is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 40, 07-07-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar juist om de krachten vrij te maken om er, in het licht van het goddelijk gebod, met alle kennis en ernst en toewijding, van te maken wat er door ons mensen van te maken valt.

En het nuchter tegemoettreden van de werkelijkheid vertelt ons niet alleen dat het lijkt alsof de mens de aandrift tot het gebruik van geweld is ingeschapen, maar ook dat deze naar gelang van de omstandigheden sterker of minder sterk werkt. Hoe dikwijls komt in onze gesprekken niet het begrip „uiterste omstandigheden” naar voren? Enkele van de belangrijkste factoren die de mens naar die „uiterste omstandigheden” kunnen voeren, zijn bedreigingen van zijn bestaan: voedselnood, sociale nood, levensonzekerheid door welke oorzaak dan ook. Ik ben er mij van bewust dat de bewapening van de „vijand” aan weerszijden dat gevoel van levensonzekerheid óók doet toenemen, maar zolang wij maar weten dat dit niet de enige en allesbeheersende factor is, zolang we ons op het vraagstuk van het geweld in positieve of afwijzende zin maar niet redeloos blindstaren, zullen we van de demonische cirkelkracht van deze factor bevrijd kunnen blijven. Dan kunnen we blijven zien, dat er voor ons, die hunkeren naar vrede en die er zo graag aan medewerken om hem te bewaren en te bevestigen, binnen ons bereik nog veel is te doen. Op velerlei gebied kunnen wij onze krachten inzetten om aan de sociale, economische en culturele nood van de mensen zulke machtige elementen van het begrip „uiterste omstandigheden” tegemoet te komen, dat wij ons doodeenvoudig niet lam mogen laten slaan door almaar een antwoord te zoeken op de geïsoleerde en daardoor scheef getrokken vraag van geweld of geweldloosheid. Wóó.r wij kunnen moeten wij getuigen van onze wil tot vrede, maar uit het bovenstaande moge blijken dat daartoe vruchtbaarder werkobjecten voorhanden zijn dan het eindeloze praten over fictieve standpunten.

Het is mij niet bekend of de leiding van de Oecumenische Jeugd Raad ook in deze richting heeft gedacht toen zij de opzet besprak van een conferentie voor jongeren over de problemen der herbewapening. Maar het was goed gezien dat zij niet als middelpunt van de conferentie de vraag stelde: wat moet ik als christen doen, geweld aanvaarden of niet? In plaats van over deze uit het verband der levende werkelijkheid gerukte vraag te discussiëren, heeft zij de jongeren juist veeleer tot de werkelijkheid teruggevoerd, door de aandacht te richten naar de grote geestelijke, sociale, economische en culturele problemen van deze tijd. Mevrouw Verwey—Jonker was daarbij een uitstekende gids! In haar inleiding maakte zij duidelijk dat de thans door te voeren herbewapening, die zij aanvaardde met het oog op de „uiterste omstandigheden”, heus niet het eind van alle andere mogelijkheden hoeft te betekenen. Zij wees daarbij op de grote elasticiteit van onze productie-capaciteit, met betrekking waar tot wij over enorme reserves beschikken. En juist deze reserves, waarover wij kunnen beschikken zodra wij werkelijk willen, stellen ons nog tot grootse arbeid aan onze cultuur in staat, waardoor wij enerzijds de uiterste omstandigheden kunnen terugduwen en anderzijds aan de dóórwoekering van de militaire geest (een reëel gevaar bij herbewapening) de kansen ontnemen.

Zij bood de christen-jongeren daarbij een bevrijdend perspectief en alleen al hierom zou men de conferentie een waardevolle gebeurtenis mogen noemen. P. WEIDEMA.

Het tweede Berlijn

Wapenstilstand in Korea

Zo komt er dus ten slotte een eind aan de gevechten in Korea. Gelijk bij het Berlijnse conflict het geval was, heeft Malik de taak gekregen het verzoeningsgebaar te maken. Gebruik makend van de gastvrijheid van een Amerikaanse zender, heeft hij een rede gehouden, vrij mild van karakter, waarin hij de mogelijkheden formuleerde voor een wapenstilstand om „een einde te maken aan de bloedige botsingen”. De beperking tot een militaire wapenstilstand gaf aan, dat de Rus het ditmaal oprecht meende. Hij gaf eindelijk een reële kans aan, zonder tegelijk tal van onvervulbare eisen te stellen. Enkel een staken van het vuren, aan de achtendertigste breedtegraad, maar niet tegelijk terugtrekking van de vreemde troepen of toelating van China tot de V.N. en tot Formosa.

Generaal Ridgway kreeg de opdracht zijn tegenstanders te polsen. Nu is het antwoord binnengekomen, met het gevolg, dat hoogstwaarschijnlijk tussen 10 en 15 Juli de verschillende bevelhebbers, ook die der Chinese „vrijwilligers”, te Kaesong bijeenkomen. Kaesong ligt 65 kilometer ten Noorden van Seoel en was de eerste stad die door de Noord-Koreanen werd bezet. Thans is zij niemandsland.

Ik maakte een vergelijking met Berlijn. Die ligt zeer voor de hand. Al zijn er in de voormalige Duitse hoofdstad geen ernstige gevechten geleverd zoals in Korea (waar alleen al de geallieerden 140.000 man verloren) de conflictaard en de wijze van uitwerking had veel punten van overeenkomst. Opmerkelijk was, dat toen het Berlijnse geschil te dreigend werd, toen de mogelijkheid van een derde wereldoorlog met Berlijn als aanleiding meer en meer naderbij kwam, Malik zijn opdracht van vredestichter uitvoerde. Of liever, de terugtocht mogelijk maakte.

In Korea iets dergelijks. De militaire posities zijn momenteel ongeveer even sterk. Grote verschuivingen zijn slechts mogelijk als er een veel groter strijdmacht wordt ingezet. De Chinezen kunnen de mensen leveren, de Russen ongetwijfeld het materiaal. Maar in dat geval zou een aanval op de bases in Mantsjoerije door de Amerikaanse luchtmacht niet meer te voorkomen zijn. Zo’n aanval zou Rusland tengevolge van zijn verdragen verplichten openlijk aan de strijd deel te nemen. De derde wereldoorlog zou daarmee een feit geworden zijn. En juist daarvoor schrikken de Russen terug; in Berlijn zo goed als thans in Korea. Zij moeten wel veel vertrouwen hebben in de nuchterheid van het Westen, dat zij ook nu weer zulk een gevaarlijk spel hebben durven spelen; een spel waarvan zij dus de uiterste consequentie niet willen aanvaarden, gelukkig.

Wij kunnen er blij mee zijn. Wij kunnen verheugd zijn, dat de slachting in Korea wellicht ten eind geraakt, ook en dat is waarschijnlijk oneindig veel belangrijker dat nog steeds Rusland een derde wereldoorlog niet aandurft.

Er is geen enkele reden om te veronderstellen, dat het nu wel weer pais en vrêe zal worden tussen Oost en West. Stellig niet! Het ligt volkomen voor de hand, dat Rusland moeilijkheden zal blijven veroorzaken.

Het is zelfs geheel niet uitgesloten, dat er elders een nieuw Korea wordt uitgelokt, omdat de situatie in Korea geen mogelijkheden meer bood. De Russische staatslieden hebben voldoende realiteitsbesef om als dat nodig is schoon schip te maken. Dat wil niet zeggen, dat zij hun tactiek veranderen zullen; nog minder, dat zij van hun doel de Westerse wereld zoveel mogelijk te verzwakken en zelf een zo sterk mogelijke positie in te nemen, zullen afzien. Of zij al dan niet rekening houden met een definitieve afrekening op een later tijdstip, in elk geval zullen zij er naar streven om sterk te staan voor het geval die afrekening gev'enst wordt.

Menigmaal is de Russische politiek vergeleken met die van Hitler. Dat is onjuist. Het gevaarlijkste in het beleid van Hitler was de onberekenbaarheid. Het Derde Rijk was in staat tot dolle ondernemingen. Op bepaalde momenten gold zelfs het argument van het voordeel niet meer, was de hysterie niet tegen te houden. Voor Rusland geldt zulks niet. Stalin is niet gek. Hij en zijn medewerkers weten heel goed wat zij doen. Wat belangrijker is, uit de plotselinge wending in zake Korea blijkt, dat zij naar eigen inzicht manoeuvreren kunnen, en niet worden voortgestuwd door een gevaarlijke, critiekloze openbare mening. Het beklemtonen van de uiteindelijke vredeswil in de Russische propaganda, die overigens agressief genoeg is, geeft misschien het geheim er van aan. Met deze tweeslachtige leuzen kunnen de leiders vele kanten uit.

Een ander punt van groot gewicht is, dat Rusland kennelijk zijn overwicht op de satelliet China behouden heeft. In de afgelopen maanden drong meermalen het rumoer door van meningsverschil tussen de Russische en de Chinese leiders. Nog enkele weken geleden ontvouwde de Chinese regering een bewapeningsprogramma om aan de door Korea gestelde eisen te kunnen voldoen, waarover begin 1952 een interimrapport moest worden uitgebracht. China was geheel en al opgenomen in de strijd. Het had weinig redenen om plotseling op te houden. Ten slotte zou een rechtstreeks betrekken van Rusland voor China enkel nuttig zijn geweest. Aanvankelijk aarzelend, later duidelijk, is China echter met de Russische manoeuvre meegegaan. De inzet van de strijd, Formosa en het lidmaatschap der V.N., heeft het laten vallen. Hieruit blijkt, dat de kansen op onmin tussen de beide bondgenoten klein zijn. Een verliespunt voor het Westen, dat China, ook gedurende het Koreaanse conflict, steeds meer naar Rusland heeft gedreven.

Intussen moeten wij de betekenis van de wapenstilstand niet overschatten. Juist omdat de wezenlijke conflictstof zorgvuldig geëlimineerd is, kan men weten, dat ook Rusland de oplossing daarvan als moeilijk, zo niet hopeloos ziet. De resultaten kunnen zijn, dat de openlijke gevechten ten einde raken, maar tegelijk, dat het gevecht om de ■'•rede op ander terrein met kracht wordt voortgezet. Ook, dat Korea zelf, zoals Berlijn, een bron van gevaarlijke onrust blijft. Maar nogmaals, laten wij blij zijn, dat het acute gevaar van een derde wereldoorlog iets meer op de achtergrond is geraakt. H. VAN VEEN