is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 35, 02-06-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Enkele critische opmerkingen bij het boek van Ds Strijd

In ons laatste artikel over het boek van ds Strijd willen wij enkele critische opmerkingen maken.

1. Ds Strijd kiest voor een radicaal-democratisch socialisme, maar ter wille van dit radicaal-democratisch socialisme wijst hij het georganiseerde democratische socialisme van onze tijd af en stelt hij zich dus buiten partijverband. Ik deel zijn bezwaren tegen de tegenwoordige socialistische beweging: zij is te weinig revolutionnair, te weinig rood, te weinig radicaal en zij is ook te veel vermilitariseerd. Maar ik heb mij niet buiten het partijverband gesteld, omdat ik meen, dat wij buiten de feitelijke socialistische beweging politiek op dood spoor staan. Ik weet natuurlijk heel goed, dat het blijven in een beweging, tegen welke men grote bezwaren heeft, spanningen met zich meebrengt, die soms bijna niet te dragen zijn. Bovendien is het gevaar van onwaarachtigheid groot. Men draagt verantwoordelijkheid voor heel veel, waarvoor men de verantwoordelijkheid eigenlijk niet dragen kan. Maar uittreden bevredigt mij evenmin. Wat kan men dan in politiek opzicht nog doen?

Ik had wel graag gewild, dat Strijd op de vragen, die hier liggen, wat meer concreet antwoord had gegeven. Ik heb het gevoel, dat hij ons in dit opzicht in de kou laat staan en dat verwondert mij niet, omdat hij in dit opzicht zelf in de kou staat.

Ds F. Kuiper heeft in een bespreking van Strijds boek gezegd, dat de schrijver zich wat te veel aan de kant van profeten en apostelen stelt en zich niet genoeg in eenvoudige solidariteit met mensen en volken van onze tijd verbonden weet. Politiek is een zeer zakelijke aangelegenheid en niet een profetisch bedrijf, ook al moeten wij met ons profetische getuigenis achter deze zakelijke politiek staan. Dit betekent voor mij in elk geval, dat wij, wanneer wij ons bezighouden met de problemen van de practische politiek, zowel nationaal als internationaal, uitermate sober en zakelijk moeten spreken, soberder en zakelijker dan Strijd het doet. Ik duid hiermee de problemen, die hier liggen, slechts aan. Strijd zit er mee en komt er niet uit, evenmin als ik. Het zou mij veel waard zijn geweest, indien hij op deze problemen wat uitvoeriger was ingegaan.

2. De kerk leeft uit het heil, haar in Jezus Christus geschonken. Tot de opdracht van de kerk behoort het, dit heil ook te verkondigen over de politieke situatie. De theologie zal een nieuw hoofdstuk over de politieke soteriologie moeten leren schrijven. Aldus Strijd.

Wanneer hij daarmee bedoelt, dat de kerk zich moet afvragen, wat het ons geschonken heil voor de politiek betekent, kan ik met hem accoord gaan, maar wanneer hij bedoelt, dat wij een politieke leer over het heil nodig hebben, begrijp ik niet goed wat dit betekent, evenmin als mij duidelijk is geworden, wat Strijd in dezelfde paragraaf zegt, dat wij zullen moeten leren, het sacrament met de politiek in contact te brengen. Wat is dat, een politiek van uit het sacrament? Strijd spreekt over de noodzakelijkheid van het stichten van kleine christelijke gemeenschappen als antwoord op de uitdaging van het Communisme. Ik versta, dat dit met het heil en het avondmaal alles te maken heeft. Het gaat immers om het in het leven roepen van een christelijke communie, een christelijke gemeenschap. Ik vraag mij ecliter af, wat deze

christelijke gemeenschap, die in de volle zin van het woord een gemeenschap in geloof, hoop en liefde zal hebben te zijn, met de politiek te maken heeft. Zo’n gemeenschap is een christelijk eilandje in een niet christelijke wereldzee.

Wanneer wij echter over socialisme spreken, is het ons niet te doen om een gemeenschap van christenen, maar om een ordening van het politieke en sociale leven van de gehele wereld, christelijk en niet- christelijk. Deze ordening van het wereldleven ligt niet in de sfeer van geloof, hoop en liefde, maar in die van het recht. Een wezenlijke vorming van een christelijke communie, een opbouw van de gemeente van Christus, zal voor de wereld veel betekenen, maar Strijd wekt de suggestie, dat deze socialistische ordening in het verlengde ligt van een christelijk communie. Hij spreekt over het komen tot een christelijker samenleving. Met de positivus christelijk weet ik in dit verband al geen weg, laat staan met de comparativus. Het gaat m.i. niet om een christelijke ordening van het wereldleven dat is m.i. een utopie maar om de goede en juiste, dat wil zeggen de zeer relatieve ordening van het wereldleven, tenzij voor Strijd goed, juist en christelijk synoniemen zijn, maar dit betekent voor mij een devaluatie van het woord christelijk. Kerk en wereld zijn geen synoniemen. Deze wereld wordt binnen de grenzen van ruimte en tijd nooit Koninkrijk Gods. Dat wordt zij pas, wanneer Christus komt. Ik meen, dat Strijd hier gevaar loopt te overspannen, al weet ik, dat wereld en Koninkrijk Gods door ons al te weinig op elkander betrokken worden.

3. Strijd zegt voortreffelijke dingen over de communistische anthropologie en terecht vraagt hy de aandacht voor het feit, dat het Evangelie niet zozeer de nadruk legt op de verandering van de maatschappij als wel op die van volk en enkeling. Het treft mij, dat Strijd in de regel het woord verandering gebruikt en slechts een heel enkele maal het woord bekering. Ik ben er van overtuigd, dat Strijd bekering bedoelt. Hij spreekt één keer over wezensverandering. Hij zal het woord verandering wel gebruiken, omdat het woord bekering de meeste niet-kerkelijken vreemd is geworden. Toch vraag ik mij af, of deze wisseling van woorden niet ook een accentsverschuiving met zich mee brengt. Bekering is iets anders dan verandering. Strijd spreekt, wanneer hij het over deze dingen heeft, over een ten goede veranderen. Daarin voel ik iets van een verschuiving van het religieuze naar het ethische. Evenzo, wanneer hij zegt, dat er gewerkt moet worden aan de verandering van de mens en van het systeem. Aan de bekering van de mens kan men niet werken.

Ik spreek over deze dingen, omdat ik in Strijd’s boek te veel dit keer in de richting van de Communisten de oproep tot bekering mis. Bekering is terugkeer tot God, algehele overgave aan God. Ik vrees, dat de Communisten in zijn boek te weinig zullen horen, dat het Evangelie ook tot hen komt met de oproep: bekeert u! Daar het vopr Christenen en Communisten beiden geschreven werd, had naar mijn overtuiging de oproep tot bekering veel sterker moeten doorklinken en dat niet in de eerste plaats ter wille van de strijd voor een rechtvaardige maatschappij, maar allereerst ter wille van him persoonlijke zaligheid.

4. En daarmee kom ik tot mijn laatste critische opmerking.

Het gaat in het boek van Strijd om een confrontatie van Christendom en Communisme.

Het Communisme wordt ten voeten uit getekend, maar de tekening van het Christendom schiet m.i. te kort.

Ik ben er van overtuigd, dat dit het gevolg is van het feit, dat Strijd Christen en niet Communist is. Bij zijn tekening van het Communisme veronderstelt hij niets. Bij zijn tekening van het Christendom doet hij dat wel. Dat betreur ïk, juist omdat ik hoop dat zijn boek ook door Communisten gelezen zal worden. Maar ook in wat Strijd wel naar voren brengt in zijn tekening van het Christendom is er een lacune, wil men: een mistekening.

Op blz. 216 zegt hij: In de bijbel wordt niet het heil van de enkele mens centraal gesteld, het centrum van de bijbel is het Rijk Gods en daarin is opgenomen het heil en de redding van de enkele mens. Strijd citeert Ragaz: De bijbel heeft van het begin tot het einde slechts één inhoud: de boodschap van de levende God en het Koninkrijk van zijn gerechtigheid op aarde. Met alle waardering voor Ragaz, aan wie ik heel veel te danken heb, merk ik toch op, dat Ragaz’ definitie op zijn minst eenzijdig is en dat hij daardoor gevaar loopt het Christendom in de sociale sfeer te trekken: broederschap, gerechtigheid, gemeenschap. Ik zou dat uit de geschriften van Ragaz kunnen illustreren, maar dat laat de ruimte van dit artikel niet toe.

Ook Strijd is aan dit gevaar niet ontkomen. Naar mijn overtuiging stelt het Evangelie het heil en de redding van de enkele mens wel degelijk centraal.

Tegenover een individualistisch verwrongen Christendom zullen wij de boodschap van het Godsrijk moeten prediken, maar tegenover het Communisme zullen wij behalve de boodschap van het Godsrijk ook de prediking van de redding en de verlossing van de enkele mens moeten brengen, juist omdat de enkele mens in het communisme bijna geheel uit het gezicht verdwijnt. Ik mis bij Ragaz en ook bij Strijd de op de enkeling betrokken prediking van zonde en genade en van Jezus Christus als de Zaligmaker van zondaren. Er is in het Evangelie de verhouding van God en wereld, maar ook die van God en mens. De laatste verhouding een ik-Gij-verhouding mag niet opgaan in de eerste. Zonder de zeer persoonlijke verhouding van God en mens wordt de boodschap van het Koninkrijk Gods vervlakt en al te gemakkelijk vermoraliseerd.

Ik weet, dat Strijd dit met mij eens is, maar in zijn boek komt het niet voldoende uit, omdat hij te veel als bekend veronderstelt. Ten opzichte van Communisten en Socialisten, ook ten opzichte van vele Humanisten, is deze veronderstelling echter zeer bepaald onjuist. Zij zullen in zijn boek het Evangelie van Jezus Christus niet in zijn volle omvang leren kennen.

Deze vier critische opmerkingen mogen intussen niet in mindering worden gebracht op mijn grote waardering voor het boek, dat Strijd ons gaf. Wij zijn hem voor dit boek zeer dankbaar en wij willen onze dank nogmaals uiten in een zeer hartelijke aanbeveling van zijn studie bij alle lezers van ’Tijd en Taak.

J. J. BUSKES Jr.

„Christendom en Communisme” verscheen bij de Uitg. Mij. Holland te Amsterdam.