is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 41, 14-07-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het dienstboek is klaar

Men kan nu wel boos zijn over allerlei styleringen van het leven, maar men moet de innerlijke noodzaak er van begrijpen. Het is waar: overal dringt de liturgie zich op. Na een tijd van vrijbuiterigheid. Ik ben daar volstrekt niet altijd gelukkig over, maar wil niet wrokken. Er is geen gymnastiekclub, die zich respecteert, of zij demonstreert in de maat langs ’s heren wegen. Het in-de-maat-lopen schijnt een prettige bezigheid en het getuigt van slechte aanpassing, wanneer men tegen de maat in wil lopen.

Is er zoiets óók gaande met het Dienstboek, dat vorige week in de Hervormde Sjniode is behandeld, héél voorlopig aanvaard en nu in eindredactie is vastgelegd om gebruikt en beschouwd te worden?

Sommige lezers zullen vreemd tegen de gedachte van een dienstboek aankijken. Voorzover religieus-voelend zullen zij alle godsdienstig leven verbinden aan het spontane en het ongeformuleerde. Er zijn duizenden, die zich religieus weten en die bewust de vaagheid aanvaarden, die dit woord omzweeft. Vraagt men hun waarom zij niet méér willen, dan antwoorden zij, dat de goddelijke werkelijkheid zo verheven is, zo onpeilbaar diep, dat mensentaal ontoereikend is en mensenwoorden gevangenissen zijn voor een onuitsprekelijke werkelijkheid. En nu zullen zij, wanneer zij straks naar een hervormde Kerk gaan, een dienstboek mee moeten nemen met orden van dienst, met formulieren zoals dat heet die zij moeten gebruiken, zoals een rooms-katholiek zijn misboek. Waar is het profetische, het persoonlijke, het mystieke, zullen zij vragen? Zij zijn gewend aan een preek in de omlijsting van een lied en gebed. Dat is hun al haast teveel, tenzij dat gebed kort en zéér persoonlijk is en het lied hun levensgevoel onmiddellijk aanspreekt.

Het dienstboek nu vraagt van alle Hervormden zeker, niet met dwangmiddelen, maar voorlopig door het innerlijk gezag dat dat boek zich zelf moet verwerven om in de pas te gaan lopen. Om een zeker vast rhythme te eerbiedigen. Om in de vorm van de dienst een zekere solidariteit met het voorgeslacht uit te drukken en zich verbonden te weten met wat elders op hetzelfde uur geschiedt. Dat hiervan een gemeenschapsvormende kracht uitgaat is zonder meer duidelijk.

Ik begin dus met de zin van het dienstboek als zodanig te aanvaarden. Om verschillende redenen.

In de eerste plaats omdat wij op alle gebieden van het leven orde nodig hebben in het persoonlijk leven en in de gemeenschap. Nu ken ik wel de gevaren van de militaire dril. De dril is in wezen gestolde wanorde, vroegtijdige vormgeving die niet uit het wezen zelf opkomt. De dril van de kazerne en van de ouderwetse school had als tegenhanger de individuele uitspatting. Men kwam daarbij aan orde in het persoonlijk leven niet toe. Zie naar de troep in vrijheid en naar de klas zonder meester. Maar dril wordt met het dienstboek waarlijk niet bedoelt. In de orde van dienst, in de liturgie, poogt een gemeenschap, los van individuele voorkeur, dóór te geven wat gemeenschappelijk geloofsbezit geworden is. Zij doet dat in een zinvol geheel.

De moeilijkheid is, dat dit zin volle geheel slechts duidelijk is voor degeen, die tot die

gemeenschap behoort en de geestelijke bedoeling van het voortschrijden der onderdelen ook begrijpt en innerlijk verwerkt heeft. Op dit punt ontbreekt alles nog, althans in protestants milieu. Een dienstboek heeft op die manier een afsluitende tendens. Het zal de toevallige bezoeker afstoten. Al is het ook denkbaar, dat de toevallige bezoeker aangetrokken wordt door de schoonheid van vormen en gebaren, die overigens in een protestantse eredienst althans—toch wel erg sober zullen blijven. Maar de doorleving van zulk een dienst zal de ingewijde meer geven. En de predikant wordt verlost van de kwelling der lange preken, die hem steeds verleiden mooi te gaan praten of breedsprakig te worden.

Buiten de kerk ziet men heel vaak, en in meerdere mate, de orde van dienst, van samenzijn, eerbiedig gehandhaaft. Ik denk aan een huishoudelijke vergadering van een partij-afdeling. Wie daar oor en oog voor heeft gekregen, hoort en ziet iets, wat hij wekelijks in de kerk meemaakt. Een vast idioom, op ingewijden ingesteld, een in wijdingswoord, de formuliergebeden van de secretaris, als de ingekomen stukken aan de orde zijn; een wisselzang bij de voorstellen, met vaste volgorde. En aan het eind, in de vorm van een collecte, de rondvraag, waarbij ieder het zijne geeft. Afgesloten door de toespraak van de voorzitter. Dat het inderdaad een zaak van ingewijdzijn is, om hier plezier in te hebben en tot de trouwe bezoekers te behoren, blijkt uit het feit, dat in een normale afdeling 10 % van de leden de bijeenkomst bezoekt. Dat percentage is merkwaardig gelijk aan dat van de kerkgang in een normale, in niet al te zware Hervormde middelgrote gemeente...

Alleen, van deze liturgie is geen dienstboek gemaakt. Maar owee, als er van afgeweken wordt. Op de Tesselschadestraat studeert men al jaren op het veranderen van dit ongeschreven dienstboek. Maar ook hier is de traagheid of moet ik conservatisme zeggen? groot.

In de tweede plaats: het dienstboek is er een teken van, dat men tot een zekere eenheid wil komen. Er is voor de oorlog een enquête ingesteld onder vrijzinnige voorgangers om er achter te komen, welke orde van dienst zij gebruikten. Ze hadden er allemaal zélf een gemaakt, naar de traditie van eigen gemeenten, aangevuld met persoonlijke ideeën. Maar het was overal anders. Hoe onrustig dit is voor de bezoeker van buiten, deivacantiegangers, de nieuwingekomenen, laat zich denken. Hoeveel conservatisme en toevallig geëxperimenteer daar achter stak, is niet te beschrijven. Het nieuwe dienstboek vraagt in ieder geval, dat alle gemeenten zich realiseren, dat de vormgeving van het samenzijn een zaak is, die men niet alleen plaatselijk heeft te bepalen, maar samen, met het geheel der Kerk. Daar is niets op tegen dunkt mij. En men is alleen maar conservatief of onverantwoordelijk individualistisch, wanneer men zich aan dit werk onttrekt. In het protestantisme, althans in de traditie van de Hervormde Kerk met al zijn vrijbuiters, zal men waarlijk niet al te gauw bang hoeven te zijn voor een of ander keurslijf. Maar nu: critiek. Het dienstboek, dat voor ons ligt, is het resultaat van veel studie. Studie in het verleden, studie van dogma-

tiek. Vraagt men nu, of ik gelukkig ben met dit dienstboek, dan zeg ik ronduit néén. Niet, omdat er geen prachtige dingen in staan. Maar omdat men zijn oor zo weinig te luisteren heeft gelegd bij de taal van heden. Dat is ter synode natuurlijk ook meermalen gezegd. Maar wie daarvoor opkwam, ontmoette tweeërlei weerstanden. Eensdeels van de kant van hen, die werkelijk alleen maar menen, dat de waarheid Gods slechts gezegd kan worden in uitdrukkingen, die de moderne mens niet kan verstaan daarom is hij ook de moderne, en dus af te wijzen mens anderdeels van de kant van hen, die beducht zijn voor vervlakking van de taal en van de begrippen, die in de oude gebeden en formulieren werden uitgedrukt.

Nu is het onweersprekelijk, dat studie van deze dingen een fijn gevoel voor taalnuances oplevert. Ik heb dat meermalen, tot mijn eigen verrassing ontdekt. En het is waar, dat sommige dingen alleen maar zo gezegd kunnen worden, als ze er staan of anders niet gezegd moeten worden.

Daar staat tegenover, dat het gewone gemeentelid een mens van vandaag is. Ook al is hij „orthodox”. Hij heeft de denktraining van de 20ste,eeuw op school geleerd, evengoed op een christelijke school als op een openbare. Hij heeft kranten gelezen en radio gehoord. Voor hem is evengoed dat oude oud geworden. Ook al luistert hij er met stichting naar, vanwege het gevoel van safe-heid, dat over hem daalt, wanneer hij dingen hoort, die zijn 17de eeuwse over-bet-overgrootvader ook al hoorde.

Nu heb ik er geen enkel bezwaar tegen, dat deze formulieren in een dienstboek staan. Maar ik vind het jammer, dat er nauwelijks een ander in staat.

Neem nu het derde huwelijksformulier. Daar staat tot de vrouw gezegd: „Gij zult uw man liefhebben, eren en vrezen, hem gehoorzamen in alle dingen die recht en billijk zijn, als uw heer, gelijk het lichaam aan het hoofd en de Kerk aan Christus onderdanig is.” Nu kan men, door heel veel uit te leggen, wel iets rechtbreien aan deze zin. Men kan aantonen, dat dit beeld bij Paulus voorkomt en men kan er op wijzen, dat in de historie (tot nu toe) het vanzelf sprak, dat de man de leidende, de vrouw de volgende functie heeft. In hoeverre dat tot het wezen van het huwelijk behoort of wel een kwestie van eeuwenlange dressuur is, waag ik niet vast te stellen. Ik neig tot het laatste. Maar zeker is, dat de revolutie, die over de gehele wereld bezig is de verhouding tussen man en vrouw grondig te wijzigen, in deze zin niet verdisconteerd is. Deze onderwijzing is naar het verleden gericht, niet naar de toekomst.

Daar komt nog bij, dat bij de formulieren het leer-element wel sterk overheerst. Of men nu bevestigd wordt als ouderling, dan wel in dienst treedt als jeugdleider, dan wel een kind laat dopen of aan het Heilig Avondmaal gaat aanzitten, steeds komt er een dik stuk betoog bij te pas. Alsof er beslissingen bij zulk een betoog vallen. Alsof de arme doopouders, bang voor het geschreeuw van hun baby, iets horen van de lange volzinnen, die zij ook thuis hadden kunnen lezen. Ja, zegt men dan, dit uit te leggen hoort bij het doopbezoek. Goed, zeg ik, maar waarom dat dan niet voor het doopbezoek gereserveerd? Neen, al dat geleraar op ogenblikken, dat het om de beleving van een gebeuren, om het doen van een belofte gaat, is „unzeitgemasz”, gaat dwars in tegen alles, wat wij thans leren van de benadering van de mens. Dat men niet alles wat „modern” is ovemeemt, kan ik mij voorstellen; dat men er op geen