is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 48, 08-09-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nij dan de voorspelling van Jezus te helpen waarmaken door de brand van Rome uit te breiden; hij wordt met de Christenen gevangengenomen en samen met hen, maar niet door hen erkend, gekruisigd.

De schrijver maakt het aannemelijk, zonder ooit de waarschijnlijkheid te forceren, dat in de ziel van deze primitieve, ruwe kerel de vraag blijft rondspoken: „Wie was deze Jezus eigenlijk? Wat gaat hij mij aan?” „Zijn volgelingen beweerden, dat hij voor hen was gestorven. Dat was wel mogelijk, maar niemand zou kunnen ontkennen, dat hij in ieder geval voor hem, Barabbas, was gestorven.” (Blz. 46). Het tobbende denken over deze vraag maakt de geestelijke kern van dit verhaal uit. En daarmee bereikt deze roman het niveau van de religieuze problematiek.

Wat ik in deze roman zo intens bewonder en wat mij doet weten, dat ik hem nog menigmaal zal ter hand nemen, Is het feit, dat deze roman geen conclusie toelaat. De fout van vele godsdienstige romans is, dat ze de lezer willen dwingen, tot een erkenning van de goddelijke Aanwezigheid. Alleen de allergrootsten (Dostojewski in „De Idioot”, Mauriac, Graham Greene, Bernanos, Gertrud von Lefort) ontkomen hieraan. Het betreft hier een zeer diep onderscheid tussen betoog en verhaal. Een betoog dringt naar een conclusie; een roman maakt ons vertrouwd met het problematische, geeft uitzicht op het mysterie. Ik kan me voorstellen, dat een niet-Christen deze roman ontroerd leest en met diepe instemming besluit, dat Barabbas zich heeft afgetobd met een tragische, menselijke illusie. Een Christen zal dezelfde roman lezen en ontroerd vermoeden, dat in de tragische duisternissen van het levenslot, Jezus voor Barabbas niet vergeefs gestorven is. Barabbas, met af keer bejegend door de Christen martelaars, die hij op zijn woeste manier had willen helpen, en toch één der hunnen; Barabbas die zijn eigen lot niet verstond, hoe komt hij ons nabij. Christen en niet-Christen, in zijn simpele verklaring aan de Romeinse Procurator: „Omdat ik wel graag zou willen geloven” zei Barabbas zonder een van de beide anderen aan te kijken”!

In deze kleine roman, (of is het een novelle?), komen alle thema’s der religieuze problematiek spontaan en naïef naar voren. Daar is het vraagstuk van de dood: „Het dodenrijk, dat is niets” zegt Lazarus hem in een aangrijpend gesprek (Blz. 51), maar zijn vrienden oordelen over hem, ontsnapt aan een gewelddadige dood: „Hij hoorde niet meer bij hen Het klonk wel merkwaardig maar was hij verder feitelijk niets?” (Blz. 78).

Daar is het vraagstuk van de menselijke solidariteit: „Hij was niet met iemand verbonden. Met niemand in de wereld”. (Blz. 127). „Ja, hij was eenzaam, zowel in de hemel als op de aarde” (Blz. 132). Maar toch moest het hém juist overkomen om in de kopermijnen aan een Christen-slaaf vastgeklonken te worden. „Ja, hij had zelfs het gevoel, dat hij en de gekruisigde weer door een ijzeren keten met elkaar waren verbonden” (Blz. 121).

Maar boven alles domineert het probleem van het geloof. Wat heeft Barabbas nu eigenlijk van Jezus gezièn. Ook voor hem blijft het geloof een waagstuk, want gezien... gezien heeft hij niet veel meer dan „de duisternis, die over de ganse aarde kwam toen hij de geest gaf. Ja, dit had Barabbas gezien. De duisternis had hij gezien” (Blz 89). Misschien is het wel de meest centrale regel uit dit bewonderenswaardige boek.

Jezus zelf blijft in dit boek een mysterie: „Want die hem veroordeelden, zullen wel hebben geweten wat zij deden, nietwaar?”

(Blz. 66). Als Barabbas ergens woedend vraagt, hoe je nu toch kan geloven dat Gods Zoon in zo’n armoedige streek had kunnen neerdalen, krijgt hij van een leerling het sublieme antwoord: ...Het is wel een armoedige streek, maar hij zou toch ergens moeten beginnen” (Blz. 27).

■ Het verwondert mij niet in de levensgang I van de schrijver te lezen, dat hij de mo: derne stromingen van expressionisme en i cubisme (zie Litterair Paspoort Mei 1951; : zie ook de nota achter in dit boek) heeft I meegemaakt.

Telkens en telkens weer komt onder de i mensen van het vak de mening op, dat de 1 roman heeft afgedaan, dat zijn mogelijk-1 heden zijn uitgeput, dat er een algehele vernieuwing moet komen. Men kan in de 1 buitensporige schrijftrant van sommige 2 moderne romanschrijvers fanatieke pogin-1 gen zien om de roman-Malaise zoals die – zich openbaart in de naturalistische en in e de psychologische roman, te boven te komen. Slechts nu en dan lukt het de zeldzaam begaafden, na talloze, gefaalde ex: perimenten, de kleine wereld der aan!l dachtig-lezenden te verrassen met een ” nieuw meesterwerk, dat uitkomt boven de

middelmaat van de epigonen der grote meesters uit het verleden, en tegelijkertijd boven het stadium der goedbedoelde, maar mislukte proefnemingen.

Men heeft gemeend, dat de roman het zieleleven der eenvoudigen van harte moest voorbijgaan. Of hij moest afsteken naar de duizelingwekkende, maar verwarrende diepten van het troebele onderbewustzijn, of hij moest het gedachtenleven weergeven van de overbewuste, decadente intellectueel. Maar een groot artist ontdekt ineens, in het simpele gevoels- en gedachtenleven van een uiterst eenvoudig mens, levend tussen argeloze, eenvoudige mensen, ontroerende perspectieven van oneindigheid.

De grote verworvenheid van de nieuwe stijl ligt elders: de roman der toekomst ontkomt er niet aan symbolisch te willen zijn. Een verhaal verstikt en verschrompelt door een veelheid van realistische en psychologische détails, die alles willen verklaren, maar elke zingeving onmogelijk maken.

„De Pest” van Altaert Camus,maarmeernog ’„Barabbas” van Par Lagerkvist laten een veelvoud van verklaringen toe. Dat is hun rijkdom: het menselijk leven is niet anders. J. G. B.

Gesprek op het balcon

Op een rustig ogenblik las ik het Juli-Augustus-nummer van „De Brief”, het maandblad van de A.M.V.J.; en daarin stond een artikel over het Europa-college te Brugge. Vanzelfsprekend ging dat artikel over de noodzakelijkheid van europees denken. Daarna pakte ik de krant en vond een artikel waarboven stond: „Ook christenen moeten europees denken” en dat sloot dus goed aan. Maar dan ga je denken: hoe moet dat gebeuren? Waar moeten we beginnen en hoe moeten we beginnen om ook de mensen-van-alle-dag mee te krijgen; en terwijl ik zo zat te peinzen, móest ik wel luisteren naar een gesprek dat gevoerd werd tussen twee dames, zo van het éne balconnetj e naar het andere. Zelfs al had ik het raam dicht gedaan, dan nóg zouden de luide stemmen tot mij zijn doorgedrongen, want.... die luide stemmen waren luid van verontwaardiging! Het was dan ook wel héél erg wat de dames aan elkaar te vertellen hadden. Het was bijna onoverkomelijk. Het woord catastrofe moet eigenlijk gebruikt worden. Denkt het u goed in: de éne dame was juist een uur geleden van vacantie teruggekomen, uit het buitenland. Niet al te mooi weer gehad, maar toch erg genoten. En de andere dame was al een paar weken eerder teruggekeerd van een even prettige vacantie, wel niet in het buitenland, maar toch prettig! En, stelt u het zich goed v00r.... nu was er dit verschrikkelijke, dat die van haar buitenlandse reis teruggekeerde dame, die het nog zo verschrikkelijk druk had met het uitpakken van haar koffers (hoewel er zo’n praatje van een kwartier over het balconnetj e natuurlijk bést af k0n!).... dat die dame nu zélf de melk moest halen! „Moet je je indenken, zeg; ik bel de melkinrichting op of ze dadelijk melk willen brengen, en wat zeggen ze me daar? Mevrouw, de melklopers hebben vacantie en nu moet u zelf de melk halen. Nou, hoe vind je dat? Moeten die melklopers nu óók al vacantie hebben? Waar gaat dat naar toe? ledereen schijnt tegenwoordig recht te hebben op vacantie. Ik vind het gewoon bar.” Ja, dat vond die andere dame ook, en toen gingen ze nog een beetje door met hun gal uit te

spuwen over al die sociale maatregelen van tegenwoordig, waar we dan toch maar de dupe van worden. Dat zie je nu weer aan die vacantie-manie van de melklopers! ... Even kwam de neiging op om deel te nemen aan dat balconnetjes-gesprek, maar ja, je zegt dan zo gauw iets hards, iets stevigs en dat leek me beter van niet. Maar als je dan juist twee artikelen gelezen hebt over europees denken op het gebied van ideologie, cultuur, geschiedenis, economie en sociale voorzieningen, en je wordt ineens teruggezet in de balconnetj essfeer .... dan maar lachen? Lachen om die mensen, die alleen maar denken aan zich zelf en dis ze denken over de anderen en speciaal over de arbeiders, deze medemensen zien als allerprettigste middelen voor het eigen gemak? Lachen om deze oud-liberale instelling, die klaarblijkelijk toch nog springlevend is bij velen? Lachen, omdat ook deze lieden toch mee móeten gaan, zoals die dame ten slotte het gezellige gesprek afbrak met de opmerking: „enfin, er zit niets anders op, ik moet nou maar zelf even de straat op en melk halen?” Lachen, zoals je doet om mensen die aan het strand proberen tegen de branding in te lopen en allergezelligst omvergeworpen worden? Maar dit laatste is spel en dat eerste ...?

Wat te doen evenwel om de mensen, zo niet europees, dan toch om te beginnen een beetje menselijk te leren denken? En een beetje regionaal en nationaal en sociaal? Die balconnetjes-sfeer is er zeer positief aanwezig bij velen. Dat staat, helaas, vast. Zij stribbelen tegen, ze verzetten zich, ze kankeren op alles en nog wat vanuit hun beschermde bestaan; ze interesseren zich niet voor het lot en leven van hen, die hen dagelijks aan huis bedienen. Zij leven hun gesloten leventje en.... merken niet dat de stroom doorgaat. Moeten we proberen deze mensen te waarschuwen? Of moeten we hen aan hun lot overlaten? Maar dit laatste zou even onbarmhartig zijn als wat deze lieden zelf doen ten aanzien van bijv. hun melklopers! Maar hoe ze te bereiken? Elsevier lezen ze en.... dat is voorshands een onneembaar bastion. Waarbinnen voortdurend critiek geleverd wordt