is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 48, 08-09-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONVOLLEDIG DAGBOEK

9 Augustus.

De eerste etappe van de vacantiereis is achter de rug. Wij zijn in Honnef. Vanmiddag zijn we in Essen bij dr P. geweest, die daar predikant is en sinds enige jaren een stuk werk onder industrie-arbeiders heeft op te bouwen. Een moeizaam werk in een troosteloze stad. lets minder troosteloos misschien dan een paar jaar geleden, maar nog altijd wordt het stadsbeeld beheerst door ruïnes en puin. Over twee jaar zal dit ondanks het feit, dat er koortsachtig hard gewerkt wordt nog wel zo zijn.

Een moeizaam werk dus. Naar twee kanten. Naar de man-van-de-kerk en naar de manbuiten-de-kerk. De Duitse kerk heeft in zeer sterke mate de man verloren, al is de officiële buiten-kerkelijkheid niet groot. Zeer velen betalen nog wel hun kerkelijke belasting, maar gaan verder volkomen onverschillig aan de kerk voorbij. De „Mannenarbeid” van de Duitse kerk probeert energiek en vaak met frisse methoden de man terug te winnen voor de kerk. Maar het gaat moeizaam. De tweede moeilijkheid ligt in de politieke verhoudingen. Veel scherper dan In Nederland staan bijv. socialisme en Kerk tegenover elkaar. Of beter gezegd: er is een veel diepere kloof tussen die twee. Er is bij dr F. en veel andere leidende figuren in de Duitse kerk een voortdurend streven deze kloof te overbruggen (en daardoor ook een sterke tegenstand tegen afzonderlijke Chr. vakorganisaties en Chr. politieke partijen). Er groeit ook bij verschillende mensen in de top van de Duitse socialistische partij een grotere openheid voor het Christendom. In de lagere regionen is hiervan echter meestal nog weinig of niets te bespeuren. Bij de meeste leden der Duitse kerk is tevens het politiek besef en vooral het besef van politieke verantwoordelijkheid zeer gering. In die situatie wordt het werk wel heel moeilijk.

Een heel ander onderwerp, dat in het gesprek aan de orde kwam: de positie van de vrouw.

Mijn indruk is altijd geweest, dat de verhoudingen in Duitsland patriarchaler waren dan bij ons. De man meer „heer des huizes”, meer gezins-autoriteit (voor het uiterlijk dan!). Bij de jongere generatie ligt het stellig in veel gevallen al iets anders, maar voor de wat oudere generatie geldt in het algemeen zeker, dat de man zich laat verzorgen, voor zich laat werken enz., maar er niet over denkt om bijv. in het gezin iets mee te helpen. Gunstige uitzonderingen daargelaten! Bekend is de anecdote van de leraar, die in zijn vacantie met zijn gezin in een vacantie-oord was en ’s morgens z’n schoenen poetste, waarop een collega die dit zag, stom-verbaasd uitriep: „Maar je hebt je vrouw toch bij je!”

Door de oorlog zijn er diep-ingrijpende veranderingen gekomen op allerlei gebied. Een der belangrijkste en tegelijk een der naarste is wel, dat West-Duitsland momenteel een enorm overschot aan vrouwen heeft. Het leed en de morele nood, die hiervan het gevolg zijn, zijn ontstellend. Begrijpelijk en tegelijk uitermate verontrustend. Deze volkomen veranderde situatie zal ongetwijfeld doordat zij de positie van

de vrouw in het geheel der bevolkingsstructuur van West-Duitsland wijzigde —• mee van invloed zijn geweest op een door de Bondsregering ingediend wetsvoorstel, dat zeer vergaand de zelfstandigheid van de vrouw vast wil leggen. Niet alleen buiten, maar ook in het huwelijk. Volgens dit wetsontwerp zouden in de toekomst over alle zaken, die de huwelijksgemeenschap (inclusief de opvoeding der kinderen) raken, man en vrouw voor de wet gelijke rechten hebben. Voor iedere handeling en beslissing zal beider goedkeuring nodig zijn. In geval van meningsverschillen zullen er (volgens het ontwerp van staatswege) een soort commissie van arbitrage of gezins-rechtbanken komen, wier beslissing bindend is. Van de zijde der Evangelische kerk schijnt hiertegen ernstig bezwaar te zullen worden gemaakt, omdat men hierin een uiterst gevaarlijke inmenging van de Staat in het gezinsleven ziet. Zelfs zal het volgens het genoemde ontwerp zo worden, dat kinderen én de naam van hun vader èn die van hun moeder kunnen aannemen. Wat theoretisch in de toekomst zou kunnen leiden tot verdubbelde namen of nog erger! Wat er uiteindelijk van dit ontwerp terecht zal komen, valt onmogelijk te voorspellen. Dat het heftige discussies zal uitlokken is zeker.

10 Augustus. Vanmiddag is Wiesbaden aangekomen. Vanavond een wandeling gemaakt door het

Kurpark en de binnenstad. De glorie van de keizertijd Wiesbaden was een zeer geliefd Kurort van de keizers is nog, hoewel verwelkt en verkleurd, tastbaar in deze stad. En in het hart van de oude generatie leeft nog de hunkering naar dat verleden. Luxe-plaats is Wiesbaden ook nu weer. Fantastisch aangelegde parken één der mooiste is in het afgelopen jaar tot stand gekomen sprookjesachtig verlichte fonteinen bij avond, grootse zuilengalerijen met dure winkels (gedeeltelijk reeds klaar, gedeeltelijk weer in aanbouw), een speelbank, waar in een prachtige barokzaal de roulette draait en baccarat gespeeld wordt, rijen dure restaurants, waarvoor honderden dure Amerikaanse wagens staan geparkeerd, winkels, waarvan de etalages stampvol dure, luxe dingen liggen: dat is de eerste indruk, die men bij avond van Wiesbaden krijgt.

Is dit het na-oorlogse Duitsland? Toch niet. Dit Wiesbaden is een fagade en een vlucht in een definitief voorbij verleden. Dit Wiesbaden is er ook alleen voor de Amerikanen, de buitenlandse snobs en de ongure laag van Duitsers, die zich aan de na-oorlogse ellende rijk heeft gekwanseld. Het is bijv. voor een Amerikaans soldaat niet moeilijk om in Wiesbaden naast zijn niet hoge soldij een 1000 D.M. per maand er bij te verdienen door het „verhandelen” van sigaretten, koffie, enz.

Een beetje delen in de roes van deze luxe de vrouwen en meisjes mee, die zich hier

Een milliard dollar uitgeleend

Een milliard dollar is ook in deze dagen, nu we lezen van defensie-b'ëgrotingen van vele milliarden dollars, nog een respectabel bedrag. Wanneer men er nog een honderd millioen dollars bij optelt, heeft men het totaal bedrag aan leningen dat door de Internationale Bank voor Reconstructie en Ontwikkeling in de vijf jaar van haar bestaan is afgesloten.

Is het echter werkelijk een groot bedrag voor een instelling, die in de wandeling vaak de Wereldbank wordt genoemd? Laten we, voor dat we deze vraag beantwoorden, eerst deze instelling van de Verenigde Naties wat nader bekijken.

De Wereldbank is opgericht als een uitvloeisel van de tijdens de laatste fase van Wereldoorlog II gehouden conferentie van Bretton Woods. De tweede instelling, die uit „Bretton Woods” voortkwam, is het Internationale Monetaire Fonds. De Bank nu kreeg opdracht om een bijdrage te leveren tot het weer op gang brengen van de stroom van internationale beleggingen. Deze stroom was tijdens de depressie van de dertiger jaren reeds hinderlijk verstopt geraakt, en tijdens de oorlog was er van productieve beleggingen helemaal niet veel gekomen.

De leidende gedachte was nu, dat de Bank, als een internationale instelling, waarvan de terugbetaling der schulden gegarandeerd wordt door de regeringen van al de landen die lid van de Bank zijn, zoveel vertrouwen zou genieten van de kapitaalbeleggers, dat zij aan de Bank hun kapitalen ter beschikking zouden willen stellen door obligaties te kopen. De bank kon dan dit geld uitlenen aan die landen, die dat

nodig hebben voor de uitvoering van die werken, die nuttig zijn voor het herstel of voor de verdere ontwikkeling van die landen.

Om een begin met dit werk te maken, en om als het ware aan de kapitaalmarkt al doende duidelijk te maken, dat deze opzet kon slagen, begon de Bank nu vijf jaar geleden met geld uit te lenen, dat haar verstrekt was door de deelnemende regeringen. Nederland werd een van de eerste en grootste klanten van de Bank, een grote algemene herstel-lening en vervolgens met een paar leningen om schepen te kopen, en om industrieën uit te breiden. Frankrijk was ook al spoedig een grote cliënte, maar de rest van de leningen is hoofdzakelijk bestemd geweest voor de „on-ontwlkkelde” gebieden.

De zaken van de Bank hebben zich, eerst langzaam, maar later in een vlugger tempo,, zodanig ontwikkeld, dat de Bank nu een groot vertrouwen geniet op de kapitaalmarkt, waar ze kort geleden enige obligatieleningen kon plaatsen, en waar ze binnenkort nog wel eens als een verkoopster van obligaties zal terugkomen. Deze obligaties worden gretig gekocht, en allerlei eerste klasse „huizen” stellen er een eer in om de Bank van dienst te zijn bij de verkoop van haar papieren.

y OiXi 110.CIL Om het echter zover te brengen, moest de Bank eerst tonen, dat zij een ,,Bank” was, en niet een „Hulp”-organisatie, zoals de UNNRA en later de E.C.A. Dat wil zeggen, dat de staf en het bestuur van de Bank moesten tonen, dat zij credietwaardige regeringen van oncredietwaardige wist te onderscheiden, en dat zij economisch waar-