is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 31, 05-05-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN Gymnasiumfeest

Soms veroorloof ik mij, in deze kolommen, iets persoonlijker te worden dan een krantenschrijver betaamt.

Ditmaal moet ik u deelgenoot maken van mijn gedachten en gevoelens die opkwamen bij het bezoeken van het feest van het Amersfoortse gymnasium, dat vorige maand 575 jaar bestond. Een onderwijsinstelling dus, die alle universiteiten in ouderdom slaat.

Eens in de 25 jaar komen de leerlingen en oud-leerlingen te zamen om opnieuw het verhaal te horen van zijn oorsprong, te glimlachen over de primitieve toestanden van vroeger en het gevoel te koesteren, dat toch maar niet iedereen in Nederland een gymnasium bezocht heeft. Men schudt dan handen met oud-klassegenoten, die onherroepelijk ouder zijn geworden en men is verrast als een leraar je nog kent.

Inderdaad: het is een onderscheiding om op een gjmmasium geweest te zijn. Van die ouderdom is alleen maar over, dat men er Latijn en Grieks leert. Naast heel veel anders. De leerlingen zijn niet meer bij de rector in huis en de gebeden en liederen klinken niet meer, als in de late Middeleeuwen, door de zalen. Er wordt op Nederlandse gjminasia de openbare althans noch gezongen, noch gebeden.

De onderscheiding valt in het oog, als men bedenkt, dat het gewoon lager onderwijs door ruim één millioen leerlingen bezocht wordt, maar dat daarvan slechts één procent, nl. 11.000 naar een gymnasium gaat. Van deze leerlingen behoren slechts 10% tot de lagere welstandsgroepen. Ik herinner mij dan ook uit mijn lange te lange! gymnasiumloopbaan geen enkele jongen of meisje uit arbeidersmilieu. Het zijn de héél gegoeden, de gegoeden, de tamelijk gegoeden en allen, die er voor door willen gaan, die hun kinderen naar een gymnasium sturen. Zij willen hun kinderen straks naar het hoger onderwijs zien over gaan. Dat ook het gymnasium een slecht selectie-systeem heeft, blijkt, dat zelfs bij deze opleiding een betrekkelijk groot deel voor goed strandt. Maar dat mogen wij niet aan het gymnasium alleen verwijten.

Van al die lichtingen oud-leerlingen kwamen er vele honderden naar Amersfoort. Het was een voortreffelijk idee, de dag te beginnen in de St Joriskerk. Met een rede van de rector en een toespraak van minister Kutten. Deze laatste kon, hoeveel vriendelijks hij ook zei, zijn grootste voorganger Prof. V. d. Leeuw niet doen vergeten, die bij zulke gelegenheden op zijn best was.

Daar zaten wij dan, in dat ook al oude kerkgebouw, stichting eveneens van vóór de reformatie. Alle leeftijden, al waren- de oudste rijen aardig uitgedund. De rector sprak voortreffelijk. Juist nu, méér dan wanneer je zelf op Tacitus zit te zweten.

besef je de waarde van een stuk continuïteit in onze cultuur. Het is immers méér dan alleen een zaak van Latijn leren. Zeker, toen die Latijnse School in de 14de eeuw werd opgericht, geschiedde dat uit andere motieven dan de instandhouding thans. Het was toen een zaak van de geestelijken. Maar de geest van de Broeders des Gemenen Levens stond er niet los van, en het is merkwaardig hoe weinig zaken, welke hun ontwikkeling ook verder moge zijn, loskomen van hun oorsprong. Het is, of juist de tijd in zulke gevallen het wezen van een zaak méér doet uitkomen. Want ook al is de Latijnse taal nu heus compleet dood, ook al spreekt de geleerde wereld Engels, toch heeft het gymnasium een element van geconcentreerdheid en eerbied overgehouden, dat typisch was voor de humanisten van de 14de eeuw. Want dat was het toch wel, wat wij, die het Latijn vrijwel en het Grieks practisch geheel verleerd zijn, over hebben gehouden: de eerbied voor de tekst, de geconcentreerdheid op de stof en ook een besef van wijdheid in historisch opzicht, dat een tikkeltje bescheiden maakt. Maar als dat gezegd wordt en ik kon er hartelijk mee instemmen rijzen toch ook de vragen.

Wij hadden toch waarlijk geen bekrompen leraren en leraressen. Maar het was of het verleden met meer liefde benaderd, dan dat het heden naar ons toegebracht werd. Terwijl allerlei problemen van het verleden heel precies bekeken werden (Tacitus was een genot, Plato een verrassing) bestonden er in het heden helemaal geen problemen. Wat leefden wij toch in allerlei vanzelfsprekendheden. Wij werden opgevoed in verdraagzaamheid en eerbied voor de mening van een ander en dat was goed. Maar welke problemen thêins leefden, zij werden ternauwernood aangeraakt. Ik herinner mij slechts één opmerking van dien aard. Hij kwam van de leraar, die nu als rector op het jubileum de grote rede hield. Het was in 1926, toen Hindenburg tot president van het Duitse Rijk gekozen werd. Hij kwam, als gewoonlijk, zwijgend de klas binnen, hoofd een tikje schuin naar beneden. Hij ging zitten, sloeg, ook als gewoonlijk, zijn handen om de tafelrand en keek ons een tijdje aan. Toen zei hij: „Hindenburg gekozen. Let op, jongens, dat betekent oorlog”. En toen ging de les verder.

Ik weet niet of sindsdien de belangstelling voor het leven van nu groter is geworden. Het is mogelijk, maar ik zou mij er over verbazen. Want nóg is het gymnasium een school, die zich naar de oudheid richt en nóg bezoeken slechts die jongeren zijn lokalen, die het voorlopig nog vanzelfsprekend vinden dat zij in beschermde gezinnen leven. Nog, en in toenemende mate, nu alles wat Rooms en Gereformeerd denkt

(met de onvermijdelijke groep Hervormden, die dolerende hand- en spandiensten verrichten) hun kroost naar iets onbesmets sturen, zijn het kinderen van de liberale burgers (in de brede, nlet-politieke zin bedoeld) die zulk een school bezoeken. Ik zeg niet dat deze situatie gevaarlijk Is. Integendeel, zij is héél prettig. Maar, bij alle eerbied voor de werkelijkheid, die op een gymnasium gekoesterd wordt; deze situatie leidt niet tot het werkelijke leven van vandaag.

Het was prettig, al die oude schoolkameraden te zien. Vooral des middags op de receptie. De meeste van hen zag ik voor het eerst weer sinds 25 jaar. De meerderheid van mijn eindexamenklas was aanwezig, wat mij een aanwijzing leek dat deze leeftijd waarschijnlijk het gevoeligst Is voor dergelijke ontmoetingen. Jongere jaren waren vaak niet zo goed bezet.

Wat valt dan op? Dat de middelbare school toch wel uiterst weinig vriendschappen voor het leven opbrengt. Zeker, wij hadden het weer goed met elkaar. Wij konden elkaar weer plagen met onze zwakheden, mild nu. Wij stonden soms geweldig te spitten in de harde grond van het verleden, die zijn namen en herinneringen maar niet prijs wilde geven. Wij waren eerlijk geïnteresseerd, nu wij zagen wat er van al die mensen terecht gekomen was. Die stille jongen was nu professor, die lange was onvermijdelijk burgemeester geworden. Dat wisten wij toen al. Natuurlijk was er een dokter bij en een paar juristen, staande en zittende rechters. Merkwaardig: die officier geworden waren, schitterden door hun afwezigheid, terwijl zij vroeger zo graag schitterden door hun aanwezigheid. Prachtig allemaal. Maar na al die inlichtingen stokten toch de gesprekken. Daarmee was het uit. Interessant, weemoedig, vreemd. Meer niet. Van een band, een eenheid, van gelijkgerichte gevoelens bleek niets. Wij hadden allen een ander leven gekregen. Met vreugde en verdriet, waarover wij niet spraken. Het was een beetje of wij samen met de maskers liepen van onze jongensjaren en wij gingen weer weg, vóór het démasqué kwam. Dat is geen verwijt aan de school. Tóch waren wij immers gymnasiasten geweest in Amersfoort en dat heeft ons tóch gevormd. het geldt voor alle scholen en voor alle jubilea. Het is daarom goed, dat dergelijke jubilea niet al te vaak worden gevierd.

Ik heb ook weer een paar leraren van toen, grijsaards allen nu, de hand gedrukt. En in hen al die anderen, die ons les gaven. Wij hebben veel aan hen te danken. Achterna bedenk ik, dat het meer was om wat ze waren dan om wat ze gaven. Naarmate ze meer voor ons waren, konden ze ook meer geven. En ik bedenk daarbij óók, dat ik ook wel eens verdriet op die banken doorstaan heb. Door eigen schuld, zeker. Maar óók door teveel harde woorden, onbegrip voor je eigen situatie, felle straffen een enkele keer, die eigen onmacht van de leraar zo begrijp ik nu moesten maskeren. Die uren zijn voor een groot deel vergeten en voor de rest heeft het weinig wrok achtergelaten. De goede gezindheid overheerst volkomen jegens ook dè,t stuk verleden. Dit niet gezegd te hebben, zou mij onoprecht voorkomen. Want tenslotte heeft niet alleen de materie, die een mens opneemt, maar vooral de man of vrouw, die haar doorgeeft, vormende kracht.

Dat heb ik ook begrepen op het gymnasium. Op een inrichting van onderwijs, die meer dan enig ander de mens tot humanist maakt in de klassieke zin van het woord.

L. H. RUITENBERG