is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 15, 13-01-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vüü J-'-LVI-y -Q -pv T? T? T W IV J-/ II l-i

Wat doen wij er toch tegen, om de neiging terug te dringen nérgens aan te doen? Wij zlin ais vliegen in de stroop. Vermoeid dreigen wij het óp te geven en wij denken; iaat ieder zich met zijn eigen zorgen bemoeien

Zeker als het er op aankomt zijn wij toch weS ande?f een kraobtie* aüDèl dan £edras6n wij ons als mensen met sociale verantwoordelijkheid, STn zSn wij verde? drri onzriei neus lang is Maar wU zouden eerder fuisteren, meer sociale verantwoordelijkheid Sberiïs “e verleiding om erg moelllji te vinden, niet aan onse zenuwen Sr waarom Ik deze vOOropmerklng

Een brief uit Zwitserland, van de voorzitter van de Romaanse tak der religieussocialisten dr Kramer, uit Genéve, komt mij hulp vragen. Ik ken Hugo Kramer. Een genaturaliseerde Duitser, free iance-jourschool. Hij nam na Ragaz de redactie over van de buitenlandse overzichten van „Neue Wege”. Hij voer een andere koers dan Ragaz, ofschoon hii voor zün koers citaten van Ragaz bij de hand hl&. Hij pleitte nl. voor de volksdemocratieën en hij vond het socialisme belangrijker dan de democratie. Hij hanteerde de marxistische dogma’s en kwam zo tot een vriéndelijke zgn. begrijpende houding tegenover de Russische penetratie in Oost-Eurona Hij met zijn vrienden (o.a. Baischeit) bleken de meerderheid van de „Vrienden van Neue Wege” achter zich te hebben Lejeune en Trautvetter, en ook

mevrouw Ragaz trokken zich uit Neue Wege terug. En daarmee ging het roemrijk maandblad, ook ons vaak tot sterking en troost, ten gronde. Deze Hugo Kramer, een beminnelijk en integer mens, is voorzitter van de Franssprekende tak van de Internationale Bond van Religieus Socialisten.

Welnu, in zijn brief roept hij mijn medewerking in. Hij voegt er een memorandum aan toe over de toestanden in de vrouwengevangenissen in Griekenland. Dit memorandum is gepubliceerd door het Zwitsers comité voor de hulp aan democratisch Griekenland. Het is een oproep van de vrouwelijke gevangenen In de Aberoffgevangenis te Athene. Dit memorandum, tevens oproep, doet de haren te berge rijzen. Het is één klacht over de behandeling van 25.000 mannelijke gevangenen en 3000 vrouwen. Overvolle gevangenissen. In Athene wachten 80 vrouwen nog hun executie. 60 % der gevangenen lijdt aan tuberculose. Verder: mishandelingen, gevallen van vrouwenschennis. Nu vraagt het comité: help ons door amnestie te eisen. En zend levensmiddelen, geneesmiddelen en geld.

Hugo Kramer wijst er in zijn begeleidende brief op, dat de verantwoordelijke Griekse regering niet ongevoelig eal blijven voor Interventie. Dus: brieven, telegram-

Vraag één; wat weten wij van Griekenland? Dit, dat in Februari 1945 te Jaita tussen de Grote Drie besloten werd, dat Griekenland tot de Engelse invloedssfeer zou behoren. Dat reeds tijdens de bezetting twee partisaneniegers elkaar in de haren vlogen. Dat na de bevrijding communistische („democratische”) partisanen van het noorden uit poogden ook Griekenland bij het voiksdemocratisch blok te betrekken. Dat ten slotte de wankele en reactionaire Griekse regering met steun van Amerika de partisanen over de Albanese grens dreef. En dat deze regering hartverscheurende berichten de wereld inzond over de geroofde Griekse kinderen, die ergens in Bulgarije werden vastgehouden. Al'deze dingen weet de gewone krantenlezer. En hij vermoedt wel, dat de regering in Athene niet mals geweest zal zijn met haar straffen van hen, die aan de partisa-

nenstrijd aan communistische zijde hebben deeigenomen. En daarom kan hij zich voorstellen, dat deze berichten wel juist zuilen zijn, ook al zuilen ze van officiële zijde misschien gebagatelliseerd worden. Punt twee; hoe moeten wij dit beoordelen? Naar de menselijke kant, los van ai het andere, zeggen wij: hier moet geholpen worden. Ai zijn het duizendmaal communisten, ai hebben zij de afschuwelijkste misdaden op hun geweten (overigens; ze hébben die niet op hun geweten, want zij streden voor een zaak, die goed was in hun ogen), men moet de menselijkheid óók in de gevangene eerbiedigen. Het doet er niet» toe, dat overal in de wereld dit standpunt verloochend wordt, het is de enig mogelijke houding voor een regering, die zo (nauw verweven is met een christelijke traditie.

Dat is een klaar en kort oordeel,

Maar met de zaak-zeif zijn wij nog niet klaar. Want nu komt de .vraag, is dit alleen maar een kwestie van humaan-zijn tegenover een ander öf spelen ook andere motieven een rol, Die andere motieven verduisteren de zaak. Het memorandum zegt, te midden van de opsomming van alle ellende; „Onze enige misdaad is onze liefde voor vrijheid en onalhankelljkheld”. Daarmee Is de hele va'n n”:SS“k S“èanrder^^ dat het lijden m de van Athene een van de verschijnselen is van dat hele grote lijden over ® .’ waar machten met botsen. En wij blijven met buiten die botsing.

Er zou een “ slopende lijst te maken zijn van alle pun ten waar hartverscheurend leed ge e en wordt.

Ik denk alleen maar aan het feit, dat nog steeds 500 & 600 van Oost- naar ken met niets f ' zu voelen rich Aibertz, de ministe iingenzaken van Nedersaksen, vertelde mij, dat zij pas geleden een vrouw met negen kinderen hadden opgenomen in een hunner De man w^ te worden Ai naar Sibenë gebracht te worden. Al

Herinneringen aan C. van Vollenhoven

Van Voiienhoven was zeer oevriend met een mijner neven Van der Hoeven en helemaal opgenomen in het gezin van mijn oom, hoogleraar in het strafrecht. Zij beschouwden hem als een zoon.

Het eerste wat in hem trof was zijn uitnemende hoffelijkheid vooral tegen ouderen van dagen. Hij was gelijkmatig opgewekt, hield ook wei van een grapje, maar luidruchtig was hij nooit. Er was iets gedempts in zijn wezen, ofschoon zijn gezicht met de fijne innemende trekken iets levendigs had. Zijn welluidende stem vond spontaan de intonaties die bij zijn woorden pasten, evenals bij het gevoel en de gedachte die ze ingaf

Van Voiienhoven was in hoge mate idealist. Wat ai verwachtingen heeft hij van de Volkenbond gekoesterd, hoe vurig hoopte hij dat Geriéve de weg zou wijzen naar

wereldvrede Met hoeveel inspanning en volharding heeft hij daarvoor gevrerkt In tegenstelling tot zijn vriend Huizmga, die een gezin had, is Van Voiienhoven ongehuwd gebleven. Het zou hem ook aan tijd ontbroken hebben om zich met zijn vrouw en kinderen te bemoeien

Zijn diepgaande grondige studie van de maleise Adat, zijn colleges, zijn talloze conferenties, zijn bemoeiingen met de Volkenbond namen hem geheel in beslag. Van Vollenhoven bewoonde een groot, deftig huis op het Rapenburg. Aan de achterkant was een uitgang, door de tuin naar een pleintje leidend, waar vroeger misdadigers werden opgehangen.

Het huis was, in mijn herinnering, in deftig ouderwetse stijl gemeubeld, behalve de slaapkamer, die uiterst sober was, zelfs van een treffende eenvoud. Er stond een smal

ijzeren bedje en op het nachttafeltje lag een Evangelie in het Hebreeuws. De studeerkamer was geheel ingenomen door boekenkasten met boeken in de Oosterse en verder alle mogelijke talen. De eetkamer was komfortabel en behagelijk.

Van Vollenhoven was tamelijk vormelijk; dat bleek zowel uit zijn kleding als uit zijn gehele optreden. Hij kreeg telkens buitenlandse beroemdheden op bezoek en was er op gesteld deze behoorlijk en met zekere statie te ontvangen.

Voor zichzelven was Van Vollenhoven uiterst sober; ik vermoed dat hij onder de maaltijden las en te nauwernood oplette, wanneer hij alleen was, wat hem voorgezet werd. Dat hü uitsluitend voor zijn werk leefde, zou niet geheel juist zijn; daartoe was hij te menselijk, stelde hij te veel belang in zijn studenten, zijn vrienden en de maatschappelijke gebeurtenissen.

Zijn bevattingsvermogen, zijn concentratie en zijn werkdrift waren fenomenaal. In tegenstelling tot Hulzinga, die van half negen tot half een aan één stuk doorwerkte en dan door niemand gestoord