is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 46, 25-08-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET EIGENE IJ KE IN HET PASTORAAT

De titel van mijn vorig artikel over het pastoraat luidde: Het Pastoraat en de Secte. De zetter had er van gemaakt: de Sancta. Dat was wel een psychologische vergissing en niet zonder humor. De secte en de sancta zijn wel eens meer aan het boompje verwisselen. Sommige kerken houden zich, wat al te voorbarig, ook wel eens voor heilig en zelfs voor alléén heilig, gelijk die jonge dame, die naar de R. kerk overging mij schreef, dat zij nu tot de ~una sancta” was overgegaan. Welnu, de lastigste mensen, die men in het pastoraat kan ontmoeten, zijn de mensen, die zich zelf voor „heilig” verklaren. Dat doen zij niet met zoveel woorden, maar in hun eigengereide houding, in hun critisch afstand bewaren, in hun burgerlijke zelfgenoegzaamheid, in al hun morele pretenties, waarmee zij zelfs aan de meest elementaire godsdienstige begrippen niet toekomen en het woord genade nog moeten leren spellen. Zij zijn voortdurend bezig het begrip „heilig” in zijn tegendeel om te keren en te saeculariseren.

Het pastorale gesprek kan alleen maar slagen in de onderstelling, dat wij samen maar doodgewone, feilbare mensen zijn, die één verantwoordelijkheid en één schuld dragen. Maar het komt eerst recht in beweging, er komt pas diepte en ruimte in, eeuwigheidsi'uimte, als wij ons min of meer bewust zijn, dat wij als gebrekkige mensen samen spreken onder de onzichtbare tegenwoordigheid van „De Heilige”, die tegelijk liefdevolle Herder blijft.

De armoede van onze ontmoeting is, dat dit besef hoe langer hoe meer gaat verbleken en geen vanzelfsprekende onderstelling vormt. Als het gebruikelijk verweer en de inleidende schermutselingen achter de rug zijn en wij er in slagen om tot de eigenlijke kern door te dringen, dan erkent men deze vege en lege twijfelmoedigheid ook ronduit. Nu gaat het er niet allereerst om de factoren op te sporen, die er toe meewerkten om voor Het Heilige een Vacuüm met ’n honderdvoudige echo van vragen in de plaats te stellen. Wij weten, dat samen wel. Ik vraag mij ook wel eens af, waarom de Schepper de greep van de „natuurlijkheid” zo machtig liet doorwerken op zijn schepselen in vergelijking met de zachte krachten der geestelijke impulsen. Ik vraag mij ook wel eens af, waarom de strijd om ’t materiële bestaan alleen zó moet praevaleren boven het bedenken van wat geestelijk mogelijk is. Ik vraag mij ook wel eens af, waarom God (schijnbaar) zijn eigen weg zo tragisch verspert door een problematiek, die nauwelijks te doorvorsen is en een last van leed, haast niet te torsen. Waarlijk, al datgene, wat het mensengeslacht der laatste jaren doorworsteld heeft, riep opnieuw, met feller heftigheid dan ooit, de vraag naar de theodicee op. Het lijkt alsof de afstand tussen hemel en aarde door twee wereldoorlogen nog groter geworden is!

Wij willen nu alleen het feit constateren, dat wij telkens ontmoeten, dat God voor sommigen, ondanks al het bovengenoemde, de grote werkelijkheid blijft; voor anderen, (’n groeiende groep?) steeds meer vervaagt tot een weinig zeggend begrip. Dat maakt het pastoraal gesprek zo vermoeiend: De mens te ontmoeten in zijn zorg en zorgeloosheid jegens God; in zijn vertier en vreugdeloosheid jegens God; in zijn arbeid en moeite, maar in zijn doelloosheid jegens God. Vandaar dat op allerlei variaties her-

haalde thema: ik heb er geen behoefte aan, ik heb er geen belang bij (zoals men in ’t Noorden zegt), wat in zijn praegnante vorm veel meer inhoudt dan gebrek aan interesse en verder reikt dan ’t alleen maar utilistische. Het is de moderne belijdenis, dat men er geen begrip meer van heeft en dat dit niet meer aanspreekt, zoals iemand eens karakteristiek zei: „wat er niet in zit, dominé, kan er ook niet uitkomen”! Hier staan wij wederom voor het aangrijpend verschijnsel, dat de klankbodem schijnt te ontbreken, waarop de goddelijke boodschap moet resoneren. Is het orgaan hiervoor aan het afsterven of wordt het langzaam overwoekerd door andere, materiële machten? Door de mensen, die ik meer als zendeling dan als pastor ontmoet, wordt het probleem meestal aldus, anthropocentrisch gesteld: „’t zegt mij niets, ik heb er geen aanleg voor, mij spreekt ’t niet aan”. Meestal wordt er de zonderlinge consequentie uit getrokken, dat men ’t nu ook onwaarachtig en huichelachtig vindt om zich nu ook verder met dingen in te laten, waar men nu eenmaal de nodige (en veilige!) afstand tegenover bewaart. Maar in elk geval staat hier de mens met zijn gevoelens en behoeften, met zijn aspiraties in zijn criticisme sterk op de voorgrond. Deze anthropocentrische vraagstelling vindt haar tegenhanger in de bevindelijkheid van uiterst rechts, waar men het probleem theologisch wil stellen door te zeggen: „zolang Gods Geest mij niet overweldigt, is het met mij niets gedaan en blijf ik zo dood als een pier”. Hier twijfelt men niet aan de werkelijkheid Gods als zodanig. Hier wil men ook, goed orthodox, aan Gods souvereine genade alleen de eer geven. En toch reiken deze beide uitersten elkaar de hand door in de subjectiviteit te blijven steken en zich vast te zetten in de mens met zijn niet gewichtige gevoelens, die nochtans als het een en het al worden beschouwd.

Op dit punt van het gesprek gekomen zijn wij metterdaad „medias in res”, in het eigenlijke van het pastoraat. De pastor spreekt en getuigt van uit de werkelijkheid van de levende God. Dat mogen wij ten minste hoopvol onderstellen. Zonder die roeping en opdracht, zonder die dringende bewogenheid deed hij beter zo gauw mogelijk naar huis terug te keren. Maar de gesprekspartner leeft lang niet altijd uit die vanzelfsprekendheid. Zich blind starend op een vrij troosteloos wereldgebeuren, roept de ander geïrriteerd uit: „ik zie God niet bezig in deze wereld”. En in de armoede van een lege ziel, geplet onder zoveel harde machten, zucht hij: „ik merk niets van God in mijn eigen binnenste”. Hoe komen wij hier verder?

Allereerst door de ander duidelijk te maken, dat ons „ik” niet zo belangrijk en dierbaar is als wij ons zelf verbeelden en dat ’t nochtans in dezelfde mate belangrijk is als alle totalitaire machten bij elkaar het onbe – langrijk achten. Door ’t toch maar eerlijk te blijven zeggen, dat het geheim en de waarde van de mens pas ontdekt wordt in het licht van die vreemde en onbekende God: Klein en nietig en toch met een grootse bestemming, verloren en toch gevonden, bedolven onder nood en schuld en toch wachten oneindige mogelijkheden. Wij moeten ’t de ander als een axioma blijven voorhouden, dat er in de onthulling van het raadsel van God en mens beide, een onlosmakelijke wederkerigheid is. En ten slotte, als wij überhaupt nog op verras-

sende ontdekkingen durven hopen, de onbevangenheid van het kind hier de allesbeslissende voorwaarde blijft. Er is moed toe nodig om tot verouderde en afgetakelde mensen, die wij zijn, te zeggen: „Zo ge niet wordt als de kinderen ” De moed om nog in het wonder te geloven. Het wonder van God, het wonder van de mens, het wonder van de wedergeboorte tot het nieuwe, hoopvolle en ongerepte, het onbevangene van het kind.

De achtergrond van deze stille blijdschap is het geheim van de kracht, waarin wij er op uit trekken, maar ook om het uit te houden in het pastoraat en niet minder om telkens door allerlei onbenullig verschil van mening als iets ondergeschikts en vaak belachelijks heen te breken tot het eigenlijke, waar het om gaat. Dat alles kost veel moeite en inspanning, arbeid der ziel. Dat alles vraagt ook veel strijd en gebed. Het kost ook onnoemelijk veel tijd, die wel eens vergeefs besteed lijkt. Geen wonder, dat om al deze dingen het pastoraat zuinig betracht wordt. Wanneer men de huizencomplexen van ons overbevolkt land aanziet, lijkt er aan dat moeizame werk geen einde te komen, daarom maakt men er ook maar geen begin aan. Men laat het pastoraat wel eens ineenschrompelen tot een administratieve aangelegenheid achter zijn bureau met een telefoon en een schrijfmachine, terwijl men vergeet, dat zoals een onderwijzer op vastgestelde tijden voor de klas heeft te staan, de predikant zijn vastgestelde tijd voor zijn wijk moet afzonderen. Daarvoor is hij aangesteld en daarvoor wordt hij betaald.

Hij mag dit werk organiseren en een kring van min of meer geschoolde en toegeruste krachten om zich verzamelen, die hij voorbereidend werk laat doen, de nazorg toevertrouwt, groothuisbezoeken bij elkaar laat roepen. Maar zelf moet hij stimulerend en bezielend op deze kruistocht voorgaan en niet het „kleine” werk of de vuile was aan anderen overlaten. Men mag vele oorzaken naspeuren van de zwakheid der Kerk, die ik mag dienen, maar het is mijn overtuiging, op ervaring gegrond, dat een belangrijk deel van deze zwakheid is te herleiden tot een allergebrekkigst pastoraat. Daardoor missen duizenden het besef, dat zij er bij horen en weten zij zich losgelaten. Veel van deze schade, die over tientallen jaren reikt, is niet meer in te nalen. Maar vanuit de gehoorzaamheid aan de opdracht van het Evangelie, vanuit de bewogenheid en de liefde die ons dringt, wanneer wij zelf uit de bronnen van de bijbel gedronken hebben is ergens, hier en nu, en telkens opnieuw een begin te maken in persoonlijke toewijding en trouw, in pastorale ijver en bezieling, in een zèlfgeleide en goede organisatie van het werk door een kring van mede-arbeiders, die men geregeld bij elkaar roept, instrueert en inspireert. Pastorale zorg. De opperste Herder draagt deze aan ons op. De mensen zijn ’t waard, zelfs ook, als zij er niet meer om vragen. Het lijkt dikwerf even vruchteloos als moeizaam. Toch wegen telkens enkele verrassingen ruimschoots tegen vele teleurstellingen op.

Maar dit zonderlinge, schijnbaar zo bemoeizuchtige werk heeft immers voldoende grond in die drang, waarmee men iets doet, eenvoudig, omdat men ’t niet laten kan. M. V. d. V.