is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 35, 02-06-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het Franse landschap

Op de schilderijententoonstelling van Poussin tot Cézanne in het Rijksmuseum te Amsterdam, schrijft de inrichter van deze tentoonstelling, M. Pernard Dorival in de catalogus 0.a.: Poussin is onze Bach, Watteau onze Mozart. Wanneer wij deze lijn doortrekken, treft ons zeker een sterk verband tussen de Franse impressionistische schilders en Claude Debussy, want voor dat tijdvak zal men geen componist vinden, die een treffender samenklank met de beeldende kunst kan opbrengen.

N. POUSSIN: ORPHEUS EN EURYDICE

Bij een eerste, wat vluchtige rondgang langs de geëxposeerde doeken, krijgt men een uitstekend overzicht van de ontwikkelingsgang van het landschap in de Franse schilderkunst.

Van de magistrale schilderijen van Nicolas Poussin 1594—1665 en Claude Lorrain, gaat het over de lyrische werken van Watteau 1684—1721 en Fragonard 1732— 1805 en een neo-klassicisme van Robert en Vernet naar Corot 1796—1875 enerzijds en de school van Barbison, Th. Rousseau en Dupré anderzijds, naar Miliet en Courbet, om daar uit te lopen op de impressionisten van het laatste gedeelte der vorige eeuw. Gaan wij nu bij een tweede rondgang tot aandachtiger beschouwing over, dan valt in de grote zaal een groot doek op, nl. de „Triomf van de winter”, van A. Caron 1520—’93. Dit doek draagt nog duidelijk de sporen van gebondenheid aan muur, gobelin, enz. en is nog niet gekomen tot het vrije schilderij. Dit ervaren wij bij de vol-

dragen schilderijen van Poussin en Lorrain. Bij Poussin valt in zijn werk een sterke compositaire opbouw waar te nemen, Lorrain is hierin vrijer. Als kinderen van hun tijd, bij Poussin sterker, bij Lorrain minder, stofferen zij hun landschappen met mythologische voorstellingen. Beiden zijn echter schilders van groot formaat, die de glorie betekenen van de 17e-eeuwse schilderkunst in Frankrijk. Verder treft ons nog een mooi blond landschap, breed ' en toch teer geschilderd van Bourdon, in wie we een voorloper van Corot kunnen zien en een landschap met bijbelse voorstelling van La Hyre, dat ons met de latere Ingres verbindt. Prachtig van licht en donker en van een directe werking, zijn de sepiatekeningen in de kleine zaal. Opvallend soms, hoe in de summiere opzet van een schets, reeds de complete conceptie van het schilderij besloten ligt.

In de 18e eeuw veranderde het Franse landschap met zijn figuratie in de schilderkunst van allure. Werd in de vorige eeuw de mens als een zelfstandigheid met eigen handelingen daarin geplaatst, hier wordt hij tussen het struweel en tegen het hoog opgaand geboomte feestelijk opgenomen in de landelijke sfeer. Een mooi voorbeeld hiervan is naast het werk van Watteau en ook van Pater, „Feest te St Cloud” van Fragonard. Een lijn uit de vorige eeuw wordt ook nog voortgezet o.a. door Vernet in zijn „Porte San Angelo” te Rome, die in de 19e eeuw bij Corot haar hoogtepunt zal bereiken.

In tegenstelling met de charme van de 18e eeuw heeft de 19e een fors aanzien. Hierbij denken we in de eerste plaats aan Courbet. Het grote doek met vee en de beide zeegezichten zijn realistisch gezien en maken indruk door de sterke en rake

van binnen uit komt, niet wezenlijk is, dan komt al gauw het ogenblik, dat de kinderen de situatie door hebben. Wég is de blikken autoriteit van de vader. Hij wordt nu voor andere eisen gesteld dan waartoe zijn fantasie reikt. Het zal op innerlijk gezag aankomen. Maar daar is hij zoon vaak van een trotse moeder, die hem opleidde tot „held” niet op voorbereid. De vrouw heeft dat natuurlijk óók door. Haar liefde stelt haar in staat die autoriteit, waar ook zij (maar dan anders) behoefte aan heeft, te ontwikkelen óf zij neemt zelf de teugels in handen. Ook al is de verhouding vaak als die tussen vorst en regering in een parlementaire democratie: de koning is het symbool, maar de regering (de vrouw dus) draagt de verantwoordelijkheid.

Dat aan het wegvallen van de in de maatschappelijke verhoudingen gegronde autoriteit van de vader problemen voor het huwelijksleven zitten, is duidelijk voor wie om zich heen kijkt. En dat die autoriteit niet hersteld wordt door de vrouw uit de beroepen te jagen (in Engeland waren in 1948 26 % van alle werkende vrouwen getrouwd!) en dat wij moeten vragen hoe wij dat, gezien de nieuwe situatie, nu moeten oplossen, zonder conservatieve neigingen (conservatisme biedt immers steeds de makkelijkste oplossing voor domme mensen, maar rijdt de zaak op den duur in de soep) is ook duidelijk.

Zo komen wij, als derde punt, aan de rol

van het gezin in de opvoeding. Een feit is, dat 95 % van de gestrafte kinderen uit geschonden gezinnen komt. H. T. de Graaf placht te zeggen, dat democratie een zaak van opvoeding is, en hij voegde er aan toe, dat wij er niet zo heel veel tijd meer voor hebben. Deze opvoeding kan slechts plaats vinden in het algemeen in het gezin. In het goede gezin. In het gezin, waar man en vrouw gelukkig met elkander zijn. Maar dat wil niet zeggen: in het gezin, dat was, zoals men zich de zaak in het verleden droomde.

In het verleden immers kende men de grote familie. Drie, vier geslachten woonden te zamen, vormden althans één verband. En hadden hun rangorde van gezag. Daarin werden de kinderen opgevoed. Evengoed door grootmoeder als door moeder. En de tantes hielpen mee. Deze grote familie is bezig te verdwijnen. Men kan het betreuren, dat de wijdere familieverbanden losser worden (gelijk ik bepaaldelijk doe) maar wij moeten aanvaarden, dat wie over gezin spreekt, het alleen heeft over dat eilandje dat bestaat uit man, vrouw en (statistisch dan) 2,5 kind. Dat gezin zal er dus anders uit gaan zien. Maar wij moeten ook willen, dat het er anders uitziet. Wij moeten geen illusies ophouden. Wij moeten niet net doen, alsof wij niet in 1951 leven. Het gezin heeft zijn onvervangbare functie: de geborgenheid, de school voor sociaal gedrag, de plaats waar

liefde ontdekt kan worden èn zorg èn hiërarchie. Maar dat gezin moet nu weten, dat het kind niet alleen dadr opgroeit. Dat er school, buurt, fabriek enz. is. En jeugdbeweging of clubhuis. Wil dat gezin nu waarlijk aan zijn nieuwe functie voldoen, dan komt alles er op aan, dat vader en moeder elkander werkelijk liefhebben. Dat hun levens inderdaad op goede wijze met elkander verstrengeld zijn. In sexueel, erotisch opzicht, karakter, denken en handelen. Het gevaar bestaat, dat op dit ogenblik een over-accentuering van het sexuele leven de verhouding scheef trekt. Begrijpelijk, nu wij uit een periode komen, waarin het sexuele leven het daglicht niet kon verdragen. De oververhitte erotiek (zegt Walter Dirks) is óók een gevaar. Dat ontloopt men alweer niet, door conservatief te zijn en dus te zwijgen of geen aandacht er aan te besteden. De situatie vroeger was op dit punt bepaald ongunstiger dan thans. Men ontkomt alleen aan het gevaar, wanneer men het huwelijksleven in zijn totaliteit ziet en weet, dat alles met alles samenhangt.

Zo maakte ik nu enige opmerkingen. Men kan vragen: waar blijft nu in dit verhaal, dat duidelijk socialistisch van aanpak is, het bijbelse gezichtspunt. Ik meen dat het er in ligt, al wordt het niet met zoveel woorden gezegd. Misschien kom ik op dat gezichtspunt binnenkort terug. L. H. R.