is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 21, 24-02-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sr.jWlid CU M€M/€Mn volheid. . Psalm 24: 1 y/ I

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR. EVANGELIE 'EN SOCIALISME

VERSCHIJNT 50 MAAL PER JAAR 49STE JAARGANG VAN „DE BLIJDE WERELD”

Zaterdag 24 Februari 1951 Nr2l

Redactie: dsJ.J. Buskesjr dsL. H. Ruitenberg dr J. G. Bomhoff

Redactie-Secr.: Roerstraat 48’ Amsterdam-Zuid Telefoon 24386 p/a dr J. G. Bomhoff

Vaste medewerking van prof. dr W. Banning J. Hulsebosch H. van Veen dr M. V. d. Voet ds H.J. de Wijs Mej. dr M. H. v. d.JZeyde e.a.

bij ucomitbet. perJaarfS,—; haljjaarf2,7s; kwartaalfl,sophsj 0,15 incasso. Losse nrsfo,ls; Postgiro 21876; Gem. giro V 4500; Adm. N.V. De Arbeiderspers, Hekelveld 15, Amsterdam-C.

Onzichtbare grenzen

Het kan in een stad op Zondagmorgen wonderlijk stil zijn. De trams rijden door stille straten, waar de winkels dicht en de meeste café’s gesloten zijn. En dan hoor je ineens kerkklokken luiden. De stad was rustig en sliep, maar de klokken proberen haar wakker te maken.

Er is een tijd geweest dat de vermanende stem der klokken iedereen in de stad aansprak en dat geen huisdeur gesloten bleef, als de klokken opriepen tot een gang naar het huis van God. Dat is lang geleden. Denk niet dat ons land toen onverdeeld en eensgezind was, maar de grenzen tussen de mensen lagen anders dan nu. Vandaag is de grens ook niet zo eenvoudig te trekken tussen kerkgangers en hen die niet naar de kerk gaan. Er is wel een grens, maar die is onzichtbaar: tussen hen, die zich door de kerkklok aangesproken weten, ook al gaan ze om welke reden dan ook (frivool of ernstig!) niet naar de kerk, en hen voor wie de kerkklok een storend geluid of een klank uit het voorbije verleden is, die hen niets meer te zeggen heeft. En dan zijn er nog, die pogen op de grens te wonen: „We zijn wel christen, maar we gaan nooit naar de kerk.”

Maar in de week, wanneer er gewerkt wordt, is het net of het onderscheid verdwenen is; dan zijn er rijken en armen, hand- en hoofdarbeiders, werkers en lanterfanters en in de avond zitten in de bioscopen en in de vergaderzalen Christenen en niet-Christenen broederlijk dooreen.

En toch de antithese is er: de antithese van hen die geloven in Christus en die niet in hem geloven. En dan is er nog een heel andere antithese doch daarover te spreken in dit verband is welhaast onmenselijk, in elk geval gewaagd: de antithese tussen hen, die God als zijn kinderen herkent en de anderen, die wel geroepen zijn, maar... We weten alleen dat deze goddelijke grens niet met de onze samenvalt en voor de rest... Het woord is hier aan God zelf.

Maar die andere antithese! De Christenen en de niet-Christenen; de kerkelijken en de on-(niet-)kerkelijken; de gelovigen en de humanisten; al deze aanduidingen zijn verfrommeld en beduimeld; ze zijn licht kwetsend; ze zijn onnauwkeurig maar toch moeten we hen soms hanteren.

Er gaan weken voorbij en ge geeft er u geen rekenschap van; stel dat ge u zelf als gelovig Christen beschouwt en ge hebt een

goede vriend die humanist is. Ge gaat intiem met hem om; men respecteert eikaars diepste overtuiging en het treft u telkens weer hoe in de practische levensvragen ge het heel vérgaand eens zijt met hem en hoe ge vaak mèt hem front maakt tegen opvattingen en praktijken van uw medechristenen. Tot ineens, bij een gesprek ge weer merkt maar ge wist het reeds! hoe onzegbaar wijd de afstand is; meestal niet in de praktijk: beiden weet ge wat een mens te doen staat; beiden erkent ge dat ge ver beneden de eisen blijft, die het ideaal u stelt; ge keurt af en ge bewondert en uw stemmen klinken schijnbaar unisono, maar ineens, als bij verrassing, is daar weer die kloof.

Ik wilde mijn vriend troosten bij het overlijden van zijn vrouw; ik wilde mijn vriend raden bij de opvoeding van zijn kind; ik zag piijn vriend een zedelijke misstap begaan; o, meen niet, dat ik mezelf beter acht, maar ik wilde tegen hem zeggen, wat ik hoop dat een ander tegen mij zal zeggen, als ik uitglijd; in al die gevallen... de woorden bestierven me op de lippen!

Er zijn er onder ons, die er nut in zien elk ogenblik op die kloof te wijzen; die er op aandringen de grens te verwijden. Men doet dat vaak uit edele motieven: men wil zich en de zijnen niet aan het gevaar blootstellen aan de overzijde der grens te raken; men wil strijd en verovering voor de goede zaak. Ik wilde wel even terloops zeggen, dat men deze isolement- en agressie-politiek in beide kampen tegenkomt; ik wil graag toegeven, dat de geschiedenis van het Christendom wemelt van ergerlijke daden van onverdraagzaamheid; de tegenwoordige tijd, waarin het humanisme over de hele linie in het offensief is, vertoont ook menig beeld van geestelijke terreur van de andere zijde.

We menen het is overigens duizendmaal gezegd dat deze tactiek uitermate gevaarlijk is om vele redenen, waarvan voor mij de zwaarsttillende zijn: de antithese dreigt een ordinaire machtstrijd te worden, waar platvloerse belangen en oppervlakkige resultaten de echte antithese camoufleren tot onherkenbaarheid. Nog erger is, dat deze tactiek van isolement en agressie, terwijl zij de heilige grens schijnt te erkennen, het wezen van deze grens totaal miskent. Van het Christendom uit gezien, is deze grens niet eens en voorgoed vastgesteld. De eigen

dynamiek van de twee kampen neigt er toe de grens te overschrijden. Is ons niet het gebod gegeven, om het evangelie te verkondigen, om uit te gaan als schapen onder de wolven? Wat komt daarvan terecht als we binnen de omheining blijven? Neen, dit is geen pleidooi om zieltjes te winnen, (laten we ons overigens geen illusie maken: het is de andere partij die vandaag de zieltjes wint...!) maar om door onze aanwezigheid te getuigen; en in het vertrouwen, dat de Waarheid zal overwinnen.

Overigens is er ook aan de tegengestelde tactiek gevaar verbonden, een gevaar veel groter voor de Christen dan voor de Humanist. We gaan zo prettig met elkaar om; we zijn het zo vaak eens. Hoe moeilijk wordt het om op het kritieke moment „neen” te zeggen. Aanders gezegd: we zijn samen „thuis” in de bioscoop en op de vergadering, maar welke Christen nodigt zijn humanistische vriend uit om mee naar de kerk te gaan. Stel, dat ge thuis gewoon zijt voor het eten „stil” te zijn, waarom laat ge het als ge bij hem op bezoek zijt? Uit vrees „onverdraagzaam” te heten, uit vrees voor „fijn” en „huichelachtig” door te gaan, verloochenen we ons beginsel en ontkennen de grens; de grens die er is.

Het is zo moeilijk om over deze grens te spreken! Want eigenlijk loopt deze lijn niet tussen mensen, die aan weerszijden van die grens wonen. Ze gaat eigenlijk door ons eigen hart, waar we een voortdurend gesprek gaande houden, beter: zouden moeten gaande houden. Een Humanist zal hier en schijnbaar terecht, protesteren. Het heeft soms de schijn of wij vlotweg de dialoog tussen ons beter-ik en ons slechter-ik identificeren met de dialoog Christen-Humanist. Zo is het natuurlijk niet! Hij kent ditzelfde gesprek, maar hij weet niet zo menen wij! dat een Persoon zich schuil houdt achter de waarden, die hij verklaart te dienen.

Ik besluit deze onvoltooide overpeinzing met twee suggesties: het lijkt wel of een zekere schroom om de grenzen te openbaren het meest in de geest van Jezus is. Het te pas en onpas hanteren van de antithese heeft nog weinig heil gebracht. De kloof schuilt in de diepte en niet aan de oppervlakte. Wel is het zo, dat als de nood gebiedt zich de tegenstelling bewust te zijn, zwijgen verraad kan betekenen aan Jezus’ zaak. Er is veel moed voor nodig om zich Christen te betonen, niet in een Christelijke organisatie, maar op de wereldmarkt. Nadenkend over hoe het vroeger gegaan is, toen Jezus’ zichtbaar Rijk in eerste aantocht was, herinner ik met het woord van de verbaasde buitenstaanders: „Ziet hoe zij eikander liefhebben”.

Als Jezus’ zichtbaar rijk nu hier in Europa op de aftocht is en de klokken vergeefs luiden, zou dat dan ook kunnen komen, omdat we in liefde tekort schieten? J. G. B.