is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 17, 27-01-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Antwoord

op een antwoord

2

Zeer geachte mr De Jong,

Zoals ik de vorige week beloofde, wil ik dan proberen mijn antwoord te geven op de twee punten uit uw „kort antwoord”, die de vorige keer onbeantwoord bleven.

U begint met de erkenning, dat er voor de christen in de P.v.d.A. ruimte is om vanuit de Bijbel te denken en te handelen en dat ook de christen in de P.v.d.A. voor elke beslissing wil vragen: Wat gebiedt de Bijbel mij? Op dit punt liggen er voor u geen bezwaren.

Welnu: op dit punt beginnen reeds mijn bezwaren tegen de christelijke politieke partijen in ons land.

Ik moet er bij zeggen, dat ik hierbij veel minder de C.H.U. dan wel de A.R. Partij op het oog heb.

De C.H.U. heeft voor mijn besef altijd wat soms vrij veel van het plezierige van het „hervormde klimaat”. Ook in deze zin, dat er een vrij grote divergentie van meningen, zelfs over belangrijke punten, mogelijk is. Daarin zou wel eens veel meer dan talrijke tegenstanders vermoeden, een stuk kracht van de C.H.U. kunnen liggen om de mensen te trekken en bij elkaar te houden. Maar daardoor meen ik ook in de C.H.U. nog een sterke tendens te bespeuren onder invloed van de A.R.? die rechtlijnig van mening blijft, dat een christen in politicis alleen als christen kan denken en handelen binnen het organisatorisch verband van een christelijke politieke partij. Vergis ik mij, wanneer ik meen, dat deze opvatting nog de sterkste is in de C.H.U. en dat ook u momenteel nog een tamelijk vreemde eend bent in de C.H. bijt? Ook hier spreekt natuurlijk een te eng Nederlands denken een rol.

Wat mij voortdurend verbaast is, dat het in de kringen der christelijke politieke partijen in ons land zo weinig aanleiding geeft tot wat meer voorzichtigheid op dit punt, dat in het buitenland christenen in zeer groten getale voor afzonderlijke christelijke partijen niets voelen.

Lid zijn van een christelijke politieke partij zou voor mij daarom momenteel zeker het gevoel meebrengen mee te werken aan een onjuiste en oneerlijke veroordeling van zoveel mede-christenen, die in ons land en daarbuiten niet tot een dergelijke partij wensen te behoren.

Ik geloof, dat, wanneer bijv. het hoofdbestuur der C.H.U. over dit principiële punt een verklaring zou afgeven in uw geest, dit de C.H.U. niet zou schaden, maar wel en de politieke situatie in Nederland en de situatie binnen de Ned. Herv. Kerk zeer ten goede zou komen. Natuurlijk zou dit tevens betekenen, dat de C.H.U. zich daarmee verder van de A.R.P. zou distanciëren, wat naar mijn besef voor de C.H.U. slechts heilzaam zou werken.

Dan zou het ook mogelijk worden om op veel beter en vruchtbaarder wijze het gesprek te voeren over de dingen, die u weerhouden toe te treden tot de P.v.d.A.

„In dezelfde P.v.d.A. kan zich het geval voordoen dat een humanist op grond van zijn maatschappij- en levensvisie komt tot een beslissing, die notoir in strijd is met hetgeen de Bijbel ons zegt.” Natuurlijk kan dat en ik wil nog wel verder gaan:

theoretisch is het zelfs denkbaar, dat de P.v.d.A. zich op een gegeven moment zou ontwikkelen in een richting, die het voor een christen onmogelijk zou maken lid van deze partij te blijven. Van een dergelijke ontwikkeling bespeur ik thans echter nog niets. U hebt hierbij waarschijnlijk evenals ik gedacht aan de practische politiek.

Stel, dat t.a.v. een concrete beslissing bijv. op het terrein der huwelijkswetgeving de humanistische stroming binnen de P.v.d.A. komt tot een standpunt, dat zowel u als ik misschien zou beschouwen als „notoir in strijd met hetgeen de Bijbel ons zegt”. Opzettelijk heb ik hier het woord misschien gebruikt, omdat ik mij ook afvraag, of wij t.a.v. allerlei ethische problemen op dit gebied wel een zo vaste en duidelijke communis opinio hebben. Aangenomen, dat dit wel het geval is, zal er dus in de Kamer gestemd moeten worden. Nu bestaat er in de P.v.d.A. geen „Fraktionszwang”. De aangeduide tegenstelling zal dus stellig bij de stemming openbaar wor-

Accoord, zult u zeggen, maar voor mij, als P.v.d.A.-lid, vormen niet alleen de prot.-

Hoofd van de H. Sehastianus (fragment) Botticclli

christelijke, maar ook de andere Kamerleden de fractie van mijn partij,

Ik stel daar een paar dingen tegenover, In de eerste plaats: een dergelijke tegenstelling zal binnen de P.v.d.A. uitgesproken worden. Persoonlijk vind ik dit een punt van grote betekenis. Ik geloof nog altijd, dat dit gesprek in het kader van één partij grotere mogelijkheden biedt dan wanneer men dit moet voeren onder de belemmerende omstandigheid van partij-politieke tegenstellingen. Ligt dit in de C.H.U. niet net zo?

In de tweede plaats: Raken wij hier niet een der voornaamste redenen, waarom tal van protestantse christenen zich hebben aangesloten bij de P.v.d.A.? Ik zou hier niet direct willen spreken over „notoir in strijd zijn met hetgeen de Bijbel ons zegt”. Wel het volgende. Elk politiek handelen, dus ook de keuze vóór of tegen een bepaalde politieke partij, betekent voor mij: een stuk verantwoordelijkheid nemen voor de wijze, waarop een bepaalde politieke en maatschappelijke orde in ons volk wordt gerealiseerd. Niet meer, maar ook niet minder. Daarbij en hiermee beantwoord ik met-