is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 19, 10-02-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en Tank volheid. 7 V Psalm 24 ; 1 / A

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR EVANGELIE EN SOCIALISME

VERSCHIJNT 50 MAAL PER JAAR 49STE JAARGANG VAN „DE BLIJDE WERELD”

Zaterdag 10 Februari 1951 Nr 19

Redactie: ds J. J. Buskes Jr ds L. H. Ruitenberg dr J. G. Bomboff

Redactie-Secr.: Roerstraat 48^ Amsterdam-Zuid Telefoon 24386 p/a dr J. G. Bomhofif

Vaste medewerking van prof. dr W. Banning J. Hulsebosch H. van Veen dr M. V. d. Voet dsH.T. dcWijs Mej. dr M. H. v. d. 2^yde e.a.

Abonnement bij vooruitbet. perJaarfs,—; halfjaarf2,7s; kwartaalf I,soplusf 0,15 incasso. Losse nrsfo,ls; Postgiro 21876; Gem.giro V 4500; Adm. N.V.De Arbeiderspers, Hekelveld 15, Amsterdam-C.

NA VIJF JAAR

Ik maak het mezelf niet gemakkelijk om nog wat te willen toevoegen aan wat anderen, o.a. Banning in T. en T. van de vorige week over het eerste lustrum van de P.v.d.A. geschreven hebben.

Toch waag ik het, nogmaals de belangstelling er voor te vragen. Alles wat over het eerste lustrum van de Partij geschreven is, draagt het karakter van lichtflitsen. De tijd van teboekstelling is nog niet aangebroken. Alles is nog in groei.

Nu is het een koud kunstje, allerlei redevoeringen en beweringen uit Februari 1946 op te diepen, de geschiedenis van de laatste vijf jaar na te gaan en dan te constateren, dat er niets is van terecht gekomen.

Even onjuist is het, vast te stellen, dat de Partij van de Arbeid zijn werkverbanden heeft, dat düs het geestelijk federalisme verwerkelijkt is; en dat wij een partijgenoot als minister-president hebben en dat wij het grootste dagblad van Nederland hebben waaruit dan te concluderen valt, dat wij het toch wel ver gebracht hebben. Beter lijkt het mij, de zaak te bezien van de verschillende gezichtspunten uit, die nu eenmaal het totale beeld van een politieke partij bepalen. Ik bedoel: het engere politieke, het sociologische, het geestelijke en het internationale gezichtspunt.

Op het vlak van de politieke machtsverhoudingen heeft de Partij van de Arbeid een nieuwe situatie geschapen. In alle vertegenwoordigende colleges en in de regering is het onmogelijk, niet ernstig met de Partij als machtsfactor rekening te houden. Men kan haar niet meer, zoals vroeger de SDAP, zoveel mogelijk terzijde laten. Zijn getal, maar ook het feit, dat er geen Vrijz. Dem. Bond als buffer functionneert, noopt elke andere groepering daartoe. De Partij van de Arbeid heeft bereikt, dat het dringen van het democratisch socialisme in een isolement niet meer mogelijk is.

Dit wat de machtsverhoudingen aangaat. Maar ook in het pleiten en werken voor naastbijliggende doeleinden behoeft de Partij zich waarlijk niet te schamen. Zij is duidelijk, waar zij verschijnt, een progressieve kracht. Zij weet maatregelen door te zetten, die naar socialisme verwijzen. Ook al lokken deze maatregelen geen stormachtig applaus, het grommend verzet in de conservatieve hoek is een bewijs, dat er werkelijk wat gebeurd is.

Hierbij moet gezegd worden, dat de politieke vormgeving wel zéér gehinderd werd door het opkomen van problemen van ontzaglijke afmetingen. In de kring van de vertrouwde problemen heeft de Partij haar werk met volharding gedaan. Natuurlijk steeds met de wetenschap, dat zij niet alleenheerseres in Nederland is. Maar wat thans op ons afkomt aan vragen, die onmiddellijk beslist moeten worden, is ontstellend voor mensen, die graag willen nadenken en studeren en bovendien geen vast kader van beginselen bij de hand hebben om de antwoorden er uit af te lezen. Ziedaar, waar, politiek gesproken, de grote moeilijkheid voor de Partij ligt: zij is draagster van een gedachte, maar de grote visies voor de toekomst hebben wij nog niet gezien. Wij kunnen nu wel aandringen op een eigen socialistisch geluid bijv. in de bewapeningskwestie of in de eenwording van Europa, maar wij hebben met alle partijen gemeen, dat wij er onder lijden, dat de wereld geen wachtkamer heeft. Heel veel critiek van randbewoners der Partij zien dat over het hoofd.

Daarom is er geen reden om op de borst te slaan. Maar wél om er op te wijzen, dat géén partij in Nederland zó de mogelijkheid in zich biedt om de noodzaak van nieuwe verhoudingen te onderzoeken en te toetsen aan een zedelijk besef, dat gevoed is door verantwoord zijn jegens mens en samenleving.

Nu het sociologisch gezichtspunt. De Partij van de Arbeid werd volkspartij. De ontwikkeling van de socialistische beweging werd doorgezet. Het oude arbeiderisme werd in beginsel afgewezen. Nochtans: de ambtenaar en de middenstander, de bootwerker en de hoogleraar vinden elkaar slecht in de Partij. Nu is dat voor de hoogleraar niet erg. Maar voor de „gewone man” is dat wél erg. Hij wil, als de meeste mensen, „thuis” zijn als hij uit is. En een zeker familiegevoel doet muren oprijzen waardoor anderen buiten komen te staan. Een eenzijdige samenstelling van de afdelingsvergaderingen is daar het gevolg van. En geeft de Partij een gelaat, dat niet met haar wezen overeenkomt. Natuurlijk: de leiding heeft dat gezien. Door aparte congressen (landbouw, onderwijs, middenstand), wii zij dit gelaat ook andere trekken geven. Door de Wiardi Beckmanstichting wil zij de in-

tellectuelen verzamelen. Maar o, hoe moeizaam gaat dat alles. En aan wie de schuld? Aan niemand en aan allen. Ondertussen, dit mag bij dit eerste lustrum gezegd worden: géén niet-confessionele partij heeft zozeer het karakter van een volkspartij gekregen, waarbij het woord volk waarlijk nog wel een andere klank heeft als massa. En nu: het geestelijke gezichtspunt...

Ach, geestelijke revoluties gaan veel langzamer dan sociale. Maar zij gaan veel dieper. Ze hebben een langer aanlooptijd nodig en zij werken langer door. De Partij van de Arbeid is vrucht van zulk een geestelijke revolutie, die men gemeenlijk, vlak, doorbraak noemt. Dik woord, „geestelijke revolutie”? Maar het betekent dan toch iets, dat een politieke partij in beginsel de geestelijke verscheidenheid niet in kil neutralisme zwijgend wil voorbijgaan maar in gemeenschappelijke verantwoordelijkheid wil aanvaarden en dlle moeiten van die verscheidenheid wil doorstaan. Dat is werkelijk nog nooit vertoond in Nederland. Juist als men weet, dat dit gezichtspunt pas heel langzaam kan doorwerken, verbaast men zich niet, dat men er nog zo weinig van merkt. Te veel „eerbiedigt” men elkaar, zonder op de verscheidenheid-zèlf in te gaan. Bovendien: het uiterlijk van de politieke partij wordt mede bepaald door organisaties, die hun leden werven in hetzelfde bassin als waarin het gros van de partijleden zwemmen. Wat een moed, een nieuw-denken, een fantasie is nodig om de gevaren daarvan te doorzien en nieuwe vormen te scheppen! Ik denk vaak aan de VARA in dit verband. Ik denk aan de actieve cultuurpolitiek, waar wij met elkaar zo weinig weet van hebben. Ach, als ik nu toch ook een punt van teleursteiling mag aanwijzen, dan raak ik hier de zere zenuw aan. Helaas roept niet ieder „au”, als die zenuw wordt aangeraakt...

De internationale gezichtshoek. Kort gezegd: de Partij van de Arbeid krijgt vooral onze grote liefde, wanneer wij met buitenlandse socialisten in aanraking komen. Niet omdat onze buitenlandse politiek zo duidelijk en zo typisch socialistisch is. Maar omdat de andere partijen ondanks de oorlog véél meer moeite hebben tot een nieuw uitgangspunt te komen, waardoor nieuwe bevolkingsgroepen, sociaal en naar geloofsovertuiging, aandacht voor de democratisch socialistische beweging kunnen krijgen.

Ik had behoefte, lezer, dit bij het eerste lustrum te zeggen. Wij zijn een onafhankelijk orgaan. Wij veroorloven ons meermalen vrijmoedig critiek. Maar die zal men steeds moeten verstaan met op de achtergrond de aanhankelijkheid jegens die nieuwe partij, die het Nederlandse publieke leven rijk is. Ja, rijk.

L. H. RUITENBERG