is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 14, 06-01-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

len zeggen: het Nieuw Jeruzalem zal een verheerlijkt Amsterdam wezen!

In de paarlen poorten van dat Nieuw Jeruzalem zullen wij eenmaai herkennen wat wij vaag in Muider- en Haarlemmerpoort hebben liefgehad. Het warme gevoel van welbehagen, dat Damrak en Herengracht ons in een kort geluk doen dragen, wordt eenmaal een geluk, dat blijft. Langs het water van de muren van kristaliijn in het hart van de stad Gods, zullen wij eenmaal terugdenken aan het IJ en onze oude grachten. In de nieuwe wereld van God zal de eer- en de heerlijkheid van Amsterdam worden ingedragen. In een verheeriijkt en vernieuwd Amsterdam zullen wij God aanschouwen.

Zo heb ik Amsterdam lief als beeld en spiegel van het Nieuw Jeruzalem.

Wie het gek vindt, moge ik herinneren aan het gedicht van Aart van der Leeuw:

Alles wat ik hier vereere.

brengt mijn arme menschengeest over naar den hof des Heeren, maar toch anders... als een feest.

Vader wil het mij vergeven, dat ik zo Uw land verlaag, en het liefste van mijn leven naar Uw lichte velden draag.

Je kunt van Amsterdam moe worden, maar wanneer je vanwege de vermoeienis Amsterdam ontvlucht, verlang je toch altijd weer naar Amsterdam.

Toen ik naar ’t Zuiden kwam, vermoeid van Amsterdam en van den dorren winter, wist ik: een nieuwe vlam

in ’t langzaam hart begint er te laaien en ik nam " de wijk naar Amsterdam.

Anton van Duinkerken weet het blijkbaar ook. Het verlangen naar Amsterdam is in elk geval de sleutel tot de boeken van Jan Mens, van af het eerste „Mensen zonder geld” tot het laatste „Er wacht een haven” (Uitgeversmaatschappij Kosmos, Amsterdam 1950, 296 blz. ƒ7.90).

Men kan van Jan Mens zeggen wat men wil, maar hij kan vertellen. Dat doet hij ook in zijn laatste boek, waarin hij over het leven op de Eilanden vertelt gedurende de zeelieden- en bootwerkersstaking van 1911.

Het is weer echt een boek over Amsterdam, maar dit keer met een sterke sociale inslag. De sociale toestanden op de Eilanden veertig jaar geleden worden scherp getekend. De verschillende stromingen op het terrein der vakbeweging worden voortreffelijk in kaart gebracht. De bewuste en onbewuste motieven, die de arbeiders tot staking dreven en in de staking deden volharden, komen goed tot hun recht. Heel duidelijk laat de schrijver zien, dat de zwakheden van de arbeidersbeweging en de kracht van de reactie de beide oorzaken zijn van het mislukken der staking, hoewel zelfs deze mislukte staking haar grote betekenis in de geschiedenis van het socialisme heeft gehad.

De sympathie van Jan Mens gaat uit naar de stakers, al had hij naar mijn overtuiging toch wat meer aandacht moeten schenken aan de bewustwording van de arbeiders als gevolg van de staking.

De kerk komt er slecht af. „De kerk zou iets betekenen in hun leven, als ze maar bij het volk ging staan en niet aan de kant van de geldzak”, zegt Toon Bontekoe op blz. 61 en Jan Goedvolk reageert: „Dan zou d’r heel wat moeten veranderen”. Indien waar is, wat er in „Er wacht een haven” over de

Oosterkerk staat, is er alle reden voor ons, als mensen van de kerk, om ons diep te schamen, al spreekt Jan Mens met grote waardering over Taima. Hij had, geloof ik, echter iets meer moeten laten uitkomen, dat ook de stem van Taima de stem van de kerk was. En het zou mij veel waard zijn geweest, als hij ook een christen-arbeider als actief deelnemer aan de staking in zijn boek een piaats had gegeven. Was er geen één?

Boeiend is de beschrijving van het huwelijks- en gezinsleven van Jan Goedvolk. Daarin is Jan Mens op z’n best. Ik vind dit een prachtig boek.

Het gevaar van onwerkelijke romantiek was, waar het verhaal op de Eilanden speelt, tamelijk groot. Aan dit gevaar is Jan Mens ontkomen, doordat hij op zeer reële wijze de sociale werkelijkheid en de sociale strijd van de èeelieden en bootwerkers beschrijft.

De titel van het boek is ontleend aan het opschrift op het graf van Cornelis Hendricus van der Vaart, in leven oud-gezagvoerder bij de K.N.S.M., op de Nieuwe Oostergraafplaats. „Er wacht een haven ons na ’t zwerven, wij ank’ren in der eeuwen rots. Gez. 110:2”.

Het nummer van dit gezang is een vergissing. De geciteerde woorden staan in onze nieuwe bundel inderdaad in Gezang 110:2. Maar aan het begin van deze eeuw zongen wij nog uit de oude bundel. Daar stonden deze woorden in Gezang 249. Het boek wordt intussen gelezen. In korte tijd verscheen de vierde druk. Jan Mens is het waard. J. J. BUSKES JR

P.S. De zetter maakte het vorige keer al te bont. Ik schreef een artikel over: „De generaals, de politici en het Kerstevangelie”. De zetter maakte van het Kerstevangelie het Kerstmannetje.

Leestafelnieuws

W. L. M. E. van Leeuwen. De ivoren toren. Meditaties over litteratuur en leven. Uitgave; Kroonder, Bussum, 166 blz., ƒ5.90, met 16 illustraties. Het is nog geen kritiek als ik constateer dat Van Leeuwen hard bezig is als letterkundig chroniqueur te verouderen. Dit boek bevat een verzameling smaakvolle opstellen over hoofdzakelijk Nederlandse letterkundigen: interessant en pikant met altijd weer de welbekende sneers aan het adres van de „burger’ en van „het officiële Christendom”; met altijd weer de knieval voor de onfeilbaren: Ter Braak en du Perron; terwijl de schrijver afgeeft op de burgers, tracht hij tegelijkertijd zijn burgerlijke lezers te imponeren met zijn artistieke, relaties. Dit alles is waar; Van Leeuwen is eenzijdig, zijn aesthetica graaft niet diep, maar hij heeft smaak, hij weet veel en hij schrijft onderhoudend over zijn geliefde schrijvers en de burger, die zich prettig wil laten voorlichten over de letterkundige verschijnselen in Nederland, moet dit boek lezen; hij is op zijn best als hij bewonderen kan en hij is zelf genoeg burger om zich nuchter te beschermen tegen de al te grote uitwassen van een tachtiger aesthetisme, dat hij bewondert, maar niet helemaal meemaken kan. J. G. B.

Emil Brunner, Die christliche Lehre van Schöpfung und Erlösung, Band II der Dogmatik, 455 blz. Zwingli Verlag, Z'ürich. Geb. Zw. fr. 21.50.

Dit is, zoals vermeld, het tweede deel van Brunners dogmatiek, die in drie deien ontworpen is. De centrale gedachte is, dat God zich zelf aan de wereld mededeelt, tot de wereld komt in de figuur van Christus dit deel behandelt in het bijzonder „die geschichtliche Verwirklichung”. Op een eerste hoofdstuk over de Schepping volgen een tweede en derde over de mens: de mens der schepping, de mens der zonde; en daarop wat wij gewoon zijn te noemen de Christologie: de zin der heilsgeschiedenis t,o. de gewone geschiedenis, het heilswerk van Christus en wat daar mee samenhing en hangt. Zonder op het derde deei vooruit te lopen, mag m.en toch reeds nu wel zeggen, dat dit tweede zeer centraal is voor Brunners denken en voor de hele kerk.

Het toeval wilde, dat ik Brunners boek las in dezelfde tijd als waarin ik Heerings „Geloof en Openbaring” opnieuw doornam. Heel duidelijk is het verschil in afkomst; Brunner komt uit de „orthodoxie”, Heering uit de „vrijzinnigheid”, beiden rekenen af met een stuk verleden, terwijl zij toch het wezenlijk waardevolle daarvan behouden, en zij naderen elkaar zeer sterk zo zijn zij beide een teken van grote geestelijke verschuivingen in onze tijd. Brunner schrijft heel helder, boeiend en over-

tuigend, en al brandt er stellig bij hem. godsdienstig vuur achter, minder warm persoonlijk dan Heering. Al met al: een belangrijk document van een leidende figuur binnen het Protestantisme, die èn aan links èn aan rechts te denken en herzien geeft.

W. B.

LEZER! Gelieve te verbeteren in ons Kerstnumjner in het Kerstvers regel 13: „Wee ons, om d’ongetelden, doof en blind.”

Korte aankondiging

Het mocht u misschien ontgaan, daarom wijzen wij u er even op:

1. Scheurkalender Kantekleer is ook weer verschenen. Wie een scheurkalender wenst en de drankbestrijding steunen wil, schaffe zich ..Kantekleer 1951” aan. Uitgave van de Ned. Ver. tot afschaffing van alcoholhoudende dranken (N.V.) W. Barentszstraat 39, Utrecht. Prijs ƒ 1.75.

2. De Jlederlandse cultuur – Haar geestesmerk en toekomst. Uitgave Nederlands cultureel contact. Secretariaat Prinsessegracht 20, Den Haag 1950, 79 biz. Uitstekend, deze collectie van zes prae-adviezen over wat nu eigenlijk de Nederlandse cultuur is of kan zijn. Ze zijn bedoeld als inleiding tot een discussie binnen dè bovengenoemde vereniging, maar verdienen ook, los daarvan, aandachtige lezing. De verschillende Nederlandse standpunten komen goed tot hun recht, daar staan de medewerkers borg voor, t.w. dr P. Boeiwinkel, prof. mr I. A. Diepenhorst, prof. dr F. L. Polak, B. Verhoeven, dr H, D, de Vries Reiiingh, A. H. M. Wijffels. 3. Een statuut voor politieke partijen rapport van de dr Wiardi Beckman-stichting, Tesselschadestraat 31, A’dam 1950, 27 blz.

Een doorwrocht stuk over de functie van dè politieke partij in een democratische staat. De meerderheid der commissie bepleit een aanvulling van de bestaande wettelijke 'bepalingen, om de vrijheid der kiezers te waarborgen. Het rapport is ook voor nietjuristen beiangrijk, omdat het tot denken zet over vraagstukken van democratie. 4. Perspectieven. Maandblad voor bewustwording en gedachtenwisseiingi Uitgave „Wilgenhof” ’s Graveland. Oct.-Nov. nummer 1950 44 blz. ƒ 1.50 (ƒ 7.50 per jaargang).

Een van de vele maandbladen van Nederland. Het is niet gemakkelijk het met een enkel woord te kenmerken. „Modem” is misschien het beste, of „progressief”. Het is in zijn onderwerpen niet beperkt. „Algemeen cultureel” noemt het zich. In dit dubbel nummer lazen we o.a. een artikel van H. Redeker over „de mens als danser”, een geestige variatie op thema’s van Nietzsche en Ter Braak; een goed quasi-historisch verhaal van een zekere Haniel Long (overigens krioelend van anachronismen) en een zonderling artikel van A. Borger over „De persoonlijke vrijheid”.

„Perspectieven”, aardig om eens kennis van te nemen; aanbevelen kan ik het niet, ook al vanwege de laatdunkende toon, waarmee over het Christendom gesproken wordt. 5. Onderdrukking en verzet aflevering 24 en 25. Ik kan alleen maar zeggen dat de in deze stukken lopende kroniek der Jodenvervolging me diep ontroerd heeft. Met vaardige hand schetst mr Abel J. Herzberg dit droef relaas: diepe bewogenheid, bedwongen door een volkomen beheersing van de ingewikkelde materie en een volmaakt schrijverstalent maken deze kroniek tot het hoge woord moet er uit een meesterwerk, een monument ook voor zijn heengegaan volk, dat tevens het onze RED. SECR.

li.v, OE ARBEIDERSPERS A’PM