is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 50, 22-09-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

inzicht, oordeel had. En nu dit ineens. Een zoekgeraakt kaartje, waardoor de toch al zo tere en kwetsbare relatie met zijn communistische vriend dreigde verstoord te worden, bracht hem ineens op het spoor van de Waarheid. Zou het waar zijn, dat zelfs dat zoekgeraakte kaartje een teken was van het enige feit. dat thans geschiedt: de oorlogsvoorbereiding door Amerika en zijn satellieten, de Attlee’s en de Drezen inbegrepen, om de onherroepelijk voortschrijdende bevrijding van het Volk (tevergeefs) in bloed te smoren. Zou het zo zijn ?

Na dit verhaal ging ik op een stoel zitten en stopte ik mijn pijp. Nu is het een feit, dat je door lang genoeg naar de hemel te kijken, je óók figuren gaat zien in de sterren. Het was best mogelijk, dat, als ik maar lang genoeg de diepere verbanden en de structuur der werkelijkheid overdacht, ik tot dezelfde conclusie zou komen. Nu weet ik wel, dat véél mij daarbij in de weg staat. Ik ben geen proletariër. Die ziet het, volgens de communisten, zó maar, als hij maar niet meer onder de druk staat van de dollar-politici. Ik heb een, van proletarisch gezichtspunt uit gezien, buitengewoon ongunstige stamboom, al kan ik in een der zestien kwartieren een ongeletterde tuinknecht aanwijzen, maar ik vrees, dat ook dat niet veel helpt, want de man stond te veel met de pet in de hand voor mijnheer de baron. Bovendien, en dat is veel erger, ik heb een onverwoestbaar vertrouwen in een zekere objectiviteit. Ik hoor ook graag de andere partij, ook al luister ik er niet steeds naar. Met deze neiging kon ik intussen misschien mijn vriend helpen.

Ik ging aan de telefoon zitten en belde eerst burgemeester P. J. Oud op. Ik werd verwikkeld in een strijd met telefonisten en secretaressen, maar als je in Den Haag woont, sta je op dat punt voor niets meer. De heer Oud was de beminnelijkheid zelve en ik hoorde hem glimlachen, toen ik begon met mijn excuses te maken, dat ik hem stoorde. Hij verzekerde mij, dat hij graag met Den Haag contact had. Welnu, ik legde hem de vraag voor en hij had direct een antwoord. Een korte, maar heldere verhandeling over het ontstaan van het P.T.T.-bedrijf ging vooraf aan de mededeling, dat hier ongetwijfeld de monetaire politiek van minister Lieftinck de oorzaak was van deze slordige behandeling. Daardoor geen investeringen, daardoor geen automatisering, daardoor deze ergerlijke fouten, die uiteraard in het particuliere bedrijf nooit zouden voorkomen. Hij zou mij een geschrift van de V.V.D. doen toekomen. Met het oog op de komende verkiezingen. Dank u, zei ik, ik ben al voorzien. Aha, zei hij, is u soms aan de Synode verbonden? Ik moest wel bevestigend antwoorden. O, zei hij toen, dan begrijp ik wel, waarheen uw hart trekt. Sterkte, zei hij des ondanks joviaal.

Daarna, om het voor mijn goede kennis niet te duur te maken, belde ik ds P. Zandt in Delft op. Ik zei „collega” tegen hem, rnaar dat was geen reden voor hem om mij veel te onthullen. Ik verstond eerst een hele tijd lang niet wat hij zei, maar toen ik het verstond, begreep ik, dat hij de wortel van het kwaad zag in de zonde, in de verwerping van de Schrift als Gods onfeilbaar Woord, waardoor de mens van kwaad tot erger vervalt en niet meer denkt aan de plichten, die hij op zich genomen heeft. Hij wees mij op de waarschijnlijkheid, dat het kaartje op Zondag gepost was en ik* had er maar een oordeel in te zien, dat het niet terecht kwam. Wanneer zou de Overheid eindelijk eens gehoorzaam worden? Nog niet tevreden, vroeg ik de heer Welter

aan de telefoon. Dat moet een scherpzinnig man zijn. Hij zag verbanden, die dieper dan diep waren. Hier was communistische sabotage in het spel. Ik meende dat te moeten betwijfelen omdat de draad werd roodgloeiend van schaamte het kaartje afkomstig was van iemand, die sympathie had voor Rusland, zo verzachtte ik wat de bittere pil. Juist daarom, zei hij. Zouden ze kaartjes van anderen nemen, dan zou het direct in de gaten lopen. Dan zou iedereen zeggen: o, begint het hier ook al, laat ons Welter roepen en dan was het met het communisme uit. Maar nu begon men juist met de kaartjes van hun eigen bentgenoten te verdonkeremanen (en wie weet, de postzegels voor de strijdkas er af te weken) bij wijze van vooroefening, om de wetsgetrouwe en niets vermoedende burgers zand in de ogen te strooien. Om dan, na deze vooroefeningen, straks volmaakt toe te slaan. Aha, zei ik, dank u.

Ook de heer Neher gaf inlichtingen. Best mogelijk, zei hij. Wij hebben nl. instructie gegeven om een deel van de post, die door communisten wordt aangeboden (wij hebben daar een boek van, het Rood-boek), uit de circulatie te nemen. Die lui moeten leren, dat zij buiten de wet staan. En, inderdaad, het is wel eens druk. Dan grijpen onze sorteerders en bestellers wel eens deze mogelijkheid aan om aangeboden poststukken te veronachtzamen. Dat is dan een soort vacantie voor hen. De boog kan niet

altijd gespannen zijn. Over het algemeen hebben wij tegen veronachtzaming in ons bedrijf het grootste bezwaar en wij hebben ons bedrijf prima in orde, maar ergens moet een uitlaatklep zijn. U weet toch wel iets van psychologie? Ja, zei ik, en ik dankte de heer Neher zéér voor deze insideinformation.

Ten slotte belde ik dr W. Drees op. Hij zal wel raarder telefoontjes gehad hebben. Niet in ’t minst van zijn stuk en onmiddellijk bereid, hoorde hij mij geduldig aan. Het is bekend, dat hij snel oog heeft voor bepaalde situaties, dus ik behoefde hem het geen tweede keer uit te leggen. Bovendien heb je bij Drees altijd het voordeel, dat hij iedereen kent. Ook in dit geval was dat een kostelijke hulp. Hij lachte wat, peinsde achter zijn groene ogen vandaan en zei: laat je goede kennis daar eens uit die stoel op staan en onder de vloermat gaan kijken. Bij de voordeur. Ik gaf het mijn kennis door, hij stond op, want wie zal Vader Willem ongehoorzaam wezen? Hij kwam met het kaartje terug. Een beetje smoezelig, maar mèt het glorieuze bericht van een nieuw kind.

„Zie je wel”, zei Drees. „Br is helemaal geen oorlogsvoorbereiding.” Opgelucht verliet ik de woning van mijn kennis. Hij verzekerde mij, dat hij het leven èrg moeilijk vond. „Welnee”, zei ik, „als je maar een telefoon hebt.” L. H. R.

Romankunst

9

N.a.v. J. van Oudshoorn. Doolhof der zinnen. Uitgave G. A. van Oorschot, Adam 1950. 509 blz ƒ.12,50.

. Deze uitgave is een eerherstel. Als men de Nederlandse romankunst van na 80 overziet, dan merkt men, dat naast en parallel met een machtige opbloei der poëzie, er een woekering is geweest van meestal neerslachtige, naturalistische, burgerlijke romans. Terwijl Gorter, H. Roland Holst, Houtens, Leopold, Van de Woesteyne hun vervoerende, hemel-bestormende poëzie schreven, werd er naarstig een bibliotheek aan romans bijeengeschreven over verziekte levens, over muffe burgerhuizen, en naar gekookte-kool-riekende achterbuurtkamers, over mislukte huwelijken en dreinerige liefdes-met-ruzie. En dat alles werd de lezer opgedrongen met een nimmer-aflatende aandacht voor de kleinste détails; niets werd hem bespaard, geen \ale kleur en geen weeë lucht. Men kon niet ontkennen, dat hier begaafde schrilvers aan het werk waren, die met Hollandse degelijkheid het Franse naturalisme beoefenden, maar dan zonder de zwier en de epische vaart, die sommige romans van Zoia nog altijd leesbaar maken. Een hele rij namen dringt zich hier aan de kenner van de Nederlandse literatuur op. M. Emants, A. Aletrino, G. v. Hulzen, E. Buysse, F. Coenen, J. de Meester, I. Querido, H. Heijermans. Tussen deze namen trof men dan ook, in de meest uitvoerige literatuurgeschiedenissen J. van Oudshoorn') aan... We vergeten wel eens dat 1880 al bijna drie-kwart eeuw achter ons ligt, dat de

letterkunde van vóór en gedurende de eerste wereldoorlog nu toch heus tot de geschiedenis behoort, en dat daarmee de tijd der schifting en der herijking is aangebroken. Dat betekent ook, dat waar de meeste der zo juist genoemde naturalistische romans zo langzamerhand uitverkocht, en alleen nog maar antiquarisch te krijgen zijn, het beste werk heruitgegeven dient te worden.

Tot de kunst van romanlezen hoort ook een wijze keuze van oude, maar niet vérouderde boeken, een begin van wantrouwen tegen de reclame, die ons wil doen geloven, dat er elke maand in Nederland weer een meesterwerk is geschapen, dat ge moet gelezen hebben om „bij” te zijn. in de ~Geschiedenis der Nederlandse Letterkunde” sprak Greshoff nog over het halfzieke querulantenproza van Van Oudshoorn”; meer en meer echter wordt het duidelijk, dat juist Van Oudshoorn onder de zo juist genoemde, en nietgenoemde schrijvers, degene is, die zijn tijd en zijn tijdgenoten zal overleven,

Het is te gemakkelijk, zoals vaak gebeurt, het late, hoewel bescheiden succes van Van Oudshoorn toe te schrijven aan de weerzin van het publiek, dat nu eenmaal niet gaarne naargeestige boeken leest. Immers men vraagt zich dan onmiddellijk af, waarom juist deze schrijver zo ver ten achter stond bij zijn, straks genoemde collega’s, die toch waarachtig het leven ook niet van de vrolijke kant bekeken. Maar als men nauwkeurig toeziet, merkt men diepgaande verschillen, waarvan er twee zeer belangrijk zijn. Ten eerste, mag het óns lijken