is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 33, 19-05-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET ORGELCONCERT

Wij speelden in de orgelpijpen, hadden ons eerst verscholen in de kerk. Ik was het liefst van al het volle werk.

maar dat ligt voor geen dichter voor het grijpen

Dus koos ik het pedaal, maar zij wou zachter

en hoogerop en werd een flüte d'amour. Zoo speelden wij een voorspel, ik liep stoer voorop en zij bedeesd er achter.

Ik hoorde haar het speelterrein verkennen met spitse treden over ’t orgelfront. Ik zag bezonken in het rond,

toen kwam zij eensklaps naar beneden rennen

en naderde tot op een paar octaven. Niet dichter, want zij was een fluit.

Sinds draag ik op de handen haar geluid en speel een forsch koraal boven de graven.

GUILLAUME VAN DER GRAFT

~In Exilio”.

fantasievolle beeldspraak, de sfeer die de dichter weet op te roepen in zijn natuurbeschrijvingen. De problematiek is echter nog zonder diepte. In „Onwillekeurig gebed” richt hij zich tot God, met de in de eerste strofe nogal pretentieuze regel:

„Uw dood breekt door het smalle leven [heen”

maar eindigt met een knipoogje in de richting van de God van het vrijzinnig protestantisme : „U heb ik lief, maar toch, U niet alleen!

Wat ziet Gij steelsgewijs naar mijn [papieren? Het zijn gedichten die ik schreef, niet [grootsch

dat geef ik grif toe, het zijn geen psalmen en kunst is leugen, maar ze zijn mij lief.

Gij zult mij daarom. Heer, toch niet des [doods schuldig verklaren? En dit hier zijn al mijn preken en dit is haar laatste brief.”

Men ziet het: charmant, speels en ontwapenend. En het slot van „Pastorale”

Overal toch ditzelfde; kruiskerken als fossielen, de gemeente verdelgd.

het glas-in-lood ontzield en de gebelgde dood nawerkend in de bijsmaak

van gekalkte gewelven. Verdienstelijk van beeld, goed van klank.

maar men moet die verdelgde gemeente en die gebelgde dood geloof ik niet helemaal au sérieux nemen, het klinkt alleen maar goed.

Wij zijn echter graag bereid onze zwaarwichtigheid wat op zij te zetten, want de auteur was, toen hij dit schreef 26, een leeftijd waarop men meestal gemakkelijk te beïnvloeden is, en het kritisch vermogen nog niet sterk ontwikkeld.

Een belangrijke factor van deze poëzie zijn de woordspelingen die associaties vormen met andere begrippen en dingen. De Vries verwijst deze spelletjes onmiddellijk naar het domein van de vergetelheid. Ik zou dat zo maar niet durven onderschrijven. Heeft ook niet Van Ostayen vaak de speelsheid bedreven en daarmee bijgedragen tot de verrijking van onze literatuur? Men moet echter met het spel ernst maken, en daarvan is men bij déze dichter niet altijd overtuigd.

„Hooglied in het Laagland”, de tweede ontertitel, is een voorbeeld van zo’n woord met een dubbele betekenis. Het is geen bijbels Hooglied, maar een van het lage, d.w.z. aardse en tevens niet-oosterse land. De dichter geeft hierin een aantal aardige m.i. zeer geslaagde liefdesgedichten, waarvan „Het Orgelconcert” wel het best de mogelijkheden van zijn poëzie demonstreert. De auteur vereenzelvigt zich zelf en zijn tegenspeelster met de stemmen van een muziekstuk, en men hoeft maar enig idee te hebben van een kerkorgel om dit liefdesspel te waarderen.

~Het volle werk dat voor geen dichter voor het grijpen ligt” (men denke aan de „greep” van de hand op het orgelklavier)

„het pedaal”, (de donkere tonen, ook van de liefde) „de flüte d’amour”, „het voorspel”, „het speelterrein” en niet te vergeten het forse slotaccoord bewijzen de rijkdom van V. d. Graft’s talent.

„Mythologisch”, de bundel die vier jaar later verschijnt, opent met het gedicht „Het Randschap”.

Ik sta op het uiterste punt, ik sta op de buitenste oever.

Daar is het bestaan veel droever, maar helder en definitief.

Men weet: in dit hemelgewelf

is een scheur en ik schrijf daarvan. En daar troont ergens Parijs

en ginds torent Amsterdam en links is de zee van het land en rechts is het land van de zee

maar ik doe er niet aan mee, ik ben aan het randschap verwant.

Daarmee heeft hij zijn standpunt duidelijk uitgesproken zal men zeggen en in zekere zin kan men een vergelijking treffen met Roland Holst die zich ook een geïsoleerde positie heeft gekozen. Maar bij deze laatste is het een noodzaak, een allesoverheersende drang, aan „het Rijk van Zwijgen” toe te behoren. Van der Graft kiest echter zijn positie uit angst zijn droom te verliezen. De verzen in „Mythologisch” zijn veel gemelijker, veel stroever. Het is of de dichter zijn inspiratie wil dwingen en het maar ten dele gelukt. Meer en meer zoekt hij het in interessante woordspelingen en uitdrukkingen.

De kleur der dagen werd weer ongezond misten verrezen als van voor de schepping:

kleine dagen verdwijnen door kidnapping, het najaar neemt geen blad meer voor de [mond,

het roept steeds openlijker sterven rond reeds nestelde de herfst zich diep in elk

[ding

en ook dit vers ontkomt niet aan

[verwelking, aan de verwelking waar het uit ontstond.

Het slordige rijm van het eerste verwelking demonstreert de gemelijkheid, en de kidnapping is interessant, maar ik ben er niet zeker van of het niet uit rijmnood is geboren. Dergelijke gederailleerde sonnetten kunnen beter niet gedrukt worden.

Hier en daar tracht hij een greep te doen naar „het volle werk”, maar blijft nog veel hangen in de onbestemdheid van het niemandsland dat hij zich tot verblijf koos. Als het geloof op de proppen komt is het niet een allesoverheersend, alles in een nieuw licht stellend geloof, maar een element, een deel van hemzelf, zoals ook de liefde een deel is en het ervaren van de natuur.

Daarom heeft deze poëzie niet de van grootsheid. De haat jegens de „TiJd van leven” is niet overtuigend.

„Ik haat mijn tijd

om de blikverpakking der sterren, de frigidaire der vrede,

want mijn tijd heeft geen eigen gelaat en geen eigen geluid.

zij heeft het oog van een naald (en wie zal er doorgaan het Koninkrijk iii’ het oor hoort niet meer bij haar

(zij leende het aan zich zelf) en de stem van de waterval, karakter werd cataract.

Want ik haat mijn tijd en ik beid mijn haat.

Haat is iets laaiends, het is een verzeng®’^^