is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 31, 05-05-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een góed geluid uit Engeland

5

IS HET VOLDOENDE?

Op de laatste bladzijden van hun boekje „Christianity and the war crisis” vatten Collins en Gollancz nog even kort samen waar het hun eigenlijk om te doen is.

Allereerst hebben zij er de nadruk op gelegd, dat er geconfereerd moet worden, en wel op een nieuwe wijze, in een nieuwe geest.

De schrijvers hebben geen bepaalde politiek bepleit. Niet omdat dit een zaak zou zijn alleen voor politici. Het is de plicht van ieder burger in een democratisch land om voor zichzelf, op de basis van alle informaties die hij kan verkrijgen, te beslissen welke koers er, bij elke verandering in de internationale gang van zaken, gevolgd moet worden. Wanneer (met een woord van Sir Stafford Cripps) „wij” niet ophouden met het over te laten aan „hen” dan wordt de democratie een schijn-democratie.

Een nieuwe houding

Met opzet hebben Collins en Gollancz niet uitvoerig geschreven over hun eigen conclusies omtrent de huidige politieke situatie. Zij hebben alleen maar een bepaalde geestelijke houding willen aanraden een houding, vereist door het geloof dat zij, de één als christen en de ander als Jood, gemeenschappelijk bezitten.

Humanisten en christenen zullen deze houding, een ieder op zijn wijze, determineren en definiëren.

Waar het echter om gaat is dit: wij moeten ons in-leven in de geest en het hart van de ander, zó oprecht, dat wij, zonder ook maar in het minst af te wijken van onze mening omtrent goed en kwaad, in staat zijn weerstand te bieden tegen de vlagen van geprikkeldheid, ressentiment, haat en zelfrechtvaardiging, die in een tijd als deze gemakkelijk de wereld kunnen doen schipbrêuk lijden.

De mensen vragen: „Wat kan ik, machteloos mens, doen?” Laten we niet vergeten: „de mensen”, „het volk” ze zijn niet machteloos.

In zoverre het over democratieën gaat, is „het volk”, heel reëel, de beslissende kracht.

want het volk vormt het geestelijke klimaat, waarin de politici handelen. „De publieke opinie, standvastig, vastbesloten en tegenover vrienden en tegenstanders gelijkelijk koel van hoofd, zal beslissend zijn; en „publieke opinie” is ieder, wie dan ook, die de lectuur van dit boekje juist beëindigd heeft.”

Verheugend

Wij zullen voorop moeten stellen, dat het zeer verheugend is, dat de Canon van de St Paul’s en Victor Gollancz op deze wijze voorlichting hebben willen geven in deze ernstige tijd.

Ik wijk op een enkel punt, waar het gaat over Rusland, enigszins van de schrijvers af. In mijn boek over Christendom en Communisme kan men de nadere argumentering daarvan vinden.

Het is een verademing te bemerken, dat op deze wijze door hen een duidelijke poging gedaan wordt om meer begrip te wekken én voor China én voor Rusland én voor Amerika. Toevallig kwam mij tussen deze en de vorige zin het artikel onder ogen van dr C. L. Patijn in „Wending”, Maart 1951 „Wereldbeeld in overgangstijd” (blz. 1—11). Het enorme verschil met de methode én de geest van Collins en Gollancz is opvallend. Bij dr Patijn nergens een reële confrontatie van internationale aangelegenheden en Evangelie (het stuk kon zo in een of ander gewoon-neutraal tijdschrift zijn opgenomen, behalve dan de laatste regel, die, machteloos, psalm 72 citeert). Bij Collins en Gollancz is er steeds weer opnieuw een verband tussen: internationale situatie en onze geloofshouding. Ik hoop dat de lezers van deze artikelen dit in mijn weergave ook steeds hebben kunnen merken.

Collins en Gollancz spannen zich ook verder voor deze zaak in. 13 Februari spraken ze samen in een openbare bijeenkomst van de Oxford University Peace Association. 12 Maart sprak Gollancz met enkele anderen in Central Hall, Westminster.

Sedert enige tijd is Gollancz bezig met een actie voor een „two-point programma”. Het gaat om twee dingen:

a. De onderhandelingen moeten internationaal niet gaan via nota’s, openbare redevoeringen (en verwijten), maar via persoonlijke besprekingen. Men moet daarbij niet almaar denken aan oorlog, maar aan vrede.

b. Er moet een groot internationaal fonds gesticht worden om de levensomstandigheden van vele hongerlijdende medeschepselen over de gehele wereld te verbeteren. De zwaarden moeten worden omgesmeed tot ploegscharen!

Gollancz heeft deze oproep aan 60 kranten ter plaatsing gezonden. In Reynolds News on Sunday werd hij over twee kolommen gedrukt met als kop erboven: „A war —of ploughshares”: „Een oorlog maar met ploegscharen”.

Wie het met de oproep eens is kan aan Gollancz antwoord sturen: een briefkaart met naam en adres en verder niets erop dan: „Agree”.

Dwaas? Ik geloof het niet. De „realisten” van deze tijd (die in Amerika bijv. in 1951 veertig mïlliard dollar voor militaire uitgaven over hebben en voor de verwaarloosde gebieden veertig mïllioen!) lijken mij dwazer.

En wat te zeggen van het volgende „rea-

lisme” (Gollancz wees daarop in zijn toespraak in Central Hall): 12 Maart verscheen in de News Chronicle een bericht over „geheime” besprekingen in Amerika, waarbij generaal Eisenhower gedreigd had met het gebruik van de atoombom als Amerika zou worden aangevallen. Gollancz stelde de vraag: „Waarom werd dit onthuld in Washington gisteravond?” „Ik kan niet anders dan vermoeden, dat het onthuld werd om aan de besprekingen in Parijs op dat ogenblik wat kracht bij te zetten.”

Met dit soort realisme komen we geen stap verder. Gollancz ziet de zaken juister.

De publieke opinie

Wat Collins en Gollancz over de functie van de publieke opinie zeggen is juist: het volk vormt het geestelijke klimaat, waarin de politici handelen. Maar is dit nu niet juist het tragische en schuldvolle, dat bij de vorming van de publieke opinie bepaalde funeste krachten zo sterk werkzaam zijn?

Hoevelen zullen in Engeland over Gollancz’ two-pointprogramma niet de schouders ophalen en zeggen: dat is toch allemaal niets de Russen zijn alleen bang voor onze bewapening!

Dat is één van de zeer benauwende aspecten van het politieke leven in het Westen: we zijn vrij om te schrijven, te spreken en te preken wat we willen... maar door de geleide propaganda wordt het het volk bijna onmogelijk gemaakt, geestelijk onmogelijk gemaakt, dat men nog leest wat wij schrijven, dat men nog hoort wat wij spreken, dat men nog in zich opneemt wat wij preken.

Toch mogen we niet bij de pakken gaan neerzitten. Ik ben blij dat Gollancz dat niet doet. Het is een prikkel voor ons om verder te werken. Tegen de stroom op.

Is het voldoende?

Ik herhaal: wat Collins en Gollancz gedaan hebben is van zeer groot belang. De nieuwe houding van begrip en verzoening, het niet gelijkgeschakeld worden met de geest des tijds, is één van de zeer nodige dingen.

En toch.

„Peace News” van 12 Jan. 1951 besluit een bespreking van het boekje met de volgende opmerking, waarmee ik het volkomen eens ben: „Veel lezers zullen wel van mening zijn, dat het plotseling ophoudt bij de beslissende stap, en datagape (de christelijke Liefde) of humanisme insluit een onvoorwaardelijke en totale weigering om enige medewerking te verlenen aan de „afgrijselijke gruwelen van de moderne oorlog.” Het komt altijd weer bij die oorlogsvraag uit. De twee punten van Gollancz zijn heel belangrijk maar zij, die de vermilitarisering van de hele wereld organiseren, voelen zich er niet door bedreigd. Het proces kan rustig verdergaan.

De twee punten van Gollancz zijn revolutionnaire maatregelen ter afwending van een nieuwe wereldoorlog. Maar juist ook door de vermilitarisering worden ze tot onmogelijkheden gemaakt. Daarom had zeker als derde punt het constructieve „neen” tegen de oorlog moeten genoemd zijn.

Intussen: laten we dankbaar zijn voor de oproep van Collins en Gollancz. En laten wij de door hen verdedigde nieuwe houding innemen, in alle politieke gesprekken: wij moeten èn Rusland èn Amerika èn China leren begrijpen, zodat we „weerstand kunnen bieden aan de vlagen van geprikkeldheid, ressentiment, haat en zelfrechtvaardiging”. Kr. STRIJD

gang van de natuur. Daarom mag Christus alleen zeggen: „Zie, Ik maak alle dingen nieuw” (Openb. 21 : 5). Van Hem uit gaat het nieuwe in de hemel en op aarde. Ja, óók op aarde; óók in de samenleving der mensen. Zouden wij van hier uit tot het Socialisme als vernieuwingsbeweging kunnen komen? Vanuit het geloof in Gods Koninkrijk tot de eis om te strijden voor een veranderde wereld van gerechtigheid en broederschap? Dan moet er veel gebeuren. Dan zal er iets moe – ten gebeuren in de „nevenorganisaties” van de socialistische partij, waar de Mei-viering elk jaar weer lustig wordt verbonden met een naturalistisch heidendom. Zonder dat wij het Socialisme willen opeisen voor hen, die leven uit de christelijke geloofswereld alleen, zouden wij toch de vereenzelviging van een politiek-maatschappelijke getuigenisdag met een in wezen heidens natuurfeest willen zien verdwijnen. Opdat het voor velen uit de socialistische beweging niet te moeilijk worde om 1 Mei te vieren.

De eerste Mei is weer voorbij. Moge het bovenstaande tot bezinning prikkelen voor volgende jaren! H, J. DE WIJS