is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 38, 23-06-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij een bekroning

Alfred Kossmann, De Nederlaag. Em. Querido’s Uitg. Mij, Amsterdam 1950. ƒ8,90 geb.

Een boek dat De Nederlaag heet, en handelt over het bestaan van de arbeiders-in-Duitsland in de -laatste oorlogsjaren, zou een epos kunnen zijn. Het gegeven van die ontwortelde mensenmassa’s in een vijandelijk land, hunkerend nadr en tegelijk in doodsangst vóór de catastrofe die hun enige redding zal zijn, is immers van een epische grootheid. Het moge om iedervoor-zich kleine mensen gaan, maar de gebeurtenissen zijn van een dergelijk formaat dat het verhaal niettemin groot kan zijn. Alleen, om dat epos te schrijven zou iemand nodig zijn met een forse, synthetische visie en een krachtig (en waarschijnlijk ook gerijpt) kunstenaarschap. Men kan tegen dezelfde achtergrond natuurlijk ook een roman plaatsen. Maar ook dat lijkt mij niet makkelijk. Kiest men zich een enkele hoofdpersoon, dan wordt de samenhang tussen diens naar artistieke normen zich voltrekkend lotgeval en de historische achtergrond licht wat willekeurig. Richt men zijn aandacht op een aantal verschillende representanten van de soort, dan wordt het nog moeilijker de samenhang en het innerlijk verband in het boek te bewaren.

Wat de jonge schrijver Alfred Kossmann gemaakt heeft van zijn, onmiskenbaar authentieke, ervaringen is dan ook iets anders. Het heeft iets van een kroniek in zijn geduldig, nuchter en min of meer neutraal opsommen van gebeurtenissen, iets van een reportage is zijn waakse belangstelling voor het sprekende, pittoreske detail. Het heeft óók wel iets van een roman (zo heet het trouwens op de titelpagina), en ten slotte bevat het waardevolle elementen van een sociaal-psychologische studie.

Het boek is, nu ik dit schrijf, voorgedragen voor de Van der Hoogtprijs, en zal als dit artikeltje verschijnt zijn bekroning wel gekregen hebben. De commissie heeft daarbij wèl zorg gedragen te onderstrepen, dat de Van der Hoogtprijs naar zijn bedoeling een aanmoedigingsprijs is; d.w.z. men kan hem eerlijk verdiend hebben, zonder nochtans een meesterwerk te hebben geschapen.

Ik vind De Nederlaag zeker geen meesterwerk. Wat de schrijver echter wel heeft gedaan is: een belangrijk onderwerp behandelen op een min of meer pretentieloze wijze, die aangepast is aan zijn krachten. Ik kom er rond voor uit, dat deze 330 compres bedrukte bladzijden nogal veel van mijn geduld vragen, en dat ik niet spoedig iemand zou aanraden, 8,90 neer te tellen om zich in het bezit te stellen van deze roman. Maar er is veel in, dat overtuigend en zelfs suggestief beschreven is, en noch de personen noch de situaties worden eigenlijk ooit ongeloofwaardig. Het hoofdstuk over het nachtelijk werken aan de spoorlijn is bijvoorbeeld uitstekend; er is kou, vermoeienis, wrevel, een snauwende en ook wel stompende mof, maar er is eigenlijk niets zo heel erg dramatisch, en toch maakt het indruk. De figuur van Bill, de man met leidersaspiraties, enige uiterlijke beschaving en een volkomen afwezigheid van karakter, is zorgvuldig en volhardend geobserveerd. De geschiedenis van de luchtaanval op Frankfurt, waarbij het meisje Charlotte omkomt, is opmerkelijk door de licht-ironische typering van het gedrag der verschiliende vrouwen.

waarbij deernis met de hulpeloze slachtoffers, die stuk voor stuk menen het zo

verstandig in te pikken, verzwegen maar voortdurend voelbaar aanwezig is. Wat mij persoonlijk in dit boek het meest heeft „gedaan”? Ik geloof niet de litteraire verdiensten, ai ontken ik niet dat die er wel zijn, en ook niet de schildering van nog zo kort geleden massale ellende, maar vooral wat men zou kunnen noemen het verval van de samenlevingsvormen onder ongunstige omstandigheden. Reeds wanneer de opgepakte mannen in de trein zitten met bestemming-Duitsland, is hun conversatie in het aangezicht van wat er gebeurt ontstellend van onbenulligheid en gebrek aan stijl. Niet zodra arriveren zij in een kamp of zij leggen zich toe op ongemanierdheid en het gebruik van vieze woorden. Slordigheid en vadsigheid leiden in no time tot vervuiling. Bedelen (met een goed Rotterdams woord heet dat hier „bietsen”) wordt tot gappen en straatschenderij. Naarmate het boek vordert wordt vulgair egoisme tot corruptie en verraad, gebrek aan zelftucht tot sexuele verwildering. Van een taal is langzamerhand niets meer over. Die bestaat tussen landgenoten uit „Hou je rotsmoel” en dergelijke, tussen mensen van verschillende nationaliteit gelden stompen, gebaren, internationaal verstaanbare vloeken, en woorden als „Nix”, „kaputt”, „Bomben”. Wanneer in de commissie, die het boek voor bekroning voordraagt, iemand „een positief strijdbare romanfiguur en een op de achtergrond van het vertellen zich openbarende eigen kritische keuze” heeft gemist, dan lijkt mij dat een vrij aanvechtbaar standpunt. Het lijkt er op dat men van de schrijver een held in de ouderwetse zin. een „mooie rol” en een tendenz zou verlangen, en daardoor zou het boek moreel niet aanvaardbaarder maar alleen minder eerlijk worden. Maar is het nu werkelijk zo, dat onder druk alleen een nivelleringnaar-beneden optreedt? Van de degenererende invloeden in zo’n brok samenleving zijn wij overtuigd; maar werken er dan ook niet ergens regenererende krachten? De sporen daarvan ontbreken in dit boek vrijwel volledig. Dat hoeft geen aanleiding tot verwijten te zijn, maar objectief zie ik het toch wel als een getuigenis van armoede.

M. H. VAN DER ZEYDE

Woord en wederwoord

Met grote belangstelling heb ik de bespreking gelezen, die uw medewerker J. G. B. aan mijn te Delfzijl gehouden rede over mogelijkheden en taak van de derde macht, heeft gewijd (vergelijk T. en T. 26 V). Ik stel deze uitvoerige bespreking zeer op prijs, omdat zij tot verheldering van inzicht ook aan mijn zijde kan bijdragen.

Het is mij duidelijk geworden, ook door een soortgelijke reactie in „Doorbraak” (Juni-aflevering), dat mijn inzicht, dat de idee der democratie ook bij de F. V. d. A. niet volledig veilig zou zijn, u heeft gegriefd. Ik stel er daarom prijs op deze bewering mijnerzijds nog nader toe te lichten.

Aan het liberalisme heb ik de inhoud gegeven, dat het streeft naar de ontwikkeling van de zelfstandige menselijke persoonlijkheid op geestelijk, politiek en maatschappelijk gebied, ik meen, dat wij ten aanzien van de beide eerste gebieden niet verschillen en dat de F. v. d. A. daar dezelfde beginselen huldigt als de V.V.D. Onze wegen lopen evenwel uiteen, wanneer het liberalisme stelt, dat deze menselijke persoonlijkheid haar bestaansverantwoordelijkheid moet beleven door zoveel mogelijk zichzelf te helpen en door zo weinig mogelijk een beroep te doen op de staatsmacht. Ik weet zeer wel, dat in de practijk van het regeren de tegenstellingen dikwijls zeer afgezwakt worden, maar in beginsel meen ik het toch zo te mogen zien. Het is nu mijn mening, dat de grote taak, die in het socialisme aar. de staat wordt toebedeeld om de individu bestaanszekerheid en welvaart te garanderen, op zichzelf een bedreiging inhoudt voor de democratie. Om dit toch te kunnen doen moet de staatsapparatuur zeer worden uitgebreid en moet zij zich met

alles en nog wat bemoeien. Door deze sterke uitbreiding wordt zij een macht op zich zelf, welke door de organen der democratie heei moeiiijk meer te beheersen valt. Zonder dat wij het wiiien kan daardoor een met grote ordeningsverantwoordeiijkheid belaste staat gaan uitgroeien tot een totalitaire staat, welke niet meer democratisch is. De vrees, die ik nu koester, is dat wanneer het sociaiisme geconfronteerd wordt met deze werkelijkheid en tot de conclusie zai moeten komen, dat het zai moeten kiezen of de ordenende en regelende staat, of de democratie, het dan te zeer aan het eerste gebonden is om er zonder meer afstand van te kunnen doen.

Dit is in het kort de reden, waarom ik niet voiiedig gerust ben op de houding van het socialisme en ik meen de P. v. d. A. nog altijd ais een socialistische partij te moeten zien ten opzichte van de democratie.

Ik erken gaarne, dat ik in Deifzijl mijn steiling te veel uit het verleden heb opgebouwd en dat er daardoor wrevel is ontstaan, omdat u terecht meent, dat u niet aitijd op een verleden moet worden beoordeeld. Ik hoop nu zij het zeer beknopt en daardoor misschien nog niet voiledig duidelijk te hebben neergeschreven op grond waarvan ik ook voor de toekomst nog wel gevaren ducht.

Ik meen, dat u mijn lezing toch te veel hebt gezien in het licht van de politieke nering en te weinig er in hebt kunnen iezen het ernstige streven een poiitiek gesprek op te zetten buiten de zo gauw optredende verabsolutering van onze partijbegrippen. Wanneer ik daarin niet geheei geslaagd ben, dan spijt mij dat, daar ik niet de bedoeiing had in deze sfeer bewust naar de ene kant vriendelijk en naar de andere kant onvriendelijk te zijn, doch voor mij zelf zo goed als ik dat kon, naar onpartijdigheid heb gestreefd.

H. D. LOUWES

Lid van de Eerste Kamer

der Staten-Generaai. KORT ANTWOORD

1. Met dankbaarheid wordt goede nota genomen van het feit, dat de Hoogedelgestrenge heer Louwes zijn bewijs van het ondemocratische karakter van de F. v. d. A. uit de geschiedenis intrekt.

2. Over het idee der Derde Macht, hoofdthese van ’s heren Louwes betoog en door ondergetekende als dubbelzinnig en illusoir gekenmerkt, wordt nu geen woord gezegd.

3. Zijn Hoogedelgestrenge zal wel niet verwacht hebben, dat zijn nieuwe bewijsvoering van het ondemocratisch karakter van de F. v. d. A. onweersproken zou blijven.

Laat me er heel in ’t kort dit van zeggen;

a. Het moge de buitenstaander te denken geven, dat waar vroeger van de Sociaal-Democraten gesproken werd, we nu spreken van het Democratisch Socialisme. Daarmee wil duidelijk uitgesproken zijn, dat wij langs democratische weg en met veiligstelling der democratie ons socialistisch ideaal nastreven.

Talloze onderzoekingen en discussies, binnen de Fartij, maar niet in het geheim gehouden, hebben telkens weer tot thema gehad, hoe de menselijke persoonlijkheid met haar eigen verantwoordelijkheid te beschermen tegen het in feite voortschrijdende staatsingrijpen, èn bij de door ons voorgestelde sociale hervormingen. Als voorbeelden noem ik het socialisatie-rapport, en de discussies rondom het boek van Burnham.

Er bestaat ook zo iets als een personalistisch socialisme.

Wat zijn Hoogedelgestrenge dus vreest, is onze eerste zorg bij het bepleiten van socialistische maatschappij-hervorming en zijn vrees is dus overbodig, b. Hoogedelgestrenge heer Louwes, zouden we niet liever, al is het dan helaas geen Nederlandse gewoonte, over de politieke praktijk praten en niet over verheven principen? Het idee van de persoon en van de rechten der persoonlijkheid, de waarde der democratie, het wordt alles zo makkelijk misbruikt door allerlei mensen, wie het, bewust of onbewust, te doen is om anderen te onderdrukken ten voordele van hun kaste of van hun groep. Het gaat er maar om, hoe dit ontegenzeggelijk nobel idee, dat ons socialisten evenzeer ter harte gaat als de leden der V.V.D., in de praktijk verwerkelijkt wordt. En dan kan ik het niet anders zien dan dat telkens, wanneer mijn partijgenoten vanaf het eerste ministerie Drees-Schermerhorn gepoogd hebben de nationale armoede gelijk te verdelen, het uw partij was, die stem gaf aan de malcontenten, die weigeren aan de algemene misère mee te dragen; dat het uw partij was die in haar rangen mensen opleverde, welke een doldriest kolonialisme voorstonden in dit tijdsgewicht.

Hoogedelgestrenge heer Louwes, over de beginselen, door u zo goed uiteengezet, valt te praten. Ze zijn overigens in de grond de onze. Daar ligt de tegensteiling niet! Wat ons in principe gescheiden houdt, is de nuance, dat wij er op uit zijn de maatschappij te bevorderen in de richting van meer sociale gerechtigheid, terwijl u en de uwen gezind zijn de zaken zo veel mogelijk bij het oude te laten, uit angst, dat het nieuwe wel verandering is, maar

(Vervolg op pag. 8)