is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 38, 23-06-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Heer behoort de aarde i en haar J volheid. . Psalm 24 ; 1

Jyd en Tnah

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR. EVANGELIE 'EN SOCIALISME

VERSCHIJNT 50 MAAL PER JAAR 49STE JAARGANG VAN „DE BLIJDE WERELD”

Zaterdag 23 Juni 1951 Nr38 Redactie: ds J.J. Buskesjr ds L. H. Ruitenberg dr J. G. Bomhoff

Redactie-Secr.: Roerstraat 48® Amsterdam-Zuid Telefoon 24386 p/a dr J. G. Bomhoflf

Vaste medewerking van prof. dr W. Banning J. Hukebosch H. van Veen dr M. V. d. Voet ds H.J. de Wijs Mej. dr M. H. v. d. Zeyde e.a.

[honnement per jaarJS,— ; halfjaar f 2,15; kwartaalJl,soplus incasso. Losse nrs f 0,15; Postgiro 21876; Gem, giro V 4500; Adm, N.V, De Arbeiderspers, Hekelveld 15, Amsterdam~C; Postbus 800

OVER MENSEN,

DIE HARD WERKEN

In Noordwijkerhout staat een huis, dat onder onze lezers zeker wel enige bekendheid geniet. Ik bedoel „De Vonk”. Het ligt even over de grens van Noordwijk, men moet een half uur lopen van het Lindenplein af, het hart van het dorp, waar het geboortehuis van Henriëtte Roland Holst staat. Men moet ook een half uur lopen om aan zee te komen. Het staat temidden van de bollenvelden, vreemd een beetje in een omgeving, die zichtbaar alleen aan geldverdienen denkt, met haar nuchtere bollenschuren en haar geprepareerde grond.

Op „De Vonk” denkt men niet aan geld verdienen. Men denkt er wel op een bijzondere wijze aan geld maar daarover straks. „De Vonk” ontstond uit het werk van het Leidse Volkshuis. Leiden, dat was: vroege industrie, afschuwelijke woningen, slechte sociale toestanden. Maar het was óók: mej. Knappert, pionierster van Nederland voor het sociale werk. Zij, directrice van het Leidse Volkshuis, zag vér en practisch. De meisjes, die m de stegen verslonsden, in het Volkshuis hun clubs hadden, moesten verder weggebracht worden bij tijd en wijle. Vandaar: „De Vonk”, opgericht door mej. Knappert met steun van een aantal bemiddelde en sociaal-progressieve Leidenaren. Het was het eerste huis van dien aard. Gebouwd in 1918, nadat ze al enige jaren hier en daar tijdelijk onderkomen gekregen had.

Organisatorisch: typisch particulier initiatief. Vertrouwen in de persoon van mej. Knappert. Rondom haar een aantal sympathisanten, die voor het geld zorgden. Geen vereniging, maar werk.

Na mej. Knappert: Hermien van der Heide, die andere vrouw met haar verre visie, haar onbaatzuchtige ijver. Het werk breidde zich uit tot meisjes- en vrouwenwerk in het algemeen. Een huis voor zedelijke en sociale vorming, open, intiem. Het organisatorische vlak bleek te zwak. Het werk groeide innerlijk naar „Barchem” toe. Wie „Barchem” en zijn werkwijze kent, zal zich er niet over verbazen. Zo was het logisch, dat „De Vonk” een deel van het Barchem-werk werd, geleid door een bestuur, dat door Barchem benoemd werd. Mr R. Baelde, die op 15 Augustus 1942 voor

het vuurpeleton in Sint Michelsgestel zijn leven zou eindigen, werd secretaris van de Woodbrookersvereniging en directeur van „De Vonk”.

Na de oorlog kwam het weer in onze handen. Banning was nu voorzitter, mej. W. Bos werd directrice, in haar werk bijgestaan door mej. C. H. Domisse. Twee vrouwen, die hun sporen verdiend hadden in dit werk. Mej. Bos was als kwekeling-metacte omgezwaaid naar het club-, kunst- en volkshuiswerk. Zij deed ervaring op op het achterlijkste deel van het platteland (Jubbega) én in de grauwste buurten van Amsterdam (Kattenburg). Zij leidde vrouwenwerk voor „De Born” en voor verwaarloosde meisjes voor het departement van Sociale Zaken. Mej. Domisse kende eveneens het vrouwenwerk van de SDAP door en door. Samen gingen zij naar „De Vonk”, zetten de lijn dóór en vernieuwden het werk tegelijk. De vernieuwing bestaat hierin, dat „De Vonk” begrepen heeft, dat de benadering van het „massa-kind” waarlijk niet debiel, misdadig of zelfs maar onsociaal slechts zin heeft, wanneer een duurzaam vrijwillig contact in een geëigende sfeer, met zorgvuldig afgewogen lessen en vrijetijdsbesteding, plaats kan vinden.

Dat betekent: neem de meisjes, die van school komen en straks naar de fabriek gaan, of een dienstje krijgen, zes, liefst tien weken op „De Vonk” en leer ze daar alles wat ze nodig hebben: samen-in-verantwoordelijkheid omgaan; „burgerschapskunde”, tuinarbeid, huisarbeid enz. Maar ook: praat met ze. Met de groep én individueel. Laat ze vragen of ze met een jongen naar de bioscoop mogen, of over de hoogte van hun zakgeld. Verder: de ouders moeten er komen. Ze komen er ook allemaal op een Zondag. Als de leidsters al iets weten van de kinderen. De ouders zitten immers met hun dochters, waarover ze al geen gezag meer hebben, die ze niet leiden kunnen en daarom óf verwennen, óf verwaarlozen wat in wezen hetzelfde is.

En nog verder: volgende jaar moeten die meisjes terugkomen. Elk jaar weer, tot ze volwassen zijn. Ze moeten daar, op „De Vonk”, hun biechtkamer, hun steun in wankelmoedigheid vinden.

Zó wordt het werk op „De Vonk” gezien. Breed en diep. En dat werk kan alleen geleid worden door mensen met véél ervaring, véél kennis, véél wijsheid, véél geduld, véél liefde en met een geconcentreerdheid, die schijnbaar alleen vrouwen kunnen opbrengen.

Maar nu komt de narigheid: dit werk, pionierswerk, waarvan iedere deskundige zegt dat het enig is in Nederland en ook in het buitenland aandacht trekt, is belast met financiële zorgen. De leiding tot een minimum beperkt, vanwege de kosten werkt voor een salaris, dat ik niet noem, omdat schaamte mijn inkt rood zou maken, niet werktijden, die alle verordeningen tarten. Zij heeft daarbij de dagelijkse zorg voor het geld. Ek- is ƒ 9.000,- te kort. Want de zaal stond op instorten, de ketel van de centrale verwarming was nu, na ruim 35 jaar, heus óp. En de meisjes betalen ƒ4,- per week. Misschien zouden ze meer kunnen betalen, maar ze doen het niet, dat behoort nu juist bij de levenshouding, die men daar veranderen wil. De Regering subsidieert met 30 %, alsof wie daar werken zich niet voor 200 % geven. Hoe worden tekorten aangezuiverd? Een gift van een instantie, een werkgever die het belang ervan inziet en sociaal gevoelig is, helpt voor één, twee keer. En steeds moet de leiding opnieuw erop uit, vragen, discussiëren, bedelen. Meestal komt ’t in orde. Maar soms niet; zoals op ’t ogenblik.

Ik schrijf dit niet om harten week te maken, al zou ik het mij kunnen voorstellen, dat iemand zegt: voiia. Ik schrijf dit omdat ik naast „De Vonk” al die andere centra zie, clubhuizen, inrichtingen, studiecentra. Daar werken overal mensen hun lange uren, omdat de schrik voor de geestelijke verwording hun om het hart is geslagen; omdat zij weten dat wij politiek en sociaal niets beginnen zonder mensen, die geen vreugde en geen innerlijke orde kennen en die van de liefde alleen weten dat ’t lollig is als je jong bent, maar later een bittere zaak wordt, verzwaard door zorgen. De Regering subsidieert met 30 %. Alsof dit werk niet even wezenlijk bij onze cultuur hoort, haar dient, als het onderwijs dat 100% krijgt. Ons volk parasiteert voor de overige 70 % op de arbeidskracht en de liefde van enkelen, voor wie het soms zwaar is om verder te gaan.

Te veel hangt dit werk nog in de sfeer van de vrije tijdsbesteding van sociale idealisten. In feite is dit werk allang verder: harde, vreugdevolle dienst aan de naaste met de inzet van heel het leven. Het leven van verstand, gevoel en wil.

Wie dit tot zich laat doordringen zal niet nalaten te helpen waar hij kan en niet aflaten te roepen om een sociale cultuurpolitiek, die werkelijk actief is. L. H. R.