is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 33, 19-05-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat heeft het boek van Ds Strijd ons te zeggen?

Er is al zoveel over het communisme geschreven, dat men soms het gevoel krijgt, dat het niet mogelijk is er nog weer over te schrijven zonder te herhalen wat door anderen al herhaald werd.

Dat is met het boek van Strijd zeker niet het geval.

Het is niet alleen voortreffelijk gedocumenteerd, maar het behandelt de vraag naar de verhouding van christendom en communisme op een geheel eigen manier, zodat het ons tot een hernieuwde bezinning dwingt.

Wat in Nederland tot nog toe over het communisme gepubliceerd werd, draagt een geheel ander karakter dan de studie van Strijd.

De critiek in de kringen van de Partij van de Arbeid is wel uitermate eenzijdig. Niet, dat ze niet voor een groot deei rechtmatig zou zijn, maar ze is naar mijn overtuiging te negatief en daardoor tamelijk onvruchtbaar. Ze wordt bijna nooit tot een ernstige zelfcritiek een critiek op de eigen socialistische beweging in het bijzonder en op het Westen in het algemeen en eindigt daarom meestal in een zelfrechtvaardiging. Ze tracht te weinig historisch te begrijpen en te verklaren en schiet daarom te kort, wanneer de vraag aan de orde komt, hoe het communisme bestreden en overwonnen moet worden. Men weet te voren ai, er gezegd zal worden en wat er dan wordt, is zo onbevredigend, dat het almaar weer herhalen van de reeds lang bekende inzichten vermoeiend werkt en geen effect sorteert. Er gaat niets meer van uit en men gelooft er niet wezenlijk in.

Met een zekere dankbaarheid, maar tegelijkertijd met een gevoel van spijt moet ik zeggen, dat wat van christelijke en kerkelijke zijde over het communisme geschreven werd, van hoger en solider kwaliteit is. Maar ook critiek van christelijke en kerkelijke zijde is in de meeste gevallen geen wezenlijke confrontatie. De critiek wordt wel tot zelfcritiek, veel meer dan in de socialistische litteratuur, maar deze zelfcritiek wordt niet tot het einde toe aoorgezet. Het is alsof men terugschrikt voor de laatste consequenties. Niet onbegrijpelijk, maar wel onbevredigend en teleurstellend. De inzet is vaak goed maar het slot is bijna altijd zwakker dan het begin. Veel en veel te stichtelijk en er is niets dat in dit verband meer irriteert dan stichtelijkheid.

Een uitzondering op de regel is: „Kerk en wereld in de crisis” van dr Dippel, dat in de christelijke litteratuur een geheel eigen plaats inneemt en voor de laatste consequenties niet terugschrikt, maar dat helaas niet de weerklank gevonden heeft, waarop het recht heeft. Er is een tweede druk van versenenen en het is dus wel gelezen, maar ik heb de indruk, dat men dr Dippel maar laat praten. Dat is de gemakkelijkste manier om van hem af te komen.

Ik zou het boek van Strijd naast dat van dr Dippel een plaats willen geven, al verschillen deze boeken niet minder dan de beide schrijvers.

Laat ik nu eerst iets vertellen over de

inhoud van het boek van ds Strijd. Het telt 298 bladzijden en is verdeeld in vier hoofdstukken.

Het eerste hoofdstuk heeft tot opschrift: ~Rijk-Kerk-Wereld” en geeft enkele principiële beschouwingen over de verhouding van deze drie. De kerk, die op de wereld betrokken is en in dienst van de wereld staat, moet weet hebben van en gefascineerd worden door het Rijk. Dan brengt de kerk aan de wereld rust en onrust, de rust en de onrust van het Rijk opdat de eschatologie de ethiek niet dooddrukke en evenmin ontaarde in een nerveus activisme. In Hoofdstuk 11, dat ongeveer de helft van het boek bevat, wordt een zeer instructieve uiteenzetting van „het Russische Commu – nisme” gegeven. Het hoofdstuk is onderverdeeld in 6 paragrafen: Rusland, het Tsaristische Rusland, de October-revolutie. Vrede en Interventie, Tot de dood van Lenin, Onder Staiin. Ds Strijd heeft in dit ceel van zijn boek heel wat materiaal verwerkt. Aan het christendom en de kerk in Rusland wordt in het bijzonder aandacht geschonken. Volgens Strijd is het Russische Communisme naar wezen en oorsprong een ernstige poging om een niet-kapitalistische, socialistische, communistische samenleving op te bouwen.

In hoofdstuk Hl komen „De geestelijke bronnen van het Communisme” aan de orde. De Marxistische inzichten van Marx, Engels, Lenin en Staiin, die de geestelijke achtergronden van het Russische Communisme vormen, worden zeer uitvoerig besproken. Het Marxisme is voor de echte communisten de levende bron, waaruit ze steeds weer drinken. Strijd geeft een principiële kritiek op de Marxistische anthropologie, nadat hij eerst met ernst en verontrusting over de angstaanjagende waarheid van het Marxisme heeft gesproken. Hij waardeert het communisme als een nieuwe religie en een gesaeculariseerde soteriologie. Daarom zal volgens hem alleen een levend, profetisch-evangelisch christendom op deze religie een antwoord kunnen geven, dat adaequaat is aan de uitdaging.

Aan dit antwoord is het laatste hoofdstuk ~Communisme en Levend Christendom” gewijd, waarin de principiële beschouwingen van het eerste hoofdstuk over Rijk kerk en wereld worden uitgewerkt. Het is in politiek en sociaal opzicht een krachtig pleidooi voor een constructief democratisch socialisme. Het kapitalisme, waarmee het imperialisme en militarisme nauw verbonden zijn, wordt vanuit het Evangelie als onaanvaardbaar afgewezen. De vrijheid, die het biedt, is een louter formele vrijheid. Ze heeft geen wezenlijke inhoud. De moraai van het kapitalisme is die van Kaïn. Zij is ook Mammonistisch, daar het geld de enige waardemeter is. Wezenlijke democratie met inhoud is in een kapitalistische samenleving een onmogelijkheid. De vrijheid is van groot belang, maar de gerechtigheid moet primair worden gesteld. In Rusland wordt de vrijheid ter wille van de gerechtigheid en daarmee tegelijkertijd de gerechtigheid zelf om hals gebracht, maar in het Westen blijft de vrijheid een lege mogelijkheid, omdat de gerechtigheid haar niet vult.

Nodig zijn concrete daden van gerechtigheid.

Op de vraag: waartoe gerechtigheid, moete we antwoorden: opdat de mens in ware vrijheid ieve en op de vraag: waartoe vrijheid, moeten we antwoorden: opdat de mens in ware gerechtigheid ieven.

Het Westen verdedigt de vrijheid, maar op 2,ulk een wijze, dat de gerechtigheid en daarmee ook de vrijheid om hals wordt gebracht. Strijd denkt daarbij vooral aan de vermilitarisering van het Westen, die zowel in het Westen als in het Oosten de voedingsbodem voor het communisme al meer toebereidt. Alleen een totale democratie kan ons uit het noodlottige dilemma bevrijden. Elk oordeel, dat wij over Rusland uitspreken, zal dan ook allereerst een zelfveroordeling moeten zijn, niet stichtelijk, maar zeer concreet.

Daarom vraagt Strijd onze aandacht voor het ontzaglijk belangrijke vraagstuk van de verhouding van doel en middelen, dat nog maar al te weinig voor ons in het Westen een brandend en benauwend vraagstuk is. Hij zegt te recht, dat in dit opzichtt een onbijbelse eschatologie de christelijke ethiek vermoordt en een duivelse ethiek sanctionneert.

Na de opvatting, dat communisme en nationaal-socialisme in wezen aan elkaar gelijk zijn en in enkele overtuigende bladzijden verworpen te hebben, spreekt ds Strijd ten slotte over de derde weg: een radicaal democratisch socialisme. In naam van dit radicale democratische socialisme verzet Strijd zich tegen het georganiseerde democratische socialisme van onze dagen. De laatste paragraaf, „Onze Opdracht”, wil er ons van overtuigen, dat de theologie een nieuw hoofdstuk over de politieke soterfologie en christelijke zin moet leren schrijven.

Met drie neens en drie ja’s besluit de schrijver.

Hij zegt neen tot het militarisme, het totalitarisme en het Atlantisch Pact met de daarmee verbonden politiek.

Hij zegt ja tot de nieuwe weerbaarheid, het democratisch socialisme en elke poging, die het internationale vertrouwen tracht te wekken.

Wanneer de kerk geen kerk vermag te en op de uitdaging van Sowj et-Rusland niet moedig, zelfstandig, klaar en helder een antwoord geeft, zal het gericht over ons komen. Dat zal hard zijn, maar verdiend: „Zover is het nog niet. Jezus Christus spreekt, allereerst tot de kerk: Och, of gij nog deze dag verstondt, wat tot uW vrede dient.”

Van ganser harte hoop ik, dat velen uit de kring van „Tijd en Taak” dit boek zulled lezen, opdat zij hun tijd en hun taak leren verstaan.

Ik heb al gezegd, dat niemand het niet Strijd eens behoeft te zijn. Maar op de vragen, die hij aan de orde stelt, zal men, indien men zijn antwoord afwijst of onvoldoende vindt, in elk geval antwoord hebben te geven en daarbij zal men rekening moe* ten houden met wat Strijd zegt: Het christendom heeft een eigen woord te spreken over het communisme, een woord, dat nef' gens elders gesproken wordt!

Wij mogen in ons antwoord op de van Imt communisme niet wereldgelijkvof* mig zijn, niet denken en spreken op wijze en naar het schema van de wereld. In een laatste artikel wil ik enkele critisch® opmerkingen over het boek van ds Strijd maken.

J. J. BUSKES Jr-

P.S. „Christendom en Communisme” vah ds Strijd verscheen bij Uitgevers Maat" schappij Holland te Amsterdam, (ƒ7,90)-