is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 39, 30-06-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Heer behoort de aarde j en haar l volheid. . Psalm 24 : 1 /

fyd en Tank

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR. EVANGELIE 'EN SOCIALISME

VERSCHIJNT 50 MAAL PER JAAR 49STE JAARGANG VAN „DE BLIJDE WERELD” ’

Zaterdag 30 Juni 1951 Nr39

Redactie: dsJ.J. Buskesjr ds L. H. Ruitenberg dr J. G. Bomhoff Redactie-Secr.: Roerstraat 48“ Amsterdam-Zuid Telefoon 24386 p/a dr J. G. BomhofiT

Vaste medewerking van prof. dr W. Banning J. Hulsebosch H. van Veen drM. V. d. Voet dsH.J.de Wijs Mej. dr M. H. v. d. Zcyde e.a.

inementper jaar f 5,—; halfjaar f 2,75; kwartaal f I,soplus incasso. Losse nrs f 0,15; Postgiro 21876; Gem. giro V 4500; Adm. N.V. De Arbeiderspers, Hekelveld 15, Amsterdam-C; Postbus 800

CHRISTENDOM NO 1, SOCIALISME N0...?

Na Trouw en De Nieuwe Koers komt nu ook nog De Vrijdenker met een uitvoerige beschouwing naar aanleiding van mijn Eén-Mei-artikel.

In de vooroorlogse jaren heeft De Vrijdenker vaak over de verhouding van Christendom en socialisme geschreven en kwam daarbij altijd tot de conclusie, dat deze twee niet verenigbaar zijn: waar het christendom komt, legt het socialisme ’t loodje! Na de oorlog heeft De Vrijdenker aan het probleem niet zoveel aandacht meer geschonken. Misschien, zegt hij, heeft de doorbraak ons zozeer het samengaan van godsdienst en socialisme gewend, dat het begrip voor de tegenstelling is afgestompt. Misschien ook die mogelijkheid oppert Vrijdenker is men van mening, dat de P.v.d.A. zo’n verbasterde nazaat van de S.D.A.P. is, dat het geen zin meer heeft, de discussie te heropenen. En ten slotte ligt een deel van de schuld bij het veel sterker geaccentueerde apolitieke karakter van de vrij denkersbeweging.

Mijn artikel heeft De Vrijdenker echter weer aan het vrije denken over het probleem van christendom en socialisme gezet.

Eerst geeft De Vrijdenker zijn opvatting over het socialisme: een beweging, die de maatschappij zodanig wil omvormen, dat de productiemiddelen geen particuliere eigendom meer zijn, maar aan de gemeenschap behoren, om zo tot een billijke verdeling van de productie te komen en het onderscheid tussen bezittenden en nietbezittenden op te heffen.

Op deze uiteenzetting volgt dan deze zin: dit is een volkomen redelijk gefundeerde maatschappij ordening en iedereen, die zich socialist noemt, moet dit redelijke primair stellen.

Hier spreekt niet de socialist, maar de vrijdenker.

Ik ben er helemaal niet van overtuigd, dat iedere socialist dit redelijke primair moet stellen. En ik weet, dat duizenden met mij er niet van overtuigd zijn en waarlijk niet alleen christenen. Maar de Vrijdenker zegt rustig, dat ieder, die het anders ziet, ook iets anders bedoelt dan socialisme.

Ik ontken natuurlijk niet, dat het socialisme een redelijk gefundeerde maatschappij-ordening is, maar ik begrijp niet, waarom men niet met evenveel recht mag zeggen, dat het een zedelijk gefundeerde

maatschappij-ordening is, en waarom men dit zedelijke bovendien niet van even groot belang mag achten als dit redelijke. De Vrijdenker citeert vervolgens enkele gedeelten uit mijn artikel en concludeert; „Is het nu duidelijk genoeg? Niet het socialisme komt er op aan, maar de godsdienst”. Deze conclusie is zeer bepaald onjuist. De enige juiste conclusie had moeten zijn: omdat het op het socialisme aan komt, daarom komt het op de godsdienst aan, of: omdat het op de godsdienst aan komt, daarom komt het ook op het socialisme aan.

Juist is alleen, dat De Vrijdenker concludeert, dat het geloof in God en niet het socialisme voor een christen het primaire is. Had hij van een christen iets anders kunnen verwachten? Maar juist omdat het geloof in God voor ons het primaire is, juist daarom zijn wij er van overtuigd, dat er van een wezenlijk socialisme niets terecht komt zonder dat geloof in God. De Vrijdenker weet dat ook wel. Twintig jaar geleden, zo zegt hij, was het al niet anders. Toen schreef Banning al, dat het behoorde tot het noodlot van het proletariaat, dat in de negentiende eeuw ongodsdienstig en antigodsdienstig was. De Vrijdenker gelooft niets van dat noodlottige en houdt vol, dat men, om tot het socialisme te komen, eerst het geloof in God moet verliezen, want dat predikt een berusting in Gods wil en Gods wil is, dat er nu eenmaal rijken en armen moeten zijn. Het is mij niet onbekend, dat er christenen waren en zijn, die er zo over denken, maar het is toch wel een beetje erg, dat De Vrijdenker meent op deze wijze het geloof in God te kunnen karakteriseren.

De Vrijdenker doet het en tart ieder socialistisch christen op de vraag, hoe het mogelijk is, dat de kerk door de heidenen geattendeerd moest worden op het immorele karakter van het kapitalisme, een bevredigend antwoord te geven en wijst dan verder op de bekende godsdienstige hoogmoed van de socialistische christenen, die menen de enig ware levensbeschouwing te bezitten en zich zelf als beter beschouwen dan de niet godsdienstige socialisten.

Zoveel uitspraken, zoveel misverstanden. Er is geen sprake van, dat een socialistisch christen zich zelf beter acht dan een niet godsdienstige socialist. Dacht De Vrijdenker nu waarlijk, dat ik mijzelf beter acht

dan mijn vriend Sam de Wolff? Laat hij het eens aan Sam de Wolff vragen!

Wij beweren zelfs niet, dat wij de enig ware levensbeschouwing bezitten. Het geloof in God is voor ons nu eenmaal iets anders dan een levens- en wereldbeschouwing. Het is voor ons geloof in God, niets meer en niets minder. Maar vindt De Vrijdenker het zo vreemd, dat wij inderdaad menen, in dat geloof in God iets van de waarheid gevonden te hebben? Meent De Vrijdenker zelf ook niet in zijn redelijke levens- en wereldbeschouwing iets van de waarheid gevonden te hebben? Of wil hij het pleit voeren voor het relativisme, zodat elke levens- en wereldbeschouwing gelijk recht van bestaan heeft? Is het niet zo, dat, zoals wij in God geloven, De Vrijdenker in de rede gelooft?

Met één ding ben ik het intussen met De Vrijdenker eens. Deze mensen, zo zegt hij, zijn en blijven in de eerste plaats gelovigen, christenen in de eerste plaats, in de tweede plaats, in de derde plaats, tot in de n-de plaats toe.

Niet vriendelijk en niet edel, zelfs niet redelijk, vind ik het, wanneer hij er zo langs zijn neus weg aan toevoegt: wel met sociale bevliegingen, maar christenen! Waarom de sociale overtuiging van Banning een bevlieging moet worden genoemd, is mij niet duidelijk. Zouden wij het samen niet op kunnen brengen, elkaar over en weer serieus te nemen? Maar goed: wij zijn en blijven in de eerste plaats christenen en gelovigen.

Maar geeft dit De Vrijdenker het recht te zeggen: „Het socialisme komt bij hen eigens achteraan, als iets, dat van zelf wel zal komen, als de wereld maar eerst bekeerd is tot het christendom, zoals wij dat opvatten. Dat is geen caricatuur... en zo komen wij nog steeds tot dezelfde conclusie als onze geestverwanten van voor de oorlog: het socialisme legt hierbij het loodje!”?

Ik acht dit zeer bepaald wel een caricatuur. Het is niet redelijk, om te beweren, dat, wanneer het geloof in God voor een mens het primaire is, het socialisme bij die mens ergens achteraan komt. U voelt de bedoeling: het socialisme betekent eigenlijk niets voor die menfe en legt het loodje. Wanneer het geloof in God het primaire is en het socialisme in rangorde dus in de tweede plaats komt, dan is het alleen redelijk om te concluderen, dat er van het socialisme niets terecht komt, wanneer het primaire genegeerd wordt, dat het socialisme het loodje legt, wanneer het on- of antigodsdienstig is.

Ik aanvaard, dat De Vrijdenker het geloof in God een dwaasheid vindt laat hij voortgaan met de bestrijding van het geloof, al verwacht ik van die bestrijding niet zo heel veel; De Vrijdenker mag er wel aan denken, dat de duizenden, die het geloof