is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 30, 28-04-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DEZE MOEILIJKE TIJD

Het hoort bij het beeld van deze tijd, dat er alom sombere profeten opstaan die de ondergang van deze, onze cultuur voorspellen. De Joden, die destijds Jeremia voorbij liepen, deden onwijs en de burgers van Florence, die om Savonarola alleen maar honend lachten, hadden ongelijk. Laten we naar hen luisteren, ons door hen laten vermanen, maar waakzaam blijven en ons niet critiekloos aan hen overgeven. Er zijn immers profeten en pseudo-profeten! Ik kan' het boek van prof. P. A. Sorokin „De crisis onzer eeuw” (uit het Engels vertaald door ir J. A. Blok). Uitgave N. Kluwer, Deventer 1950, met een woord vooraf van dr J. H. van der Hoop, 264 blz. ƒ 11,50, niet anders zien dan als een profetisch getuigenis. Ik misken daarbij niet de wetenschappelijke ernst. Savonarola vandaag is socioloog en statisticus, maar de meeslepende vaart, waarmee hier feitenreeksen georganiseerd en onderzoekingen georiënteerd worden, steeds in dezelfde richting van het doemoordeel over deze tijd en van het vermoeden en tasten naar een andere, mogelijk betere toekomst, stempelt dit indrukwekkend geschrift niet allereerst tot een boek van wetenschappelijk karakter dat is het ook! maar tot een profetische maning. Ik zal er Sorokin niet om laken; integendeel!

De schrijver, een uit zijn vaderland uitgeweken Rus, thans professor aan de Harvard University in Amerika, hoort, naar het oordeel van bevoegden, tot een van de grootste vertegenwoordigers van zijn vak. In verschillende van zijn publicaties, heeft hij een theorie van de ontwikkeling der cultuur uitgewerkt, die hij in het onderhavige boek toepast op zijn eigen tijd. De hoofdgedachte hiervan is, dat een bescha-

ving een samenhangend geheel van verschijnselen is, dat geregeerd wordt door een grondbeginsel, dat zich openbaart op zo verschillende terreinen als wijsbegeerte, godsdienst, zeden, wetenschap, sociale, politieke en economische organisatie. Sorokin onderscheidt drie typen van beschaving, de ideële, de idealistische en de wereldse (of zintuigelijke), naar gelang een cultuur leeft, denkt, en werkt vanuit een bovenaards beginsel (bijv. de Middeleeuwen leven vanuit de Gods-idee), of vanuit de gedachte, dat de werkelijkheid zowel zintuigelijk als bovenzinnelijk is (bijv. de Renaissance, die naar beide zij nssferen openstond en een sjmthese nastreefde), of ten slotte vanuit de idee, dat alleen de zintuigelijke werkelijkheid gelding en waarde heeft (bijv. onze moderne tijd). Deze typen van cultuur hebben hun opkomst, bloei en neergang. Ze lossen elkaar af. Het is nu de nadrukkelijke overtuiging van Sorokin, dat de crisis onzer eeuw bestaat in de zeer aanstaande ondergang van deze, onze wereldse cultuur. Daarnaast ziet hij aanduidingen van, een op komst zijnde ideële of idealistische cultuur.

Bovenstaande schematische aanduiding kan geen idee geven van de overstelpende rijkdom aan gegevens, die dit boek zo meeslepend maken. Sorokin poogt zijn stelling waar te maken, door deze tijd te analyseren en zo schrijft hij een hoofdstuk over de crisis der kunst, een over de crisis in het stelsel der waarheid, d.i. wetenschap, wijsbegeerte en godsdienst, een over de crisis in zedenleer en wet, en een over de crisis in de menselijke verhoudingen. Hij zet zijn

' argumenten kracht bij door statistieken en vernuftige grafieken. Hij beschikt over een overrompelend-rijke informatie op geheel verscheiden terreinen. En daarbij is hij nergens de koele wetenschapsman, maar foetert, tiert en juicht met een eerbiedafdwingende bezieling.

Nochtans is er veel critiek mogelijk op dit boek. Ik kan me voorstellen, dat van de zijde der huidige cultuur-optimisten, de fundamentele visie van dit boek afgewezen wordt op grond van hun overtuiging, dat deze cultuur ongetwijfeld zieke plekken vertoont maar dat deze stuk voor stuk genezen kunnen en moeten worden door plaatselijk in te grijpen. Het alternatief van Sorokin, de ideale of idealistische cultuurvorm, zou erger (naar hun oordeel) zijn dan de ziekte. Ze kunnen hun argumentatie versterken door er op te wijzen, dat wat hij ter vervanging biedt van dit cultuurbeeld, uitermate vaag en onsamenhangend is. Ze zullen besluiten met de opmerking, dat zijn waardering van de drie cultuurtypen en speciaal de onuitgesproken waardering die in termen als opkomst, bloei en nedergang ligt, onbewezen en onbewijsbaar blijft. Wat de een decadentie noemt, is voor de ander rijpheid. En waarom zou een cultuur moeten sterven? Het is toch immers geen levend wezen als een plant? Waarom niet een voortschrijdende ontwikkeling? Ik deel deze critiek niet, maar ben wel van oordeel, dat Sorokin tekort schiet in de weerlegging.

Een doorlopend pleidooi heeft ook zijn bezwaren; de lezer wordt achterdochtig en geprikkeld, omdat alles schijnbaar klopt. En dan ontdekt hij leemten in het betoog; dan ziet hij dat de eenzijdige negatieve waardering van bijv. de moderne kunst

onrechtvaardig is; dan weigert hij aan statistieken en diagrammen waarde te schenken wanneer die de frequentie van wetenschappelijke uitvindingen moeten registreren. Dan valt het hem op, dat het beeld dat prof. Sorokin van de moderne beschaving ontwerpt, toch wel heel exclusief slaat op Amerika, gezien door een verbitterde emigrant, die vreemdeling bleef en dat het beeld voor West-Europa in elk geval minder gelding heeft. Maar de waardering van de grootse conceptie blijft; en de waardering voor bepaalde delen stijgt. Mij trof bijzonder het hoofdstuk, waar Sorokin uitwerkt hoe de contractuele verhoudingen, die in ons maatschappijbeeld de verwantschapsverhoudingen verdringen en vervangen, gevaar lopen in een tijdperk van individualisme. Als vrijheid betekenen gaat de mogelijkheid om te doen wat men verkiest, zal dit in een wereldse periode willen zeggen: wie zijn begeerten bevredigen kan, is vrij. Te ontkennen valt niet, dat allerlei menselijke verhoudingen, die vroeger gebaseerd waren op wederzijdse liefde, toewijding en opoffering, kortom trouw, nu meer en meer contractueel worden, vrije overeenkomsten op basis van vrij contractuerende partijen. Wat dit voor ontstellende gevolgen heeft bijv. voor huwelijk en gezin, moet men bij Sorokin nalezen.

Treffend is ook hoe Sorokin aantoont dat de moderne wetenschap het mensbeeld ontluisterd heeft, ofschoon men hierbij toch wel opmerken moet, dat hier niet de wetenschap maar de vulgarisatie der wetenschap schuldig staat. Als Sorokin smaalt, dat men niet beter weet, of de mens is bijv. een reflexmechanisme of een psycho-analytische zak, vol met libido of andere aandriften, dan valt niet te ontkennen, dat menigeen vandaag deze opvattingen als wetenschap uitkraamt, maar dat dé wetenschap niets anders beweert, dan dat op de coördinaten der kenbaarheid waarbinnen het mysterie mens aanwezig is, ook het begrippenstelsel: reflex-mechanisme past, enz. Waar men Sorokin gelijk moet geven, is dat wij minder dan in andere tijden weten, wat de mens is. Ofschoon... ik hoop binnenkort in deze kolommen nog eens mijn dankbaarheid en bewondering uit te spreken over een ander boek, dat dan toch ook maar in deze gedoemde tijd verschijnen kan en niet volstrekt uniek is, ik bedoel: Van Niftriks „Zie de mens”.

Wat bij Sorokin ook boeiend te lezen staat, is de door hem ontdekte wet der polarisatie. Crisis, ramp of spanning brengen in iemands gedrag en geest innerlijke tegenstrijdigheden aan het licht. Dit geldt ook voor een maatschappelijke groep. En lees nu hoe hij deze polarisatieverschijnselen in onze maatschappij aanwijst, waarbij de vraag openblijft, of deze verschijnselen, welker aanwezigheid Sorokin overtuigend aantoont, een bewijs zijn voor het af sterven of het regenereren dezer cultuur.

Ik deel Sorokins mening, dat de genezing dezer tijden voor individu en gemeenschap allereerst te verwachten is van de bezielende krachten, die uitgaan van een onbuigzame zedenleer van liefde en onzelfzuchtigheid, van een her-beleving der broederschapsverhoudingen i.p.v. het wettig contract, vooral van een her-ontdekking der evangelische woorden, die ik overigens niet graag, zoals Sorokin doet, op één lijn stel met de Bhagawad Gita, de Soefi-beginselen,

geren moeten het zelf doen, want zij alléén kennen de weerstanden van hun eigen levenservaringen, zij kennen de lacunes in hun wereldbeeld, zij kennen het na-oorlogs levensgevoel waarmee ze te woekeren en te worstelen hebben.

Of en hoe voor de jongeren de Meidag weer tot een stralende feestdag van het socialisme kan worden, is niet in de eerste plaats een vraag van nieuwe leestvormen. Het is een vraagstuk van de geest, waaraan zo’n feest ontspruiten kan. We redden het niet met het organiseren van „grootse gebeurtenissen”, die indruk zouden moeten wekken. Ze wekken eer afkeer dan indruk, want hun leegheid zal ook de jongeren van vandaag onaangenaam treffen.

Wat gebeuren moet en wat dringend gebeuren moet is een hernieuwd keuren en doordenken van de waarden .die aan het democratisch socialisme ten grondslag liggen. Afgronden van onzekerheid zullen we niet bangelijk uit de weg kunnen en mogen gaan. Indien ooit, dan zal dwars daar door heen een nieuwe, inspirerende zekerheid gevonden worden. Sterft, gij oude vormen en gedachten; wij zullen zelf nieuwe moeten veroveren. Het was een grote vreugdevolle zekerheid, die voor een vorige generatie van jongeren de Meidag, hoe simpel ook gevierd, tot een waar feest maakte.

Moge de generatie van vandaag beseffen, dat ons niets in de schoot geworpen wordt, zeifs onze feesten niet!

P. WEIDEMA.