is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 44, 11-08-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GELUK

„Werken heeft nog een ander voordeel, nl„

dat het vacantie zo heerlijk maakt.”

BERTRAND RUSSELL

Vlak voor de vacantie kreeg ik ter bespreking „Bertrand Russeii, Verover Uw geluk” ■).

Laat ik het nu kort tevoren in een pocketeditie gekocht en terzijde gelegd hebben voor de vacantie. Het kwam me voor, dat ik juist in de vacantie zo’n heilzaam receptenboek wel kon gebruiken. Ik wil u nl. wel verklappen, dat ik me lang niet altijd gelukkig voel. Maar in de vacantie is dat doorgaans anders. Daarom leek ze mij de geschikte tijd om tussen zalig-niets-doen eens te vernemen, hoe „een van ’s-werelds grootste denkers, ons adviseert meer van ons leven te profiteren”. (Omslag van de Amerikaanse uitgave.)

Ik herinner me Bertrand Russeii eens gezien en gehoord te hebben: een olijke oude baas, zonder gewichtigdoenerij, die een lezing hield over een zeer subtiel onderwerp, maar geen kans voorbij liet gaan om, langs zijn neus weg, een bijzonder gek voorbeeld aan te halen. In het debat was hij scherp, zonder hatelijk te worden. Met fijne humor poeierde hij zijn driftige opponenten af. „Een echte Engelse Lord”, dacht ik onwillekeurig: „een man, die weet wat levenskunst is”. Boeiend was ook de quasi-onverschillige manier, waarop hij zijn stellingen voordroeg. Ergens in dit

treden. Zeker, de hoop wordt uitgesproken dat alle socialisten in de verschillende parlementen tegen oorlogscredieten zullen stemmen en de vredeskrachten zullen versterken. Er wordt zelfs hoop uitgesproken dat de arbeiders zullen weigeren tegen elkander op te trekken („stormachtige bijval”, staat er dan). Maar de mensen van de binnenkamer wisten het: daar komt niets van in. De Fransen gingen met hun syndicalistische traditie in dit opzicht het verst. Maar Jaurès zegt duidelijk, dat er geen sprake mag zijn van het voorschrijven van de marsroute. Met deze woorden: „Wanneer de mist over de zee ligt, als de golven opgezweept worden, kan de zeeman geen minuut tevoren zijn maatregelen bepalen.”

De buitenwacht was onder de indruk van het congres. En de grote massa geloofde er in. En dat was zo bleek 18 maanden later een illusie.

Ziedaar nu het beeld: toegerust waren de socialisten van die dagen met een helder inzicht in de situatie, zij deden waardevolle voorstellen, zij waren de voortrekkers der mensheid. Maar zij wekten tegelijk met deze voortreffelijke zaken de illusie, alsof zij werkelijke macht hadden. Macht per definitie van de natuurlijke eenheid van het proletariaat.

Vergelijk ik deze situatie van toen met thans, dan geloof ik niet, dat wij behoeven terug te verlangen naar het vuur van toen. Het was een strovuur. Het vuur binnen de socialistische beweging brandde èn brandt elders: daar waar een nieuwe wereld tegen grote weerstanden in met sterk gevoel voor verantwoordelijkheid in de eenvoudige dingen van de dag gestalte krijgt. L. H. R.

boek vertelt hij van een Engelse Lord, die zijn eerste redevoering hield in het Hogerhuis en er bij gaapte. Russeii vertelt dit niet zonder een tikje bewondering. Het typeert de adellijke Engelsman. Eh toch zou men zich vergissen, als men dit voor geestelijke traagheid zou aanzien. Bertrand Russeii is samen met Whitehead, de schrij – ver van een der lijvigste en scherpzinnigste boeken over de beginselen der wiskunde. In kringen van mathematici en logistici hoor je er met de diepste eerbied over spreken. Hij heeft een aanzienlijke rij boeken op zijn naam staan over allerlei onderwerpen; zijn „Geschiedenis der West-Europese Wijsbegeerte” alleen al, imponeert zowel door ’s mans reusachtige belezenheid als door zijn verrukkelijke eigenzinnigheid. Daarenboven is hij geen kamergeleerde. Zijn fortuin stelde hem in staat de halve wereld te bereizen, maar niet alleen als toeschouwer nam hij deel aan het werelds leven. Ik herinner me van hem ergens gelezen te hebben, dat hij een tijd lang in de gevangenis heeft gezeten wegens anti-militarisme.

Ik heb me dan ook met dit boek uitstekend vermaakt en durf het een ieder aan te raden. Maar doe als ik en lees het in de vacantie (zie motto!). Ik kan me namelijk niet voorstellen dat het boek me evenzeer vermaakt en beleerd had, als ik in een van mijn sombere buien zou zijn geweest. Ik zou gemopperd hebben: „De Lord heeft makkelijk praten”, of nog erger: „Wat is His Lordship tergend oppervlakkig. Hij weet niet eens wat leed is.” Ik heb U dus gewaarschuwd I

Of ik nu voortaan zal profiteren van Lord Russell’s receptenboek en het geluk zal „veroveren”? Ik moet er sterk aan twijfelen. Wel wil ik graag erkennen, dat er heel wat uit dit boek te leren valt. De wijze, waarop de schrijver allerlei narigheid, die de mensen zich aandoen, bespottelijk maakt, de voortdurende aansporing zich zelf vooral niet gewichtig te nemen, de talrijke aanduidingen, waar het simpel levensgeluk te vinden is, ook in deze tijd, het optimistisch oordeel over de vele gelukskansen, juist in deze tijd, het is alles volop de overweging waard, zo goed als zijn kritiek op de jacht naar geld en (of) succes, en zijn ontmaskering van ingebeelde, moderne zielsziekten. Ik wil dit alles volledig laten gelden, maar dan moet ik toch daarnaast constateren, dat het boek eigenlijk zou moeten heten (en zo heet het ook in het Engels) „De verovering van het geluk door B. Russeii”. Hij merkt ergens in zijn boek op, dat er zoveel plezier ligt in het belangeloos waarnemen van zijn medemensen. Ik moet zeggen, dat een van de grootste aantrekkelijkheden juist van dit boek hierin bestaat, dat men er de schrijver uit leert kennen: „Wat een aardige man! Wat kan hij gezellig en verstandig converseren”. Maar tevens: „Wat is hij zeker van zijn zaak”. Het lijkt wel of het menselijk leven een deelsom is zonder rest, een heel ingewikkeld wiskundeprobleem, maar de oplossing is te vinden, als je maar snugger bent en de uitkomst is

even verrassend en mooi, ais die fraaie algebrasommen uit onze jeugd; het mocht dan een hele tijd duren, maar op het eind kon je triomfanteiijk schrijven: x = 2. Voor Bertrand Russeii is het leven blijkbaar zo’n wiskundesom geweest. Hij bracht mee een gelukkig temperament: extrovert, weinig geneigd tot zelfbespiegeling. Hij groeit op in een rijk en beschaafd milieu. Hij heeft een briljante carrière als beroemd wiskundige en wijsgeer. Hij slaagt er in zich te ontdoen van de enige tegenkracht, die hem op andere gedachten had kunnen brengen: ik lees in zijn boek (en niet alleen in dit boek!) herhaalde, en lang niet altijd onkwaadaardige aanvallen op het christelijk geloof van zijn jeugd. In de plaats daarvan meet hij zich een optimistisch rationalisme aan, dat sterk doet denken aan dat zijner landgenoten uit de tijd der Aufklarung (Locke) en later (Stuart Mill, Spencer); dit optimisme openbaart zich ook in zijn ongeschokt geloof aan de menselijke evolutie. *

Je gaat zo’n man wel eens benijden, zoals je een kind benijden kan, dat nog van geen narigheid weet, met zijn spontane af keer van elke vorm van ascese, met zijn onwil om de waarde der deemoed te erkennen, met zijn hardnekkig pleiten voor een getemperd, (natuurlijk getemperd!) egoïsme, en vooral met zijn diepe weerzin van elke vorm van zondebesef. Het is volkomen nutteloos met hem over deze zaken te redetwisten. In het vlak der redelijkheid heeft hij het grootste gelijk van de wereld, van de wereld, die hem de Nobelprijs toekende; toch wel niet om zijn wiskunde-werk, dat bijna niemand kan verstaan en waarin overigens alleen symbolische taal wordt gebruikt, maar om dit en andere, gezellige boeken, vol speelse geestigheden, vol raadgevingen è, la Coué, boeken die als een tonicum werken, eigenlijk zo prettig rebels aandoen (zie zijn bestrijding der traditionele sexuele moraal) en die de lezer doen deelhebben aan de opvlucht der natuurwetenschappen. We weten nu wel, hoe geweldig groot en ingewikkeld het heelal is dat we nochthans beheersen met de formules van Einstein en we gaan nog veel meer ontdekken en ondertussen de maatschappij hervormen en onze zeden herzien; we staan nog maar aan het begin der geschiedenis van de mensheid, pas ontworteld aan de barbaarse tijden, die achter (?) ons liggen.

„Verover Uw geluk”. Het klinkt zo aantrekkelijk en in de zoete bedwelming van de vacantie wil ik graag geloven, dat het mogelijk is. De zon schijnt en we genieten van de zee of van het bos in lekker niets doen. Zou het dan toch waar zijn, dat het christendom sombere, mistroostige, zich zelf kwellende mensen kweekt en dat de luchthartige, maar knappe, kundige, succesvolle atheïst, Bertrand Russeii, gelijk heeft? Heel diep weet ik van niet. En het kan mijn geluk niet deren. En wel om deze redenen, die ik maar schetsmatig aanduid (het is tenslotte vacantie!).

Het geluk, dat Bertrand Russeii in uitzicht stelt, is voor millioenen thans onbereikbaar; het veronderstelt een levensstijl, op basis van een stoffelijke welvaart en een verfijnde opvoeding, zozeer, dat zijn advies een hoon is aan het adres van tallozen, waarover de dichteres schreef: „Het leed der wereld doet mij vaak niet slapen”. Daarenboven is dit geluk mij toch te platvloers. Hoe gek het ook klinken moge: Russell is m.i. te gauw tevreden. Zo goed als hij nergens in zijn boek het echte leed peilt, maar het voorbarig kleineert (men leze eens zijn beschrijving der verveling (blz. 39) als voorbeeld van oppervlakkig