is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 36, 09-06-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Perzen derhalve in beginsel het gelijk aan hun kant hebben. Een vorige maal hebben wij reeds betoogd, dat inderdaad dit verdrag, dat een deel van de Perzische souvereiniteit opgaf, zeer bedenkelijk is, en nauwelijks bindend geacht kan worden voor de Iraanse regering.

De grote moeilijkheid was, dat premier Mossadecq wel met vertegenwoordigers van de oliemaatschappij wilde onderhandelen, als ten minste de nationalisatie als onvermijdelijk werd aanvaard, maar niet met de Engelse regering zelf. Truman nu is met het voorstel gekomen om in de delegatie van de oliemaatschappij vertegenwoordigers van de Britse regering op te nemen. Dat kan, omdat de Britse staat meer dan de helft der aandelen in handen heeft. Op deze basis kan nu blijkbaar verder worden onderhandeld.

Dit Amerikaanse ingrijpen is uiterst belangrijk geweest, temeer daar de Amerikanen tevens materiële steun aan Perzië hebben toegezegd. Door het wegvallen van

de olie-inkomsten der laatste weken was de Perzische schatkist in een deplorabele staat geraakt. De oliemaatschappij had haar betalingen gestaakt en de Engelsen voelden niets voor steun op andere wijze. Het gevolg hiervan was, dat de positie van de regering met de dag labieler werd. Het gevaar van een communistische staatsgreep was niet denkbeeldig.

Doorslaggevend schijnt voor het Amerikaanse optreden het strategische aspect geweest te zijn. Men heeft eindelijk voldoende oog gekregen voor de unieke strategische positie die Perzië op het ogenblik inneemt. Enerzijds zou door een omwenteling in Perzië Turkije, de Westerse hoeksteen in dit deel van de wereld, verzwakt worden; anderzijds zou India, dat door de Chinese bezetting van Tibeth een nieuwe bedreiging heeft gekregen, ook nog in het Westen gevaar gaan lopen.

De prijs die voor de Perzische olie betaald moet worden, zal hoog zijn, maar is gering tegenover het alternatieve verlies.

H. VAN VEEN

Jongeren in internationaal verband

Al hebben we in de afgelopen maand al voor de vijfde keer de bevrijding herdacht, toch gaat het gesprek van de ouderen onder de jongeren nog meer dan eens terug naar de onderduiktijd. Dan komt vaak dat complex van gevoelens weer boven dat ons destijds beheerste en dat op velen van ons voor de rest van het leven zijn stempel heeft gedrukt. Dan denken we terug aan onze onderduikkamertjes en aan de bromen knettergeluiden van de listig verborgen radio, waartussendoor we flarden van „nieuws” trachtten op te vangen. Nieuws van de slagvelden in Afrika en Azië, in Rusland en Europa; nieuws uit de Verenigde Staten, uit Indonesië, uit Duitsland en de Oeral. Zelden zullen mensen het nieuws zo „opzuigen” als wij destijds deden, want wij wisten dat ons persoonlijk levenslot heel nauw met die berichten uit de hele wereld samenhing, wij voelden een sterk verband tussen de gebeurtenissen op Luzon en onze eigen levensmogelijkheid. Dikwijls onbewust en onder sterke drang der omstandigheden werden we meer internationalist dan we ooit hadden gedacht te kunnen worden in de afgeslotenheid van het onderduikersbestaan. En toen het eindelijk zover was, dat we weer vrij waren en dank brachten aan onze bevrijders, was het een jonge Pool, een Brit of een Canadees, die we de hand drukten.

Het algemene voelen in de jonge generatie was dat deze internationale gezindheid niet verloren mocht gaan, integendeel, uitgebuit moest worden bij de wederopbouw, die niet

een Nederlandse maar een wereldaangelegenheid was.

Het was dan ook al spoedig in November 1945, toen in Londen de eerste wereldjeugdconferentie bijeengeroepen werd. Reeds tijdens de oorlog was in San Francisco de World Youth Council gesticht en deze bracht in ’45 in Seymour-Hall zeshonderd vertegenwoordigers van jeugdorganisaties uit 63 landen bijeen. Nederland was er met een delegatie van ruim twintig goed vertegenwoordigd. Het thema van de conferentie was zoals dat bij dergelijke gelegenheden het geval pleegt te zijn nogal breed; de strijd van de jeugd voor een betere wereld en een duurzame vrede; een strijd die, wat deze bijeenkomst betreft, uit moest lopen op de stichting van een wereldjeugdorganisatie. Welnu, die kwam er, al was er enig krakeel over de naam. Dat lijkt op het oog erg kinderachtig, maar dat was het toch beslist niet. De conferentie waarover we van tevoren mede door de slechte verbindingen eigenlijk niets te weten waren gekomen stond sterk onder communistische invloed en de strijd die o.a. de Nederlandse delegatie aanbond tegen de leiding ging om een zuiver begrip van democratie, waarvan men geen nadere omschrijving wenste te geven dan „anti-fascisme”. De Nederlanders vroegen in een met moeite veroverde spreektijd van vijf minuten een concreter inhoud van het begrip democratie. Het resultaat was negatief, wat we trouwens niet anders verwacht hadden. Wij werden uitgescholden voor fascisten en de naam van de nieuwe organisatie werd We-

reld Federatie van Democratische Jeugd. Aanvankelijk leek dit een lichaam van grote betekenis te zullen worden; er waren vele millioenen jongeren in vertegenwoordigd. Toen de communistische instelling echter al te vrijmoedig bleek, trokken veel organisaties zich terug. Thans is het een organisatie, die het voornamelijk moet hebben van de landen achter het ijzeren gordijn.

Nadat voor de westelijke landen dit contactorgaan waardeloos was geworden, werd daar het gemis van een internationaal verband, waarin organisaties van allerlei gezindte konden samenwerken sterk gevoeld. Dit leidde in 1948 tot een nieuwe conferentie, waarvoor ook de Oosteuropese landen waren uitgenodigd, maar waar ze niet verschenen. Deze conferentie had tot resultaat dat in 1949 in Brussel de World Assembly of Youth kon worden opgericht, een internationale federatie van lichamen als de Nederlandse Jeugdgemeenschap. Afzonderlijke organisaties kunnen er slechts door een gezamenlijk nationaal comité tot toetreden, hetgeen in bepaalde opzichten practische voordelen biedt, en waardoor de stabiliteit van de organisatie wordt vergroot. Toen het geval op de been was geholpen dat gaat met meer moeilijkheden gepaard dan men zou vermoeden kwamen de „lopende” problemen al gauw om de hoek kijken, vooral de financiële! De Way heeft zich daardoor echter niet uit het veld laten slaan en goed werk verricht, dat onder meer bestaat uit het verzamelen van goede documentatie in zake jeugdproblemen in de verschillende landen.

Van vele kanten wordt dikwijls de vraag gesteld of dit internationale werk van de jongeren nu zoveel zin heeft, en of het gezien de hoge kosten die er mee gepaard gaan wel „rendabel” is. Het is niet doenlijk om zulke twijfelaars gerust te stellen met een lijst van tastbare resultaten om de eenvoudige reden dat deze er nauwelijks zijn. Toch heeft dit internationale werk grote betekenis, in de eerste plaats al omdat het de mogelijkheid biedt om internationaal te leren denken. Ik weet nog best wat een gekke gewaarwording het bijv. voor mij was toen ik op m’n eerste conferentie mensen hoorde spreken, voor wie „Nederland” niets betekende! En dat terwijl ik toch heus niet een nationaal-romantische opvoeding heb genoten. Wat zitten we in veel opzichten vast in een nationaalbeperkte denkwijze, waarvan we ons pas in den vreemde bewust worden.

Overigens moet men de durf hebben om deze jongerenconferenties ook inderdaad aan dejongeren over te laten. Maar al te veel bestaat vooral in de Westeuropese landen de neiging om dit internationale werk door „ervaren” mensen te laten doen. Ik weet wel dat allerlei factoren, bijv. de talenkwestie, hierbij een rol kunnen spelen, maar het is altijd een trieste vertoning wanneer grijsaards met baarden of dames op leeftijd „de stem van de jeugd” blijken te zijn. En dat komt op zulke conferenties vaker voor dan men denkt! F. WEIDEMA