is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 19, 10-02-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarachtig mens-zijn niet, ten minste niet door allen, is opgegeven.

Bij het lezen van deze ervaringen kwam de gedachte in mij op: Al zou er ginds en misschien ook hier geen andere mogelijkheid blijven dan dat enkelingen de vlam van een waarlijk mens-zijn brandende houden in hun eigen hart, dan blijft er nog hoop voor deze wereld. Want hier moet elk dwangsysteem falen. En zolang deze vlam ergens blijft branden, blijft ook de mogelijkheid, dat zij eens om zich heen zal slaan en tot een groot en heilzaam vuur worden.

In één der boeken van het Oude Testament wordt ons verhaald, hoe de grote profeet Elia in een verbitterde en moedeloze stemming wegvlucht uit Israël, omdat de strijd voor het waarachtige recht en het werkelijke heil voor het volk een hopeloze en verloren strijd schijnt te zijn. Elia vlucht naar de woestijn en vraagt aan God om hem maar te laten sterven. "„Ik ben (immers) maar alleen overgebleven en zij zoeken mijn ziel om die weg te nemen”, zegt hij tegen God. En dan mag hij van God horen, dat hij niet de enige is, maar dat er nog zeven duizend in Israël zijn zoals hy.

Telkens weer blijken er in schynbaar uitzichtloze situaties deze zeven duizend te zijn en zij zyn het, die het vuur brandende houden. De „rechtvaardigen”, waarover in het eerste Bybelboek een vreemde, maar wonderlijk-mooie geschiedenis wordt verteld. God bezoekt Abraham en vertelt hem, dat Hy de steden Sodom en Gomorra gaat verwoesten, omdat in deze steden de ongerechtigheid heel het leven heeft doortrokken en geschonden. Dan pleit Abraham voor deze steden en vraagt aan God de steden te sparen, indien er nog vyftig of veertig of dertig of twintig of misschien slechts tien rechtvaardigen in deze steden worden gevonden. En God geeft hem ten antwoord, dat Hij zelfs ter wille van tien rechtvaardigen bereid is Sodom en Gomorra te sparen. Ze zijn er echter in Sodom en Gomorra niet.

In een wereld, die met de volkomen chaos en ondergang bedreigd Wordt, is het goed dit oude verhaal niet te vergeten. En de zeven duizend niet, die er ook onder Hitler waren en die er in het Oosten zijn en ter Wille van wie God bereid zou kunnen zyn deze wereld niet aan de volkomen ondergang prys te geven. J. H.

ding van passief aanvaarden behoeft te zyn?

Integendeel. Naast een sociaal-economisch offensief op het communisme (zie de reactie van ds De Wijs), is nodig een grondige voorbereiding voor een actief, massaal doch ongewelddadig verzet door staking en non-coöperatie en dit ook internationaal georganiseerd.

Moeilijk... ongetwyfeld! Maar hierbij behoeft de mens niet te gronde te gaan aan de demonen die hy zelf oproept. Van deze strijd, die zwaar is en ook zyn gevaren heeft, kan grote geestelijke inspiratie uitgaan, zowel voor vriend als vijand. Overal waar de afbrekende en vernietigende invloeden van geweld uitblijven, kan zwakke menseiyke geestkracht helend en vernieuwend werken en kan met een beter geweten de uitkomst van een ook dan nog onzekere toekomst overgelaten worden aan God. H. G. BELJERS Naschrift. Gesteld dat deze weg voor West-Europa begaanbaar is, kan ik slechts constateren, dat men deze weg niet wil. De beslissing is reeds gevallen. (Het Atlantisch Pact!) Moeten en mogen wij weigeren de weg, die onze regeringen gekozen hebben, mee te gaan? (J. G. B.)

Zijn bewapening en oorlogsgeweld een remedie?

Waarheen leidt in de tegenwoordige wereldsituatie de weg van de steeds voortgaande bewapening?

Bomhoff heeft zijn artikel over de harde feiten niet kunnen schrijven zonder te denken aan al de afschuwelijke gevolgen, die deze voortgaande bewapening met zich meebrengt.

Hij noemt allereerst de sociale economische ontwrichting en op de achtergrond levensgroot: het monster van wereldoorlog nummer drie.

Hij weet ook, dat wij langs de weg van bewapening en oorlog het tijdperk inhollen, waarin de generaals het voor het zeggen zullen hebben en de democratie in gevaar komt.

Hij weet ten slotte van de daemonie van het oorlogsgeweld. Er zit in het militarisme, zo zegt hy, een afgryselijk kwaadaardige tendens, welke de mens, die er zich aan overgeeft, bloot stelt aan de verleiding tot de ergste en gemeenste daden.

Ik ben Bomhoff dankbaar, dat hij de afschuweiyke gevolgen zo eeriyk signaleert, zonder ze in de watten te leggen.

Maar wanneer hij in zijn artikel op deze bezwaren ingaat, kan ik hem niet volgen, omdat ik het gevoel heb, dat hij vanwege het pleidooi, dat hij voor de voortgaande bewapening moet voeren, deze bezwaren toch niet in wat hy zelf hun afschuwelijkheid noemt, laat gelden.

Over de sociale en economische ontwrichting zegt hy niets.

Naar mijn overtuiging moet de vraag gesteld worden: is die last te dragen? En dan bedoel ik niet, of die last financieel, maar of hij geesteiyk te dragen is. Met de woorden van mr‘De Niet: kunnen wij het program der bewapening ter hand nemen en daarin vyf of tien jaar volharden zó, dat het doel – voorkoming van oorlog en verbreiding over het rond der aarde van ware democratie en ware vrijheid – ons bij de voortduur en tot het einde toe voor ogen staat en de dynamiek van de inspiratie uitmaakt? Of zal die doelstelling, in welke het program der bewapening alleen zijn rechtvaardiging kan vinden, noodwendig voor onze generatie en misschien wel voor vele komende generaties om hals worden gebracht?

Ik meen, dat wy, in verband met wat wij op het ogenblik zien gebeuren, niet bepaald gerust op het antwoord op deze vraag kunnen zijn.

Laat men niet spreken van een toevalligheid, die uitgeschakeld kan worden. De dingen, die geschieden, zyn inhaerent aan de visie van hen, die het program der bewapening ontwierpen en propageren, en aan het program zelf, afgezien van de vraag wie het uitvoert. Wanneer wij deze weg volgen, wordt de doelstelling onherroepeiyk om hals gebracht.

Dit is een bezwaar, geen remedie! Inderdaad, maar het is een bezwaar, dat, indien het juist is, betekent, dat ook de door Bomhoff verdedigde bewapening geen remedie is, of wil men: wel een remedie, maar erger dan de kwaal.

Wat dit voor onze verhouding tot het Verre Oosten betekent, willen wy nog eens apart onder ogen zien.

Dat de generaals het voor het zeggen zul-

len krijgen, is volgens Bomhoff een bezwaar, dat misschien overwonnen kan worden. Ik help het hem hopen, maar geloof er niets van.

Wanneer wij een massale militaire macht opbouwen, moeten wij ons goed realiseren, dat aan deze macht een innerlijke dynamiek eigen is. Niet omdat de generaals in zedelijk opzicht zulke slechte mensen zijn, maar omdat – ik citeer nog weer mr De Niet – ieder mens, die in tijd van dreiging over zo’n machtsapparaat gesteld is, ongemerkt en onbewust het in beweging komen en in beweging blijven daarvan beïnvloedt en bepaalt.

Dat weten we maar al te goed uit de Indonesische tragedie van 1945-1949. En toen ging het nog maar om een klein legertje. „Misschien kan het bezwaar overwonnen worden”.

Dat misschien doet mij vermoeden, dat Bomhoff er zelf niet veel fiducie in heeft. De Kadt heeft minder aarzeling: „in ieder land kunnen de militairen gemakkelijk in bedwang worden gehouden, wanneer de regering dit ernstig wil”.

Dat vind ik een levensgevaariyke illusie en het is ook in strijd met alle ervaring. In tyden van dreiging en zeker in tyden van oorlog zijn de regeringen voor het grootste deel afhankeiyk van hen, die het militaire apparaat beheersen. Wij hebben toch wel een en ander over Mac Arthur gehoord. Ja, maar als wij, socialisten, er voor zorgen, er by te zijn, dan... ja, wat dan? Alsof wy in zulke tijden niet over de politieke tegenstellingen zullen moeten zwijgen. Naar binnen moet dan een beleid van verzoening en godsvrede worden gevoerd. Dat houdt in, dat de socialistische party en en zeker de socialistische ministers hun eigen signatuur voor een groot deel zullen moeten prijsgeven. Dat zien wij op het ogenblik al gebeuren.

Wanneer wij het Westen gaan bewapenen volgens het program, dat Amerika ons voorlegt – wij kunnen misschien een enkel amendement indienen, maar het program zullen wy moeten aanvaarden... de harde feiten! – dan zullen wij in de komende jaren niets anders doen dan bewapenen. De bewapening zal ons denken en handelen bepalen. Van al wat wij vóór de tijd der bewapening dachten, blijft niets over. Van het toen gestelde doel komt niets terecht. Bewapening is een remedie, maar erger dan de kwaal.

Eki dan de daemonie van het geweld: die afgrijselijk kwaadaardige tendens, die in het militarisme zit en die de mens blootstelt aan de verleiding tot de gemeenste daden. Bomhoff tracht ons enifszins gerust te stellen: het behoort nu eenmaal tot de tragiek van ons bestaan, dat we soms de opdracht krijgen om in een bepaalde situatie een daemonie te lyf te gaan!

Accoord, maar het behoort niet tot de tragiek van ons leven, dat wij zelf deze daemonie in het leven roepen.

Daarom is het verwarrend, wanneer Bomhoff zegt: er is ook een daemonie van het sexuele, van de wetenschap en het koopmanschap. Ik ontken dat niet, maar het is verwarrend, om de daemonie van deze drie op één lijn te stellen met de daemonie van het oorlogsgeweld. Het oorlogsgeweld is als

(Zie vervolg gag. 4).