is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 22, 03-03-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bunyan’s Christenreis naar de eeuwigheid

Eén dezer dagen kreeg ik toevallig de Christenreis van Bunyan in handen, in de vertaling van Barkey Wolf en met illustraties van Isings. Van deze vertaling verscheen reeds de zesde druk.

Ik was zeker niet ouder dan tien jaar, toen ik dit wonderlijke boek van Bunyan voor het eerst leerde kennen. In de boekenkast van vader was geen enkel kinderboek te vinden, maar het is voor mij nog altijd de vraag, of kinderboeken de beste lectuur voor kinderen zijn. Wel had vader enkele boeken met platen en dat waren de boeken, waarin ik graag zat te snuffelen. Zo had vader Bunyans Christenreis in de vertaling van ds Adama van Scheltema met de illustraties van de Engelse Cassell-uitgave. Ik weet niet meer, hoe vele malen ik die platen bekeken heb, lang voordat ik Bunyan’s verhaal las. De onderschriften ken ik nog altijd uit mijn hoofd: Evangelist wijst Christen de enge poort. Helper redt Christen uit de poel wankelmoedigheid. Formalist en Hypocriet klimmen over de muur. Christen strijdt met Apollyon, Christen en Hoop in het kasteel van de reus Wanhoop Deze platen met deze onderschriften hadden veel gebreken, maar zij staan diep in mijn geest geprent en zij winnen het voor mijn gevoel ver van die van Isings. Later vond ik een oude vertaling met plaatjes van Jan Luyken, illustraties van een geheel ander karakter, maar niet zo sprekend tot de verbeelding van een kind.

Het verhaal van Bunyan heb ik tussen de tien en twintig zeker vijf keer gelezen. Ik vraag mij af, hoe men deze wonderlijke aantrekkingskracht van dit boek want ik ben waarlijk niet de enige, die de Christenreis vele malen las, zij behoort tot de meest gelezen boeken der wereldlitteratuur moet verklaren.

Soms denk ik, dat dit boek uit de tijd is, maar altijd verschijnen er weer nieuwe vertalingen van en van die vertalingen nieuwe drukken en in hoevele talen werd de Christenreis al niet vertaald!

Natuurlijk wordt dit boek het meest gelezen door eenvoudigen. Men zal het niet zo licht vinden in de grote boekenplank van hen, die met Vestdijk en Anna Blaman dwepen, al is de afstand itussen Bunyan en deze twee minder groot dan de meeste vermoeden. Toch hebben mannen van formaat dankbaar getuigd van wat Bunyan’s Christenreis voor hun leven betekende en Engelands grote litterator Macaulay spreekt over het genie van Bunyan.

In een duurzame populariteit schuilt altijd een geheim. De onwetenschappelijke menigte oordeelt vaak juister dan de geleerden en het oorspronkelijk verachte boekje was inderdaad een meesterstuk. Macaulay noemt Bunyan de eerste der allegoristen. Andere allegoristen zijn misschien even vindingrijk als Bunyan, maar geen andere allegorist is ooit zo in (staat geweest, het hart te raken en abstracties te maken tot voorwerpen van vrees, medelijden en liefde. Bij Bunyan wordt het abstracte even interessant als het concrete. Zijn allegorieën zijn levende wezens, personen van vlees en bloed, die wij dagelijks om ons heen ontmoeten en niet het minst in ons eigen hart. Het is zijn eigen zieleieven dat Bunyan beschrijft en daarom ook het onze.

Bunyan’s boek is, om nog één keer Macaulay te citeren, de meest wonderlijke en nauwkeurige handleiding van een ethische psychologie, die ooit geschreven is.

Als kindlas ik de-Christenreisuitsluitend als verhaal. Later las ik in een opstei van prof.

'Gunning, de paedagoog, dat het als zodanig voldoet aan de hoogste eisen. Het fantastische, het sprookjesachtige bevredigt de fantasie van het kind. In later jaren wordt het spannende verhaal herkend als de geschiedenis van het eigen hart.

Bunyan leerde mij, hoe het leven een voortdurende strijd tegen boze hartstochten is, waarvan de kiem in ons zelf ligt. Hij overtuigde er mij van, dat het in de godsdienst ten slotte om de ziel gaat en dat de redding van de ziel een zaak van zware strijd is.

Het is geen vrolijke lectuur. Bekijkt u de plaatjes maar eens. Maar kunnen wij zonder de zware ernst van iemand als Bunyan? Het boek is zeer eenzijdig. Alles draait om de tegenstelling tussen deze wereld en de toekomende, tussen zonde en genade, tussen dood en leven, tussen hemel en hel. De verhouding van de ziel tot God bepaalt heel de inhoud. Ons leven is een weg, een lange weg naar de eeuwigheid en daarom draagt ons leven het karakter van voorlopigheid. De tegenstelling tussen nu en later, tijd en eeuwigheid is zo sterk, dat deze wereld vrijwel geen waarde heeft, tenzij dan ais voorbereiding op de toekomst. Zij is slechts een doorgangshuis, waar alles tegenwerkt en gevaar oplevert, zodat het zaak is, er zo

snel en goed mogelijk doorheen te komen. Van een positieve waardering van deze wereld en dit leven is bijna geen sprake. Het gaat om de enkeling en zijn betekenis voor de eeuwigheid. Sociale en culturele vragen komen niet aan de orde. Maatschappij en staat vinden in de Christenreis geen plaats tenzij als bedreigers en vervolgers van het geloof. Zelfs de kerk ontbreekt. Het geheel is een belijdenis van godsdienstig individualisme.

Nu ik het boek na jaren nog weer eens in handen kreeg en het doorbladerde, boeide het mij opnieuw. En ik vraag mij af, of wij in onze tijd van collectivisme geen gevaar lopen te verliezen wat Bunyan ons al te eenzijdig misschien in zijn Christenreis gaf. Wij zullen in deze tijd toch moeten weten van de eeuwigheid. Wij zullen bij al ons werken voor een nieuwe maatschappij toch moeten verstaan, dat het ook en niet het minst gaat om de enkele mens en dat de redding van een mensenziel een zaak van zware strijd is. Wij zullen toch nooit mogen vergeten, dat het leven een weg is, een weg ergens naar toe. En wij zullen het, meen ik, nooit helemaal zonder de zware ernst van de calvinistische ketellapper.

J. J. BUSKES Jr

Voortgezet gesprek

2

Het tweede artikel uit „Koningin en Vaderland”, waarop ik graag enig commentaar wil leveren, is geschreven door de heer Jac. de Graaf en was opgenomen in het nummer van „K. en V.” van 12 Jan. 1951. De heer De Graaf iS blijkbaar enigszins ongerust over de toon en de strekking van twee in „K. en V.” verschenen artikelen van mr Chr. de Jong en de heer F. Goudzwaard. Hij zegt daarvan nl.: „Uit beide artikelen zou men gemakkelijk de conclusie kunnen trekken, alsof er slechts sprake is van een verschil in nuancering, dat de Christelijk Historische Unie gescheiden houdt van de „Doorbraak”. Indien men deze opvatting wil huldigen ten opzichte van de „Protestantse Unie”, zou ik hiermede accoord kunnen gaan, doch ten opzichte van de „Doorbraak” meen ik, dat er diepgaande verschillen zijn die moeilijk overbrugd kunnen worden.”

De argumentering, die dan volgt, bevat een aantal elementen, waarvan de voornaamste zijn:

1. Geloof is in zichzelf een politieke beslissing. Deze beslissing ligt hierin, dat men erkent, dat Jezus Christus souverein is. Deze erkenning is vervat in de artikelen 1, 2 en 7 van het program van beginselen d'er C.H.U. en in geen geval kan een af wijzing van deze artikelen worden verdragen, En nu citeer ik even woordelijk: „Eenieder, die wil erkennen, dat Jezus Christus Souverein is, willen wij dan ook gaarne de broederhand toereiken. Immers dit is juist hetgene wat ons als Christelijk Historischen gebonden houdt. Dit is voor ons het belangrijkste, deze binding is primair.”

2. De vraag of de „Doorbraak” deze binding ook als primair ziet, moet o.a. volgens uitspraken in „Doorbraak” (Welke? H.) ontkennend worden beantwoord, Primair wordt het socialisme gesteld. Pas secundair komt men tot een binding waar-

in men Jezus Christus als Heer wil erkennen, nl. in de Prot. Chr. Werkgemeenschap, 3. Een verbetering van de wereld wordt niet bereikt door het kapitalisme te bestrijden met het socialisme, omdat de aan het kapitalisme ten grondslag liggende ideologie dezelfde is als die van het socialisme, nl. het rationalisme. Kapitalisme en socialisme zijn daarom in wezen tweelingbroeders, hoe fel zij ook op de gemeenschappelijke basis van hun individualistisch rationalisme tegenover elkaar mogen staan,

4. Er is maar één oplossing om elkaar de broederhand te kunnen geven, nl.: Zoek eerst het Koninkrijk Gods en al deze dingen zullen u toegeworpen worden, Nog dit: uit de toon van dit artikel blijkt, dat het een eerlijke bijdrage wil zijn tot het gesprek over deze dingen. Over de bovengenoemde punten zou ik dan respectievelijk het volgende willen zeggen:

1. De heer De Graaf kan mij en mijn mede-Christenen in de P.v.d.A. met een volkomen gerust hart en een zuiver geweten de broederhand toereiken. Wij zullen het hem ook graag doen. Wij erkennen namelijk, evenals hij, van ganser harte, dat Jezus Christus Souverein is. Wat dat betreft, voelen wij ons samen best thuis bij de uitspraak van Kuyper, dat er geen van heel het terrein van het menselijk leven is, waarvan Christus niet zegt, dat het Hem toebehoort. Ik geloof, dat hét eerste doel van een „gesprek zou kunnen zijn, elk misverstand ten aanzien van dit punt eens en voor goed weg te nemen. De heer De Graaf zegt dan, dat dit juist hetgene is, wat de Chr. Historischen gebonden houdt. Ik geloof inderdaad, dat hij hier voor vele C.H.-mensen spreekt. Ik moet er bij zeggen, dat in deze gedachtengang naar mijn besef het verschil tussen kerk en politieke partij niet meer scherp wordt gezien. De erkenning van Jezus Christus als