is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 37, 16-06-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

UIT DE ERFENIS VAN HET KOLONIALISME

..

Eerst langzamerhand wordt duidelijk, hoe groot de rekening is, die het Westen voor het negentiende eeuwse kolonialisme moet betalen. Goede wil, materiële hulp noch politiek berouw kunnen de schulden delgen. In enige artikelen zal een overzicht der situatie gegeven worden; een situatie, die meer en meer de kiem van een derde wereldoorlog in zich bergt.

BIRMA, OPEN POORT

De (misschien tijdelijke) successen der V.N.-troepen, die het militaire avontuur der Chinese communisten in dit deel der wereld minder aantrekkelijk maken, werpen de vraag op, of misschien Korea binnenkort door een nieuw brandpunt op het tweede plan zal geraken. Indo-China blijft het toneel van een andere Westers-Aziatische oorlog, maar ook hier heeft de Franse generaal de Lattre de Tassigny reeds voldoende orde op de militaire zaken kunnen steilen om tot een, zij het beperkt, offensief over te gaan. De Vreemdelingen Legionairs, met weinig politieke kieskeurigheid uit de schipbreukelingen van de laatste oorlog bijeengegaard, blijken nog vertrouwd te zijn met hun ellendige handwerk. Onder stevige leiding en met behulp van nieuwe Amerikaanse uitrusting kunnen zij hun militaire positie versterken. Het wil niet zeggen, dat er in Indo-China enige „rust en orde” heerst. Alleen maar, dat de Franse militaire positie weer steviger geworden is, en de enkele werkelijke steunpunten, de grotere steden, behouden kunnen blijven, voorlopig.

De provincie echter is in handen van Ho Chin Mings verzetslieden en kan slechts worden veroverd met een onnoemlijk groter aantal soldaten, aangezien het hart der bewoners nog altijd warm klopt voor „het verzet”, warmer althans dan voor „het kolonialisme”. De regering van Bao Dei heeft het derhalve moeilijk. Ten slotte ziet elke rechtgeaarde Indo-Chinees haar aan voor een marionetten-regering, hetgeen overigens niet ver bezijden de waarheid is. Hier ligt de kern van vele moeilijkheden in deze landen. De politicus, die Westerse steun aanvaardt, wordt landverrader en maakt zich onmogelijk. Hij jaagt zijn volk in de hoek van het verzet, welks leiding maar dat merkt men in nationalistische kring te weinig op meer en meer in handen komt van communisten, die al dan niet te goeder trouw de Russische belangen dienen.

Aanvaardt dezelfde politicus echter de Westerse steun niet, dan wordt het hem onmogelijk een voldoende sterk gezagsapparaat op te bouwen. Hij vindt dan niet practisch zijn gehele volk tegen zich, maar is met het goedwillende, vredelievende gedeelte er van goeddeels overgeleverd aan de terreur van een semi-politiek bendewezen.

Dit is bijvoorbeeld het geval in Birma. Door de betrekkeiijke stabilisatie der vijandelijkheden in dit land, dreigt vergeten te worden, dat daar nochtans sinds jaren een burgeroorlog woedt, enerzijds tussen het staatsapparaat van de progressieve coalitieregering en de opstandige Karens (primitieve stammen uit de grensgebieden), anderzijds tussen de eerstgenoemde en

allerlei gewapende groepen met overwegend communistische sympathieën. Naar schatting van correspondenten is rond de steden slechts een ring van ten hoogste vijf tot zeven kilometer veilig. De spoorweg tussen Rangoon en Mandalay kan niet worden gebruikt. De belangrijke rivierverbinding over de Irrawaddy is slechts bruikbaar als de schepen in convooi varen, hetgeen eens in de veertien dagen geschiedt.

De politieke partijen hebben alle hun relaties met het bendewezen. De regeringspartij, de „Anti-Fascistische Volksbond voor Vrijheid” beschikt over het (zwakke)

leger. Dit is een Balkansituatie, die wij ons niet kunnen voorstellen (ondanks de experimenten van comité’s als „Door de Eeuwen Trouw”).

Het is een blijk van geringe stabiliteit en politieke onrijpheid. Meer of minder sterk treft men dat overal aan in het huidige Zuidoost-Azië. Dat dit zelfs in Birma het geval is, waar de regering geacht de moeilijke omstandigheden o.a. door vérgaande landhervormingen en nationalisatie van de voorheen Britse mijnbouw en handel, belangrijke prestaties heeft geleverd, maakt deze toestand des te opmerkelijker. Duidelijk is dat wordt door het voorbeeld Indo-China bewezen dat een meer steun zoeken bij het Westen niet de moeilijkheden had kunnen verzachten. Het Westen is te gecompromitteerd! Bovendien is de ongebaande politieke activiteit van thans een (niet gelukkig) resultaat van het vrijheidsstreven. Onderdrukking van het nationale gevoel (en dat zou een nauwer Westers oppertoezicht betekend hebben), (Vervolg op pag. 6)

Albrecht Dürer (1471-1528) Portretstudie van een Duitse bouwmeester (1506)