is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 37, 16-06-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spiegel van een leraarsleven

Ida G. M. Gerhardt, Sonnetten van een Leraar. Van Gorcum en Comp. N.V., Assen 1951.

Men moet deze verzameling verzen van Ida Gerhardt niet allereerst als „poëzie” benaderen. Ze zijn verschenen bij een uitgever die, voorzover mij bekend, meer relatie met het onderwijs heeft dan met de schone letteren, en de prijs is zo laag gehouden dat hij gelijk dat heet voor niemand een bezwaar hoeft te zijn. (Ingenaaid ƒ1,90, gebonden ƒ2,90). Het is een boekje, dat zó uit de practijk van het onderwijs is ontsprongen. De lezers, die Ida Gerhardt er zich het liefste voor denkt, zijn ongetwijfeld haar collega’s-leraren, die in principe dezelfde nood en dezelfde vreugden kennen; en verder m.i. die 'leerlingen en oud-leerlingen van middelbare scholen, die er als levende mensen verkeerd en onder veel onbegrepen rarigheden en narigheden geleden hebben. 'Wil de poëzie-liefhebber over de schouder van een van deze direct-betrokkenen meelezen, nu, dan is hij welkom.

Men heeft in Tijd en Taak vóór de verschijning een vijftal proeven uit deze bundel kunnen aantreffen. Wat mij daarin het meest heeft getroffen is de levensechtheid, en, wanneer het op een waarderingsoordeel aankomt, de indringende raakheid waarmee telkens zo’n kleine scène uit het schoolleven wordt getekend. Bomhoff heeft er van gesproken dat deze bundel „kans had uniek te worden”; ik meen dat hij daar gelijk in heeft. De Sonnetten van een Leraar zijn m.i., ondanks de individuele beperktheid die hun natuurlijk aankleeft (iemand van een ander vak of een andere persoonlijke structuur zou de accenten weer anders hebben gelegd), onvervangbaar als bijdrage tot de wérkelijke kennis van binnenuit! van de middelbare school. Ik kan niet nalaten hier te wijzen bijv. op het meesterlijke „Nederlaag”: niet meesterlijk als poëzie, maar wel om die in veertien regels een keer of twaalf omkantelende stemming van de leraar, die steeds niet het woord weet te vinden waarmee het verbroken contact met zijn klas kan worden hersteld. Ik heb zelf als leerling, en korte tijd ook wel als docent, de middelbare school gekend: mijn indruk is dat deze verzen steeds maar weer dingen onthullen die je niet helemaal nieuw zijn, die je eigenlijk wel wist, maar die je nooit met deze scherpte bewust waren geworden. Omdat je ze, jong en onervaren, nog niet zo kón zien, en ten dele ook omdat je niet durfde. Ik hoop wel van harte dat dit boekje bij degenen die het ’t meest aangaat, een stuk verheldering, en daarmee misschien ook een stuk gezondmaking zal brengen.

En nu langs de achterdeur tóch nog de poëzie. Ik voor mij ben niet van mening, dat deze verzameling, 19 perfect gebouwde sonnetten en vier „liedjes”, in zijn geheel tot het domein van de poëzie hoort. Het zijn psychologisch steeds interessante

en menselijk meermalen aangrijpende documenten, met een voortreffelijke taalbeheersing en soms met veel humor voorgedragen en in de strenge vorm van het sonnet gevat.

Maar a.h.w. ondanks zich zelve wordt dit realisme, dat leeft uit de drift naar waarheid, dat halfslachtigheden wil opruimen, werkelijkheden bij de naam noemen en ruimte maken voor het levende te midden van veel wat allang gestorven is, ondanks zich zelve wordt dit realisme soms tot poëzie. Dat geschiedt iedere keer dó,ar waar, zonder dat de realiteit wordt prijsgegeven, de verbeelding het gedicht beheerst. Daar handhaaft de dichter zich souverein tegenover de worstelende en in zijn menselijkheid steeds bedreigde kleine mens die de leraar is. Daar verschijnt plotseling Pegasus, de inspiratie, in het holle, verveloze „hok”, en voert de verdrietige

kleine zwoeger op zijn sterke vleugels mee. Het openingsvers van de bundel hoort ongetwijfeld tot deze categorie waar Pegasus dlles en de leraar niets aan heeft gedaan. Daartoe reken ik verder de verzen Departement, Werkloosheid, Eindvergadering. Tussenuur; elk van deze sonnetten is, in spijt van een element van bijna programmatische nuchterheid in het constateren en formuleren, telkens weer in een ietwat éindere stijl ontwijfelbaar poëzie, Misschien heeft „Eindvergadering”, het verschrikkelijkste vers van de bundel, zelfs poëtisch het grootste formaat. Alleen, wanneer ik zou moeten kiezen tussen dit helse visioen en het serene, pretentieloze „A. en Q”, dan zij het mij vergund het laatste te kiezen. Het bergt trouwens poëtisch een rijkdom, die de oppervlakkige lezer zéker ontgaat. M. H. 'VAN DER ZEYDE

Karakter

Wanneer ik eenmaal mijn pensioen zal halen en ’t stadje laten, waar ik leraar was,

dan zal, als ze mijn gage uitbetalen, mijn hart zijn overstempeld als een pas.

Het kleinste kind zette er initialen, zijn onuitwisbaar merk iedere klas;

soms tekens, die geen sterveling zal vertalen. „XaQamrjQ”, kinderen, betekent: „kras”.

Het zij zo Maar ik raak in alle staten,

als paedagogen zo hartroerend praten, van wat één leraar aan de kinderen geeft.

Zo God het wil, zet hij in alle klassen zijn stempel mooi of lelijk in de passen:

Maar het is hij, die duizend stempels heeft.

Ida G. M. Gerhardt.

Uit „Sonnetten van een Leraar”

Uitgeverij Van Gorcum en Camp., Assen.