is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 32, 12-05-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

se betaalmiddelen te kopen. Het euvel is dus alleen bestaanbaar als er een teveel aan koopkracht is, m.a.w. het wijst steeds op de aanwezigheid van inflatie, en de remedie die hier logisch op past is dus een stel van monetaire maatregelen die koopkracht wegzuigen, m.a.w. deflatie.

Daar zit iets in, de aangeprezen en door de regering momenteel reeds toegepaste of voorgestelde maatregelen zijn dan ook in het algemeen zeker goed, maar toch klopt deze redenering niet helemaal en zij is zelfs in haar consequenties niet zonder gevaar. Stel u nl. eens voor dat de regering consequent deflatie ging toepassen tot het evenwicht bereikt werd, wat zou er dan gebeuren? Aangezien de werkgelegenheid voor een groot deel afhankelijk is van de omvang van de importen zou er, indien we het volle betalingsbalanstekort van 800 millioen (1100 millioen als we de betalingsstromen van het vorige jaar bekijken) op deze manier wegwerkten, werkloosheid ontstaan. De productie zou nl. aanzienlijk inkrimpen. Dit alleen reeds toont aan dat we niet alleen met een monetair, maar in de eerste plaats met een structureel verschijnsel hebben te maken.

Indien we het betalingsbalanstekort als een vraagstuk van het monetair evenwicht bezien, doen we te kort aan de ernst er van. De structurele moeilijkheden zijn alleen op te lossen indien we streven naar een evenwicht niet op laag, doch op hoog niveau. Het industrialisatieplan van de Minister van Economische Zaken, dat tot voor kort het centrum van de economische regeringspolitiek vormde, was dan ook een beter uitgangspunt. De monetaire politiek moest deze in de afgelopen jaren ondersteunen, o.a. door de inflatoire gevaren de baas te worden, maar zij had een ondersteunende functie en speelde niet de hoofdrol. Zo hoort het ook te zijn. Sinds Maart (optreden der nieuwe regering) hoor ik veel te weinig van de tot nu toe gevoerde lijn der industrialisatiepolitiek, en te veel en te uitsluitend van de monetaire politiek.

Dat de inflatoire gevaren enorm zijn en dat ze door de defensiebehoeften sinds Korea enorm zijn gestegen, is duidelijk. Maar dat is wat anders dan het voor te stellen alsof we al in de inflatie zitten. Dat is niet waar. Ondanks de enorme inflatoire krachten en dank zij de forse monetaire regeringsmaatregelen is er een lichte overheersing van de deflatoire krachten. Dit blijkt met name uit de uiteenzettingen van het Bankverslag zelf. Houdt men dit niet in de gaten dan komt men tot een uiterst gevaarlijke visie op de prijs/loonontwikkeling.

Om het nog eens duidelijk te stellen: inflatie in de gebruikelijke zin van deze term een relatieve toeneming van de geldstroom, ten opzichte van de goederenstroom is er niet. Indien men er het excedent mee bedoelt tussen de huidige koopkracht en het lage niveau, waar betalingsbalansevenwicht door middel van importinkrimping zou zijn bereikt, dan miskent men de structurele zijde van het tekort.

Zou men consequent de deflatoire weg op willen, dan storten we ons in een afgrond. Een geneesmiddel is dit nu niet bepaald.

R. EVERTS.

RECTIFICATIE

In het artikel van mevrouw Roland Holst werd als jaar van het Congres der Tweede Internationale, waarop besloten werd de 1 Mei-dag te vieren, het jaar 1886 opgegeven. Dit moet 1889 zijn. In de laatste alinea leze men in plaats van heren-arbeiders, hersenarbeiders.

]eugd en kerk

Dat het gebouw van de Vrije Gemeente te Amsterdam tot berstens toe gevuld is wanneer daar, op een goed-zakelijk initiatief van enige boekverkopers, Thijs Booy komt spreken naar aanleiding van zijn boek Kerk en Jeugd’), is een zeker bewijs dat de (voornamelijk orthodox-gelovige) jongerenwereld niet ongevoelig is voor wat hij te zeggen heeft.

De term „niet ongevoelig” laat ruimte voor verschillende opvattingen. Er zijn er, die hem juichend begroeten als de man die het „eindelijk eens durft te zeggen”. Niet alleen durft te zeggen, maar ook kdn zeggen. Zyn felle, pregnante en vaak ook humoristische wijze van uitdrukken spreekt gemakkelijk aan. Zijn moed om de dominees vlak in hun gezicht te zeggen wat hem op het hart ligt, is voor de velen, die die moed niet hebben maar nochtans wel de aandrang voelen, een bevrijding.

Er zijn er verder voor wie Thijs Booy de wonderlijke tovenaar is die door zijn hartstochtelijke bewogenheid aan hun grijze, verdorde geloofswereld weer nieuwe kleur en blijdschap geeft of die hij op z’n minst weer iets van die kleur en blijdschap doet vermoeden. Er zijn er ook die hem beschouwen als een goddeloze breker van de zekerheden, als een wilde die tierend door de wereld gaat en geneigd is om alles lompweg om te schoppen wat in lang en toegewijd bouwen tot stand werd gebracht of door eeuwen van zorg en lijden heen voor ons geslacht gedragen en behoed werd. Zij komen alleen naar hem luisteren om hem des te verbetener te kunnen bestrijden. En ten slotte zijn er de mensen die weten, dat zelfs Kerk en'Boodschap in mensenhanden gedurig onzuiver worden. Zij leven in de spanning tussen Kerk en kerk en zien welwillend maar critisch tevens naar ieder die deze spanning met hen mee voelt. Zij verafgoden noch verguizen hem, maar keuren serieus. Als ik het goed zie dan is ten opzichte van Thijs Booy deze groep groeiende en dat kan winst betekenen.

Thijs Booy is gereformeerd en het voornaamste thema waar hij steeds weer op terug komt als hij de verhouding Kerk en Jeugd aan de orde stelt, is een aanklacht tegen de geestloze verstarring die hij in en om de kerk ontmoet en een pleidooi voor een grotere beweeglijkheid in het licht van de Evangelische Boodschap. Onze maatstaven, zo zegt hij, moeten bijbels en ook alléén bijbels zijn. Laat de kerk niet strenger willen zijn dan God; Hij is niet alleen voor wie ’s Zondags drie keer naar de kerk gaat; Hij wil ook het meisje met de roodgelakte nagels door Zijn tegenwoordigheid blij maken. En laten we ons toch ook hoeden voor een „christelijke oververzadiging”. Éénmaal, op een hoogtepunt van zijn leven, brak in Paulus de volle genade door van een vier-dimensionale aanbidding; vele dominees menen dat voor hen iedere Zondag zoiets een vanzelfsprekende zaak is, als het „moet” ook nog een aantal malen in de week. Preek en bid ons niet dood, maar maak ons levend!

Een ander thema waarop hij hamert is de taak van de kerk in de wereld. Hij pleit voor een actuele prediking. God spreekt niet „ins Blaue hinein”, hij spreekt tot óns, in déze wereld en in déze tijd. Wij moeten ophouden met ons blind te staren op de formulering van onze belijdenis alléén. Beslist ontroerend is zijn kreet om oecumenische verbondenheid. Het is een zeer bijzondere ervaring om uit de mond van een

jonge gereformeerde te horen van het visioen van die éne Avondmaalstafel, waaraan ds Banning en ds Zandt, ds Van der Meijden en dr Miskotte, Dippel en Dijk en wie ook maar, zich geschaard hebben, en Christus zit tussen hen in.

In zijn inleiding wees de studentenpredikant ds S. J. Popma er op, dat critiek van jongeren op de kerk een eeuwenoud verschijnsel is, „dat van tijd tot tijd naar voren komt. Daaruit groeien soms waardevolle krachten voor een nieuwe Réveil, mits de critiek centraal en positief is, mits er een continue band blijft bestaan én de partijen elkaar ergens verstéan: Weet de jeugd wat „kerk” wil zeggen? Weet de kerk van de jeugd, van haar nood en heimwee?”

Wie waarlijk wekken en vernieuwen wil, zal hier het trait d’union moeten vinden. Hij zal zich naar beide zijden vol begrip moeten tonen, wil hij de overtuigende kracht kunnen behouden die zijn boodschap behoeft. De taak, die Thijs Booy op zich genomen heeft, een taak waarvan het belang ook buiten zijn eigen kring reikt, is van een uiterste verantwoordelijkheid, die alleen door de volheid van eigen geloof gedragen kan worden. Zulk profetisch optreden wij hebben er behoefte aan als brood verliest elke zin als het niet door en door echt en doorleden is, als het niet steeds weer opnieuw gepuurd wordt door hoofd en hart. Want zodra dit achterwege blijft verschraalt automatisch de profetische stem, zijn wonderlijke aantrekkelijkheid verdwijnt, hij wordt even kleurloos als alle andere en de profetische woorden die hij nog zou spreken worden pedant en prekerig. Voor wie luistert zou het een kwestie zijn van stenen voor brood.

Het bewustzijn van de noodzakelijkheid van zo’n hoog niveau bij een dergelijke boodschap gebiedt ons om bij onze waardering toch ook onze ongerustheid niet te verzwijgen. 'Want meer dan eens horen we ook bij Thijs de onechte theatrale trillingen, die méér horen bij de dominees die hij terecht wijst, dan bij de taak die hij op zijn schouders genomen heeft. Zijn formuleringen zijn soms niet vrij te pleiten van een streven naar goedkoop effect. De redelijke argumentering van beweringen, die dat toch eigenlijk wel vragen, blijft vaak beneden de verwachting. Ook zijn citatenkramp verontrust ons. Zelf zei hij waarschuwend in zijn lezing in de 'Vrije Gemeente dat wij, nu het echte, klassieke Christelijk-Humanistische Europa doodgebloed is, thans leven in de s c h ij n wereld van „het gevleugelde woord”! Het ontbreekt Thijs heus niet aan het nodige expressieve taalgevoel, waardoor eventueel zo’n overmatig gebruik van citaten gerechtvaardigd zou kunnen worden. Het werkt een vage twijfel aan de geestelijke kracht die achter dit zwaar-verantwoordelijke „breekwerk” hoort te staan, in de hand.

■Wij hopen oprecht dat we té bang zijn. Want Thijs is een exponent van een generatie, die in het algemeen zich zelf nog niet gevonden heeft. Hij is een der schaarse woordvoerders uit die groep van mensen, die in het slijk der bezetting wakker werden uit de droom van hun knapentijd. Zijn boodschap mag niet verschralen en verklinken, voor zij ons wezenlijk geraakt heeft.

Daarvoor is zij veel te belangrijk.

P. WEIDEMA

Uitgave Ten Have, Amsterdam ƒ5.90.