is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 48, 08-09-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Heer behoort de aarde I en haar I I volheid. Psalm 24 : 1 y'

en Taak

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR. EVANGELIE 'EN SOCIALISME l-1 T-t TS T T> »»

VERSCHIJNT 50 MAAL PER JAAR – 49STE JAARGANG VAN „DE BLIJDE WERELD

Nr4B Redactie: ds J.J. Buskesjr ds L. H. Ruitenberg drJ.G. Bomhoff Redactie-Secr.: Roerstraat 48* Amsterdam-Zuid Telefoon 24386 p/a dr J. G. BomhofiF Vaste medewerking van prof. dr W. Banning J. Hulsebosch H. van Veen dr M. V. d. Voet ds H. J. de Wijs Mej. dr M. H. v. d, Zeyde e.a.

ƒ5,-; t-W«/W5; JlJOpksfO.I!;»««». !•« ...JOJS: «s». 21*75; Cm. 5», F «®; Al„. N.F. D. 15. P.»to *»

Persvrijheid

Hoe hebt u het gevonden, dat de Regering de voorstellen van de Grondwetscommissie niet overgenomen heeft, die de mogelijkheid van persbreidel inhielden? Hebt u gezegd: goed zo, leve de vrijheid, géén onderdrukking van minderheden, die de regering onwelgevallig zijn? Of hebt u getreurd om dit gebrek aan moed, aan „flinkheid” dat nu verhindert de gevaar lijkste vijanden van de democratie de mond te snoeren? Of derde mogelijkheid hebt u alleen maar gedacht: ze zoeken het maar uit, ’t is allemaal wel goed. Als u het mij vraagt: wanneer u die laatste overtuiging bent toegedaan, dan bent u waarschijnlijk in het goede gezelschap van de overgrote meerderheid van ons volk. De zaak is natuurlijk veel te ingewikkeld om met een paar slogans of stoere woorden af te doen. Alles komt er bij te pas: de vraag naar het wezen van de Overheid en naar de betekenis van de enkeling. De vraag naar de aard van de meningsvorming evengoed als naar de economische voorwaarde voor de vrijheid van meningsuiting. In dat grote veld van vragen over het verschijnsel pers is dat van de persvrijheid maar een onderdeel.

Het portret van de lezer Ik wil de vraag naar de persvrijheid hier aanvatten van de kant van de lezer. Wie veel met de lezer omgaat zal weten, dat hij een rare snaak is. De lezer leest nl. bijzonder weinig. Zie hem voor u. Misschien behoeft u alleen maar in de spiegel te zien. Hij moet ’s avonds op de juiste tijd zijn krant vinden. Zijn eigen krant. De krant, die hem niet alleen zijn gewone menselijke nieuwsgierigheid moet bevredigen (de doden, de ongelukken, de schandalen), maar die bovendien hem moet bevestigen in de overtuigingen, die hij heeft. Zoveel mogelijk ten minste. Die overtuigingen zijn niet van rationele aard. Overtuigingen komen niet tot stand door redeneringen alleen. Ze zijn verworvenheden door opvoeding, gewenning en men voelt zich er prettig bij. Deze overtuigingen nu moeten door de krant bevestigd worden. Ze moeten niet bestre-

( den en helemaal niet belachelijk gemaakt < worden. Hoogstens verzwegen. Gebeurt * dat, dan voelt men zich met zijn krant ‘ thuis. Dan leest men de advertenties, de ’ kopjes en soms ’s een aardig artikel. Dan ' ziet men, dat meneer de hoofdredacteur ' over een onderwerp zich heeft uitgesloofd en dat titel zowel als aanhef wel ongeveer overeenkomt met de mening, die men zelf heeft. Dan kan men het rustig overslaan. Waar ligt dus de vormende kracht? Niet zozeer in de betogen. Die worden slecht gelezen. Als ze er niet instaan, zou iedereen ze missen,* nu ze er wel instaan, worden ze door 95% van de lezers overgeslagen. De vormende kracht is gelegen in de vanzelfsprekendheden, die achter de koppen, de moppen en de zachte stukjes staan. Maar ook in de advertenties van trouwenden en gestorvenen uit eigen kring. Deze vanzelfsprekendheden krijgen hun papieren gestalte en maken, dat de krant een trouwe metgezel wordt. Niet om de woorden, die er in staan, maar om de waarheden ((of onwaarheden) die er achter staan.

Het portret van de krant U zoudt eens, onder dit gezichtspunt, een paar dagbladen wat nauwkeuriger moeten bekijken. Dan blijkt, dat zij een heel eind tegemoetkomen aan de wensen en vooral aan de levensstijl van de lezers. Duw de Nieuwe Rotterdammer in de bus bij een Groningse arbeider, lid van het N.V.V., en hij zal hem zelfs niet uit nieuwsgierigheid lezen. Want in plaats van een sappig verhaal van Piet met de flaporen op de eerste pagina, leest hij, dat een zekere P. J. B. in Z.-Frankrijk gearresteerd is. Of hij leest het niet, omdat het ergens in een hoekje, temidden van veel ander spul is weggedrongen. Die N.V.V.-arbeider wil een andere krant dan zijn huisarts. Duw mij de Telegraaf in bus en ik ga wél zitten lezen. Professioneel. En ik zie ze voor mij, al die zakenlieden die 2de klas treincoupé’s frequenteren en die geen tijd hebben voor lange artikelen. Zij willen lezen, dat ambtenaren als poliepen zich op hun stoere borsten zetten en zij willen, dat de waarheid maar eens gezegd wordt. Omdat zij, deze

2de-klas-coupé zakenlui, er volstrekt van overtuigd zijn, dat de wereld alleen maar goed draait wanneer zij met hun initiatief, hun wereldwijd doorzicht, hun nuchtere mensenkennis en hun gezonde eet- en drinklust maar meer geconsulteerd werden. Zie hun eigen succes, hoogstens geblokkeerd door massieve machten achter regeringstafels en op de bureau’s van zich aan invloed overetende vakverenigingsleiders. Voor hen en voor al die anderen, die zich optrekken aan dit aanlokkelijk zelfstandig mensentype als levensideaal wordt de Telegraaf geschreven. Dat er dan wel eens een journalist van dat blad, in edele drift om voor de waarheid op te komen, onaardige maar juridisch ontoelaatbare dingen zegt, en die daarom voor de rechter moet verschijnen, is slechts propaganda voor het blad. Er mag zovéél niet, wat wij tóch doen. Laat ons knipogen.

Vrijheid en verantwoordelijkheid Als gij zo een aantal kranten doorneemt, zal het u opvallen, dat zij meer het spiegelbeeld zijn van een bepaalde groep dan dat ze die groep vormen. Een krant hoort bij een mens precies zoals zijn das, zijn haarsnit, zijn ridderorde of zijn harmonium thuis. En journalisten zijn mensen, die zich daar terdege rekenschap van geven. Zij voeden op, ja. Zij doen dat voor het overgrote deel met een nauwgezet geweten. Maar zij sluiten aan, als elke opvoeder, bij de groep, die ze leiding willen geven èn waardoor zij geleid worden. Het peil van de krant wordt mede bepaald door de mate, waarin de leiding van een blad vrij is van de druk zijner lezers zonder het contact met hen te verliezen. Vrijheid van drukpers is niet een zaak van alles mogen zeggen. Het is een zaak van verantwoordelijkheid voor het gehele volk en de waarden, waardoor het gedragen wordt. En daarna voor de waarden, die men in het bijzonder wil accentueren.

Nu is ’t tragische in dit geval, dat die dagbladen, die zich deze dingen het scherpst bewust zijn, financieel ’t het moeilijkst hebben. Zou dit niet een aanwijzing er voor zijn, dat wij op den duur, terwille van de persvrijheid (vrij van economische druk dan) ook het perswezen in de actieve cultuurpolitiek moeten betrekken en van overheidszijde door faciliteiten, desnoods met subsidies een duidelijke verantwoordelijkheid wordt uitgedrukt?

Let op het vraagteken overigens. In ieder geval: persvrijheid is geen juridische kwestie, op die lijn komt men nooit tot een bevredigende oplossing in onze geestelijk verwende cultuur. Wij zullen verder moeten denken in het vlak van de geestelijke en zedelijke volksgezondheid, jjet is alweer een zaak van actieve cultuurpolitiek. L. H. R.