is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 35, 02-06-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grootste actualiteit. Nadat wij samen gezocht hebben of deze woorden bijbels verantwoord zijn en ik twijfel er niet aan of dat antwoord zal „ja” luiden kunnen we weer spreken over het al of niet opnemen in een beginselprogram”.

In één van mijn vorige artikelen schreef ik; „Ik heb met het beperkte inzicht, dat ik heb —■ te vragen, door welke politieke en maatschappelijke beschouwingen het recht en de gerechtigheid van ons volk het best worden gediend en verwerkelijkt. Handel ik anders, dan kom ik voor mijn besef in strijd met de verantwoordelijkheid, die ik als Christen tegenover mijn volk heb. Daar doen alle mooie beginselprogramma’s en leuzen niets van af. De vraag C.H.U. of P.v.d.A. wordt voor mij primair daardoor bepaald. Kan ik, wanneer ik de politieke koers en de politieke doelstellingen van deze partijen zie, de verantwoordelijkheid daarvoor door mijn lidmaatschap mee aanvaarden?”

Mr De Jong schrijft naar aanleiding van deze passage: „Met de heer Hulsebosch kan ik iets aanvoelen van het nemen van verantwoordelijkheid binnen de grenzen van zijn partij. De heer H. ziet die primair waar volgens hem recht, en gerechtigheid het meest worden gediend. Toch plaats ik hier een vraag: Waar ligt de grens? Moeten we die pas daar leggen, waar een partijprogram in beslist anti-bijbelse richting gaat, of moeten we al „neen” zeggen zodra het partijprogram ten aanzien van de diepste vragen van leven en maatschappij „neutraal” staat?

De heer Hulsebosch zal het met me eens zijn dat in de sfeer der neutraliteit een stuk weerstandskracht ontbreekt, een stuk overtuigingsmoed, die we juist in onze dagen zo nodig hebben.”

Mr De Jong is het met mij eens, dat factoren als opvoeding, milieu enz. bij de politieke partijkeuze een rol spelen, al meent hij wel, dat deze factoren desniettemin voor de bevmst kiezende mens niet van overwegende betekenis zijn. Twee punten, die heel direct de practische politiek raken, komen in de artikelen van mr De Jong nog aan de orde: de socialisatie en de schoolkwestie. Hij Ls van mening, dat op grond van de artikelen 1 en 3 van het partijprogram van de P.v.d.A. men tot geen andere conclusie kan komen, dan dat socialisatie der voornaamste productiemiddelen tot de essentialia ener socialistische politiek behoort. Op de schoolkwestie gaat hij iets dieper in en ik citeer maar weer letterlijk: „In dit verband bedoel ik met school zonder nadere aanduiding steeds: lagere school. Dat de schoolopleiding en -opvoeding voor het kind van belang is voor zijn gehele leven behoeven we niet te zeggen... Karaktervorming is van meer betekenis dan welke parate kennis ook. Oneindig dieper evenwel... ligt de geestelijk-godsdienstige vorming. De mens... zonder God mist zijn bestemming. Op ons ouderen rust de plicht het kind zijn waarachtige bestemming... te laten vinden.

De vraagstelling nu waartoe we komen is deze: moeten we de school leggen onder beslag van het Evangelie of moeten we haar als „neutraal” terrein beschouwen?... Naar mijn heilige overtuiging is neutraliteit verwerpelijk; slechts dan zijn we verantwoord als we het kind opvoeden onder het licht van de enige ware Blijdschap, zonder overdrijving, zonder dogmatisme, in waarachtige eenvoud... Ik teken hierbij aan dat het van ondergeschikt belang is wat de school – vorm is: staatsschool of bijzondere school. Het kardinale punt is alleen: de school onder beslag van het Evangelie. Met dit standpunt kan ik staan in de C.H.U. Zij staat voor een school in Evangelische zin...

zij strijdt er voor om ook op de staatsschool godsdienstonderwijs te doen geven.

De P.v.d.A. spreekt zich in deze niet positief uit, kan dat ook niet doen krachtens haar samenstelling. Zij erkent wel is waar de fundamentele betekenis van levensbeschouwing en geloofsovertuiging voor opvoeding en onderwijs, gelijkelijk voor het openbaar en bijzonder onderwijs, maar laat het nu aan haar leden individueel over uit te maken hoe die levensbeschouwing en geloofsovertuiging gericht moet worden. Hier ligt nog niet mijn grootste besiwaar. Dit ligt hier dat zelfs de P.C.W.G. geen gemeenschappelijk standpunt heeft opgebracht inzake de schoolkwestie."

Tot zover mr De Jong. Ik heb gemeend hem ruim aan het woord te moeten laten om aan zijn aandeel in ons gesprek ook voor de lezers van T. en T. recht te doen.

Een volgende keer hoop ik over de in dit artikel genoemde punten dan zelf iets te zeggen. J. H.

Huwelijkscrisis

Om de tien dagen, ruw geschat, verschijnt een boek, dat ons haarfijn alles van het huwelijk uitlegt, dat wij weten moeten om bij te zijn. En verder horen wij van echtscheidingen en wij zijn haast zover dat wij ons vreugdevol verbazen, nog niet zover te zijn. En zo onder elkaar, als wij zitten te somberen met onze vrienden, constateren wij, dat het huwelijk in een crisis verkeert. Nu trof mij een aantal artikelen in het voortreffelijke Duitse tijdschrift van de progressieve rooms-kattiolieken Eügen Kogon en Walter Dirks, „Frankfurter Hefte” over deze aangelegenheid en ik vond vooral in de twee artikelen van Rüdiger Proske in de Maart- en Aprilnummers veel, dat ik met grote instemming las. Ik geef u graag er iets van door. Walter Dirks is met de reeks over het huwelijk in het Januarinummer begonnen. Voornaam, indringend, maar met te veel verlangen naar het verleden. Hij zegt veel ware dingen, maar hij heeft te veel wrok tegen de 19de eeuw. Neen, dan stelt Proske de zaak naar mijn gevoel gezonder. Hij begint met een aantal gegevens aan te voeren. Hij geeft feiten en verbanden, zonder afkeurend te fluiten of te juichen. Hij laat zien, dat wij in een crisis verkeren op alle gebied, en dat natuurlijk ook het huwelijk daarin begrepen is. Maar tegelijkertijd toont hij aan, dat het waarlijk niet allemaal zwart is, wat over het moderne huwelijk te zeggen valt en dat men op dit gebied de toekomst met gematigd, optimisme tegemoet kan treden.

Natuurlijk geeft hij feiten. Alleen Ktngsley noemt hij, de Amerikaan, die de geslachtelijke gedragingen van de man in kaart heeft gebracht. Hij vult ze aan met cijfers, waarvan hij de herkomst niet noemt. Daaruit concludeert hij, dat de cijfers voor Duitsland niet veel anders liggen. Ik zeg daar geen ja en geen neen op, want ik acht het niet wezenlijk van belang te weten hoe groot het percentage is van hen, die voorhuwelijkse verhoudingen hebben met meerdere partners. Dat het voorkomt is bekend en de frequentie is niet van beslissende betekenis. Zo is het met meer cijfers. Echtelijke ontrouw schijnt veel

meer voor te komen, dan men in solide kringen schijnt te willen weten en die echtelijke ontrouw, zeggen de cijfers, neemt met het klimmen der jaren af. Voor ons allen een troost. Maar niet veelzeggend.

Er zijn echter een paar verschijnselen, waar ik wat dieper op in wil gaan.

In de eerste plaats: het kindertal. Wie de lijn der statistieken ziet, komt tot de ontdekking, dat, zo ergens, juist hier het verband tussen maatschappij en leven wel uitzonderlijk groot is. Vóór 1800 gingen vier van de vijf geboren kinderen niet trouwen. Zij stierven eerder. Een geslacht, dat zich in stand wilde houden, moest veel kinderen krijgen. Moeders stierven vaak in het kraambed. De vader bleef alleen achter en hertrouwde. Het aantal kinderen in één gezin werd op die manier voor ons gevoel verbijsterend groot. Maar wij werden in alle opzichten hygiënischer. Het is uitzondering, als een moeder in het kraambed sterft. De kindersterfte is zéér gedaald. Een nieuwe maatschappelijke verhouding, een nieuw levensgevoel, een nieuwe aandacht voor de mens vooral maakte dit mogelijk. En nu zien wij overal deze lijn: veel kinderen grote kindersterfte hygiëne grote gezinnen geboortebeperking. Ik zeg: men ziet die lijn overal. Voor en achter het ijzeren gordijn, in protestantse en rooms-katholieke landen, bij boeren en bij arbeiders, bij ambtenaren en intellectuelen. Natuurlijk is er hier en daar verschil. Sommige streken reageren enigszins anders, soms is de lijn flauwer. Maar nergens is het beeld principieel anders. Welnu: deze snelle verandering in gezinsverhouding eist een aanpassing, die niet overal tot stand gekomen is. In deze snelle ontwikkeling liggen gevaren èn mogelijkheden die wij, trage mensen, niet steeds door hebben. Wanneer zoals zo vaak het geval was het huwelijksleven „gerechtvaardigd” was, doordat het de mogelijkheid van kinderen opleverde, dan zal men nu naar een andere „rechtvaardiging” moeten zoeken, nu de mogelijkheden van kinderen krijgen èn te behouden veel groter zijn geworden en de stimulans om véél kinderen te ontvangen bepaald sterk verminderd is.

Een tweede punt: de autoriteit van de vader neemt af. De arme man kan er niet veel aan doen. Hij kan er alleen iets aan doen, in zoverre hij vaak niet bij machte is de oorzaken en de consequenties er van te zien, en daardoor zich slechts kan aanpassen.

Wat is het geval?

Vroeger was de vader de beschermer, de man, die door zijn werk, zijn leiding ook al via zijn maatschappelijke functie een autoriteit genoot, die als vanzelf aanvaard werd. Dat is voorbij, vader is nu de man, die het loon, het tractement thuis brengt. Hij gaat ’s morgens weg, meestal komt hij ’s avonds thuis. Tussen het gezin en het werk is weinig verband meer. Hij is bovendien meestal buitenshuis een klein manneke. Grote mannen zijn er niet zo veel, of het moest generaal Kruis zijn. Het kleine manneke moet zich buitenshuis voegen naar allerlei autoriteiten. En nu zal hij, wanneer hij erg veel opheeft met de traditie, toch een stukje autoriteit bewaren binnen zijn woning. Maar dat is meestal show. Wanneer de autoriteit niet