is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 18, 03-02-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DUITS-NEDERLANDS GESPREK OVER DE DOORBRAAK

Dat Duitsland zowel in de wereldpolitiek van Oost en West alsook in Europees verband een uitermate sterke positie inneemt, in feite op de wip zit, is sedert lang geen geheim meer. De tegenstelling S.P.D.— C.D.U., beter wellicht tussen Schumacher en Adenauer, wordt daardoor voor een belangrijk deel gevoed en beheerst.

Duitsland zou Duitsland niet zijn als het van deze internationale spanningen niet een dankbaar gebruik maakte om eigen positie en invloed te vergroten. Men kan, geloof ik, zonder zich aan overdrijving schuldig te maken, zeggen, dat het lot van Europa ten nauwste verbonden is met dat van Duitsland, vóór zowel als achter het ijzeren gordijn.

Dat betekent tevens dat Duitslands nood onze verantwoordelijkheid is, Duitslands verantwoordelijkheid mede beslissend is voor de bedreiging van Europa. Gegeven deze situatie, gegeven ook de wisselende invloed en macht van de Duitse sociaal-democratische partij, koesterde de A.G. der Woodbrookers sedert lang het plan een Duits—Nederlands gesprek over de heroriëntering van de socialistische beweging, en daarmee over de doorbraak, te organiseren. Dank zij veler morele en financiële steun de P.v.d.A., de P.C.W.G. en de Duitland-commissie van de Oecumenische Raad in Nederland is het gelukt van 20—23 Januari een 20 tot 23-tal Duitsers en een 12 tot 20-tal Nederlanders in Bentveld bijeen te brengen.

Was de staalkaart van Nederlandse zijde tamelijk eenkleurig, van Duitse zijde was er een grote schakering. Aanwezig waren: S.P.D.-leden, kerkelijken en onkerkelijken; enkele vooraanstaande leden, meest predikanten uit de Bekenntniskirche bekend om haar verzet tegen het nationaal-socialisme waarvan sommigen actief lid van de S.P.D. waren, één zelfs Landesminister, anderen partijloos; één overtuigde C.D.U.-

er, lid van het Westduitse parlement en ten slotte enkele vertegenwoordigers van de kleine groep der Duitse religleussocialisten.

Tussen deze politiek en geestelijk uiteenlopende figuren heeft zich in die paar dagen een grondig, af en toe diepgravend gesprek ontwikkeld. Daarvan een verslag te geven ligt niet in mijn bedoeling, wel enkele indrukken te geven.

Welnu, mijn voornaamste indruk is, dat er zich, hoe langzaam ook, in de S.P.D. veranderingen voltrekken. Een aantal vooraanstaande leden van de Bekenntniskirche is lid van de S.P.D., vervult in en voor die partij belangrijke functies, zoals Landesminister, lid van het Partijbestuur e.d. Deze overtuigde christenen zijn belangrijke medestrijders in de socialistische beweging, al hebben zij ten aanzien van het klimaat, de algehele geestelijke instelling en de tot nog toe gevolgde politieke koers der partij, grote en ernstige reserves.

In de S.P.D. als geheel worden zij geduld, tegelijk echter met wantrouwen gadegeslagen. Wantrouwen niet alleen om de vroegere houding van kerk en predikanten tegenover de socialisten, maar ook vanwege een in de huidige evangelische kerk weer opkomende, van onverschillig tot afwerend lopende houding tegenover de sociale vragen en vooral tegenover de socialistische beweging. Opmerkelijk èn verontrustend is de houding van een aantal predikanten name in de grote steden die de arbeiders en de intellectuelen eenvoudig als voor de kerk verloren groepen hebben afgeschreven en zich geheel op de oude en kleine middenstand als basis voor de kerk oriënteren. Natuurlijk staan daar anderen tegenover, die met bovenmenselijke inspanning contact met de voor de kerk verloren groepen trachten te krijgen. In ieder geval versterken de eerstgenoemden het wantrouwen tegen de

kerk bij de grote massa der democratische socialisten.

De leiding van de S.P.D. staat anders tegenover de christenen. Zij heet hen niet alleen hartelijk welkom en plaatst hen op verantwoordelijke posten, doch zij zoekt ook contact met de kerkelijke leiders, vooral die van protestantse zijde.

In hoeverre hier tactische overwegingen dan wel fundamentele wijzigingen in de houding der partijleiding een rol spelen, is mij niet duidelijk geworden. Uit allerlei gesprekken heb ik de indruk dat de christenen hier vooralsnog tactiek in zien. Hieraan doet het feit, dat bij het grote tekort aan leiding, de christenen die tot de S.P.D. toetreden vrij spoedig op belangrijke posten terechtkomen, weinig af. Zij voelen zich in hun gereserveerde houding versterkt door allerlei, bepaald domme en ontactische verwijten die Schumacher de kerk en de christenen voor de voeten werpt.

Is er dus in feite van een doorbraak in de S.P.D. nog geen sprake, ook de houding van de kerk ten opzichte van de socialistische beweging partij zowel als vakbeweging is nog in velerlei opzicht star. Een christen hoort, als hij ai aan politiek doet, christelijk georganiseerd te zijn. Dat dit in de C.D.U. een aan de band van de R.K. geestelijkheid lopen betekent, ziet men te weinig in.

Opvallend was in ieder geval dat het merendeel der doorgebroken christenen tot de Bekenntniskirche behoorde en dat verder haar leden, zoal geen lid der S.P.D. onverbloemd opkwamen voor een radicale wijziging van samenleving. Een beeld dat in vele opzichten met de situatie ten onzent overeenstemt: er is een samenhang tussen de geestelijke doorbraak in de kerk en de doorbraak in de oecumenische beweging èn de doorbraak in de socialistische richting. De overeenkomst tussen de Duitse en de Nederlandse situatie strekt nog verder: de groep van de belijdenis-kerk verliest terrein, wordt overschaduwd door de restauratieve krachten in de evangelische kerk van Duitsland en verkeert dus, evenals de doorgebroken christenen, ten onzent in ietwat aangevochten en vereenzaamde positie.

Alleen daarom al, was het voor onze Duitse geestverwanten goed om met Nederlanders over deze problemen te spreken. Samen elkanders moeilijkheden bespreken werkt niet alleen bevrijdend, het knoopt ook banden en stimuleert. Dat laatste was nodig, want het zal een onmenselijk zware opgave blijven om op korte termijn te komen tot een herziening van het program der S.P.D. en misschien nog meer om tot een wijziging der door haar gevolgde koers te komen. Aan de andere kant voelden wij ons wel is waar verder dan de Duitse socialisten, ontkwamen veelal niet aan de neiging de Nederlandse verhoudingen al te ideaal voor te stellen, maar toch bleef de bittere gedachte: wat hebben we van deze mogelijkheden tot nog toe weinig weten te maken, hoe armetierig staat het vooralsnog met ons critisch denken over de grondslagen en de consequenties van het moderne socialisme! Kortom: het was èn voor Duitsers èn voor Nederlanders uiterst nuttig over deze vragen openhartig met elkaar te spreken. Zo nuttig, dat beide groepen aandrongen op voortzetting van dergelijke ontmoetingen, ook en vooral met het oog op de bovenmenselijk zware problemen die de herbewapening, in het bijzonder die van West-Duitsland, stelt. Wat daarover nu ter sprake kwam een volgende maal hierover meer bleek een doorbraak naar een Europees gesprek niet alleen wenselijk, maar tevens onontkoombaar te maken.

A. VAN BIEMEN

oorlog In een dergelijke situatie is er nog een weg nl. de verzwakking van de geestelijke weerstand Onze welvaart kan weinig verdragen Er moet niet veel gebeuren, of wij verkeren in de toestand van zo drukkende directe bestaansnoden, dat wij de wereldnood licht uit het oog kunnen verliezen Dan dienen al die wapens, en ook de Nederlandse vijf divisies (zo die er komen! nergens voor behalve om de verarming te vergroten

Op een rijksbegroting wordt gewerkt met geldbedragen. Zoveel millioenen guldens komt er binnen, zoveel millioen gaat er uit. Gewoonlijk: tekort zoveel-zoveel. Het nationale inkomen wordt eveneens in cijfers weergegeven. Ons land heeft in 1950 ongeveer 16 milliard gulden nationaal inkomen gehad. De reële waarde van deze guldensbedragen op een bepaald ogenblik is af te lezen uit de hoeveelheid goederen, grondstoffen en diensten die men er voor kan krijgen. Nederland (en in het algemeen West-Europa) behoeft er niet slecht voor te staan, omdat het over een grote hoeveelheid arbeidskracht beschikt. Aangezien echter veel van die arbeidskracht pas werkelijk nuttig kan worden als er goede werktuigen en voldoende werkplaatsen zijn, die wij nog lang niet in voldoende mate bezitten, kunnen wij van de arbeid onzer handen en hersenen nog niet voldoende profijt trekken. Als de grondstoffen en de werktuigen onmisbaar zijn, op de

wereldmarkt schaarser en duurder worden grondstoffen die wij verkrijgen in ruil voor arbeidsprestaties wordt het profijt nog kleiner. Aangezien een groot deel van de eigen arbeid ten behoeve van de eigen consumptie geschiedt, kan de compensatie uit hogere prijzen voor het door ons af te leveren product lang niet voldoende zijn. Om een tweetal voorbeelden te noemen van prijsstijgingen (alles op de Nederlandse markt): ijzer in het laatste halfjaar bijna in prijs verdubbeld, andere metalen veel verdubbeld; papier ongeveer duurder (op het ogenblik is onbepapierafval als grondstof voor de bijna evenveel waard als vorig nieuwe papier van dezelfde kwa-Er zal werk komen in overvloed. Een jggor ig een veelvragend werkgever. Maar onze arbeid zal daardoor in onproductief zijn. Problemen te over Amerikaanse hulp kon, gezien de verhoudingen in de Verenigde stellig niet worden uitgebreid. Zelfs gelijk zou blijven aan wat vorig jaar ontvangen, kan daarmee de terugslag op welvaartspeil niet worden opgevangen, andere maatregelen nodig.

2iedaar dus het probleem; zie ook de gekansen op een redelijke oplossing moeilijkheden En toch, zij moeten opgelost, eveneens ter wille van het pohoud van onze democratie.

wen