is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 46, 25-08-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Heer behoort de aard :en haar I volheid. I Psalm 24:1 .

Tijd en Ttuik

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR. EVANGELIE 'EN SOCIALISME

VERSCHIJNT 50 MAAL PER JAAR 49STE JAARGANG VAN „DE BLIJDE WERELD”

Zaterdag 25 Aug. 1951 Nr46

Redactie: ds J.J. Buskesjr ds L. H. Ruitenberg dr J. G. Bomhofif

Redactie-Secr.: Roerstraat 48“ Amsterdam-Zuid Telefoon 24386 p/a dr J. G. BomhoflF

Vaste medewerking van prof. dr W. Banning J. Hulsebosch H. van Veen dr M. V. d. Voet ds H. J. de Wijs Mej. dt M. H. V. d. Zeyde e.a.

it per jaarfS—; halfjaar f 2,75; kwartaal/I,soplusf 0,15 incasso. Losse nrsƒ 0,15; Postgiro 21876; Gem. giro V 4500; Adm. N.V. De Arbeiderspers, Hekelveld 15, Amsterdam-C; Postbus 800

DOE HET GOEDE

In de discussie over het oorlogsvraagstuk treft mij steeds meer het merkwaardige feit, dat door een bepaald soort theologen de stelling geponeerd wordt, dat wij, welke keuze wij ook doen voor of tegen de oorlog toch nooit het goede doen, maar altijd tegenover God schuldig staan. Wie zijn militaire dienst vervult, staat schuldig tegenover God, maar wie de militaire dienst weigert, staat evenzeer schuldig tegenover God. Belden kunnen God alleen maar om vergeving vragen.

In een preek over het zesde gebod, voor de radio uitgesproken, zei een bekend predikant: „Er Is In ons altijd weer het verlangen, om toch alsjeblieft goed te handelen, wij stellen oss altijd weer als hoogste Ideaal, om toch beslist geen zonde te doen”. Men zou denken, dat deze predikant er zich over verheugen zou. Hij Is het er echter helemaal niet mee eens en getuigt: „Het Is er God helemaal niet om begonnen, dat wij goed leven... wij doen het altijd fout en we hebben voor onze beste daden vergeving en genade nodig”.

Een professor In de theologie schrijft op analoge wijze, dat zowel zij, die de bewapening als een door God gewilde zaak propageren, als degenen, die oproepen tot een onvoorwaardelijke afwijzing van de bewapening als het door God gewilde, de eigenlijke ethische problematiek miskennen. Hij beroept zich op de roman „Le sang des autres” van Slmone de Beauvolr, waarin een mani optreedt, die oprecht begeert het goede te doen, maar juist daardoor schuldig wordt aan het bloed van de anderen: steeds meer schuld bij het doen van het goede. Als ik meedoe aan de bewapening, verwikkel Ik mij zelf In de schuld. Oorlog betekent altijd zonde. Maar ook zij, die tegen de oorlog principieel neen zeggen, verwikkelen zich in de schuld. Ook door niet te vechten laadt men schuld op zich, de schuld aan het bloed van de anderen. Wij moeten een keuze doen, maar wij moeten nooit menen, dat wij, wanneer wij gekozen hebben, zonder meer het goede hebben gedaan. Daarom moeten wij bidden om de rechtvaardiging van de goddeloze. De schuld kunnen wij nooit en nergens ont-

lopen. Ten slotte Is er niemand, die goed doet.

Ik schrijf In dit artikel niet over het oorlogsvraagstuk. De discussie over dat vraagstuk Is slechts de aanleiding tot dit artikel. Ik wil waarschuwen tegen de wijze, waarop In deze discussie het probleem van het zedelijk handelen gesteld wordt, omdat Ik meen, dat men daardoor niet alleen de christelijke ethiek, maar ook en dat Is veel erger het christelijke leven uitholt. Ik acht het noodlottig, wanneer men ten opzichte van het oorlogsvraagstuk en waarom alleen ten opzichte van dit vraagstuk, men kan Immers op dezelfde wijze redeneren, wanneer men het heeft over het huwelijk, de handel, de sociale strijd, enz. beweert, dat wij ons alleen maar In schuld kunnen verwikkelen.

Ik wil het opnemen voor het verlangen, om toch alsjeblieft goed te handelen en toch beslist geen zonde te doen. En Ik wil als mijn vaste overtuiging uitspreken, dat het er God wel waarlijk om begonnen Is, dat wij goed leven en dat het niet waar Is, dat wij, wanneer wij geloven en ernst maken met Gods geboden, het altijd fout doen. Waarom toch dat verzet tegen het verlangen om het goede te doen, In wezen toch niet anders dan een verzet tegen het doen van het goede?

Moet Slmone de Beauvolr nu waarlijk dienst doen, om ons op het terrein van de ethiek de weg te wijzen, met als conclusie: steeds meer schuld bij het doen van het goede?

Natuurlijk weet Ik heel wel, dat er een problematiek van het zedelijk handelen Is, en bovendien, dat de verhoudingen van het leven, dat tot In zijn wezen door zelfzucht ent machtsbegeerte Is aangetast, zo gecompliceerd zijn, dat het niet zo eenvoudig Is te weten wat God In die levensverhoudingen van ons vraagt. Maar Ik wil er toch aan herinneren, dat de bijbel vol Is van de oproep, om het goede te doen, en Ik aanvaard het nooit, dat die oproep alleen de bedoeling heeft om ons, wanneer wij trachten aan haar te gehoorzamen, te doen ervaren, dat wij nooit het goede doen, maar ons bij

onze pogingen, om het goede te doen, alleen maar In schuld verwikkelen. Het Is er God wel waarlijk om begonnen, dat wij geen zonde doen, maar Zijn wil volbrengen.

Een ogenblik heb Ik geaarzeld, omdat Ik het bijna dwaas vond, maar Ik doe het toch maar. Ik geef de lezers van Tijd en Taak zonder commentaar een aantal woorden uit de bijbel door, heel bekende woorden, zó bekend, dat wij ze blijkbaar vergeten hebben. Misschien kunnen zij ons helpen, om ons onze tijd en onze taak te doen verstaan.

„Zoekt het goede en niet het boze, opdat gij leeft en zo zal de Here met u zijn; haat het boze en hebt het goede lief” (Amos 5:14 en 15).

„ledere boom wordt uit zijn vruchten gekend. De goede mens brengt het goede voort en de kwade mens brengt het kwade voort” (Lucas 6:45).

„God zal een ieder vergelden naar zijn werk, degenen, die met volharding in goed doen heerlijkheid, eer en onverderfelijkheid zoeken, het eeuwige leven, maar degenen, die twistgierig zijn en die de waarheid ongehoorzaam, doch de ongerechtigheid gehoorzaam zijn, zal verbolgenheid en toorn vergolden worden; verdrukking en benauwdheid over alle ziel des mensen, die het kwade werkt, maar heerlijkheid, eer en vrede een leder, die het goede werkt.” (Romeinen 2:5—9).

„Weest afkerig van het kwade en gehecht aan het goede”. (Romeinen 12:9).

~Ik vermaan u dan, bij de barmhartigheden van God, wordt deze wereld niet gelijkvormlg, maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw verstand, opdat gij moogt onderkennen, wat de wil van God Is: het goede.” (Romeinen 12:1—2).

„Doe het goede.” (Romeinen 13:3).

„Ik wens van God, dat gij geen kwaad doet, opdat gij het goede zoudt doen” (2 Corlnthe 13:7).

„Laat ons het goede doen aan allen.” (Galaten 6 : 9).

„Wie dan weet goed te doen en het niet doet, die Is het zonde.” (Jacobus 4:17).

„Wie het leven wil liefhebben, die wijke af van het kwade en doe het goede.” (1 Petrus 3:12).

„Wordt van het kwade niet overwonnen, maar overwint het kwade door het goede.” (Romeinen 12:21).

„Broeders, vertraagt niet In goed te doen.” (2 Thessalonlzensen 3 : 13).

„Wie goed doet, Is uit God.” (3 Joh.: 11).

J. J. BUSKES Jr.