, die hem niet ziet, een dolk door z’n schedel steekt, maar er werd door bijna de hele zaal meegedaan. In uitroepen als: „goed zo!” en „volhouden jongens”.

Achter ons hoorden we twee jonge kerels zeggen: „Weg met dat gele tuig”. In feite is het een schandaal, dat in zulk een „bedrijf” God nog ter sprake wordt gebracht. Bijvoorbeeld in dagorders van de commandant, in een velddienst op het transport-

schip, in de opmerking van een doodsbange jongen, dat hij niet bidden kan. Zoals het ook een schandaal is, dat er heerlijk gespot wordt met de Japanners, die ze straks, eenmaal geland, naar de keizerlijke hemel zullen zenden. Wat zal een christen-Japanner, wat een gelovige niet-christen van dit volk, moeten denken van de hemel van de Amerikanen, als blank de bajonet even liederlijk weet te hanteren als bruin?

Eén ding wisten we meteen: een film als deze levert alleen vrijwilligers voor Korea. Onze Roomse medebroeders mogen geen film zien, waarin de textiel wat al te schaars is aangebracht en „Zo begint het leven” vindt men aan die kant „walgelijk”. Maar in de commissie voor de filmkeuring hebben blijkbaar de Roomse leden zich niet tot het uiterste verzet teg'en de toelating van, een film als deze. Op welke gronden kan een christen, al of niet Rooms, deze aanvuring tot agressie ooit voor zijn rekening nemen? Op welke gronden kan de humanist het en ieder, die ergens in zijn hart nog een verborgen schuilhoek heeft al denkt hij maar aan zijn eigen kinderen van dat; nooit weer?

We weten wel, dat de omstandigheden de mens maken. Niet alleen de Duitsers en de Japanners, blank en bruin, hebben gruwelijkheden bedreven in de kampen. Ook Nederlanders konden dat zeer goed. En wij zwijgen maar, omdat er nog steeds ook officieel gezwegen wordt, over wat er in Indonesië is gebeurd. Maar ik heb in elk geval nooit kunnen slikken, als ik de doodsadvertenties las in sommige christelijke bladen, dat er een jongen bij „politionele acties” „voor God, Koningin en Vaderland” gesneuveld was. {Vervolg op pag. 8)