is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1951, no 2, 06-10-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gezond egoïsme

Men moet in deze wereld geen sufferd zijn. Reeds leert men zijn kinderen, dat zij uit hun doppen moeten kijken, want veel kinderverdriet zou voorkomen worden, als de kinderen zelf niet al te goedgelovig waren.

Dit geldt met des te meer nadruk voor de grote kinderen, de geestelijk levende mensen, die mooie en diepe dingen kunnen zeggen, zonder er enig vermoeden van te hebben, dat hun woorden als zeepbellen omhoog gaan om na korte tijd uit elkaar te spatten. Dit bellen-blazen is het grote verwijt, dat de kerk de laatste eeuw gedaan is en in de kerk komt men steeds meer tot de overtuiging, dat men met beide benen op de grond moet staan, wil men kunnen werken.

Dat slimheid niet in alle opzichten verwerpelijk is, leert ons het Oude Testament in de figuur van Jacob. Het is wel is waar moeiiijk om ethische bedenkingen te onderdrukken, wanneer men de levensgeschiedenis van deze aartsvader nagaat, maar wij moeten ook niet uit het oog verliezen, dat er een kinderlijke insteiling is, die deze geschiedenis weet te waarderen. Het is de slimheid van Jacob, die de kinderen bev/onderen, een detectief-neiging brengt hen er toe om reeds vooruit te denken, wat de gevolgen van het bedrog zullen zijn, in één woord, zij leven van a tot z mee, omdat de bedenkingen van de ethiek nog niet zo zwaar wegen als in het leven der volwassenen. Zij zien de behendigheid van het spel en daarbij wordt de zwaarte van de ethiek een ogenblik vergeten.

Het is ons in de oorlog niet anders ge-

gaan. Genietend hebben wij elkaar verteld, hoe wij het spel tegen een overmachtige vijand gespeeld hebben en alleen de zeer principiëlen onder ons stonden met bedenkingen klaar. Ik herinner me, hoe collega Buskes in een kring iets over zijn ervaringen in de gevangenis vertelde. Hij had daar een slager ontmoet, die zich voor zwarte praktijken had te verantwoorden. Na het verhoor deed deze man verslag van zijn ervaringen. „Dominee”, zei hij toen tot Buskes, „ik wist gisteravond zelf niet meer, of ik gesmokkeld of niet gesmokkeld had”. Inderdaad, zo ver kan het spel gaan, zo moet men zich staande houden, wanneer men onder de totale verdrukking lijdt.

De ik-drift, die het leven zoekt te behouden, is ontzaglijk sterk. Eer kan men een wolkenkrabber steen voor steen afbreken dan dat men deze ik-drift het zwijgen oplegt. Wie het dan tot het standpunt van het gezonde egoïsme brengt, schijnt in dit leven al een heel eind gevorderd. Het bolwerk van al het gezonde egoïsme is de heilige Martinus, die op een vraag van een bedelaar de helft van zijn mantel afstond, maar de andere helft voor zich zelf behield. Dit wekt in ieder geval de indruk, dat men een heel eind meegaat op

de weg van Christus dat men hem in ieder geval principieel volkomen gelijk geeft, dat men echter enkele kleine bedenkingen heeft.

Het kon daarentegen wel eens zo zijn, dat dit gezonde egoïsme de laatste, maar beslissende slag is, die wij Christus toebrengen. Het is niet onmogelijk, dat deze koperen spijker, die wij met een elegant gebaar in het kruis slaan, juist de definitieve dood betekent. Het is zelfs duidelijk, dat de stappen, die wij in het gezond egoïsme naast Christus afleggen, van het begin af aan een tegengestelde richting hadden. In deze wereld moet men zien vooruit te komen, men moet geen sufferd zijn. Het gezonde egoïsme is wel de smalste basis, waarop men deze levenswijsheid in toepassing brengt. Maar Christus is achteruitgegaan, steeds achteruit, totdat hij op Golgotha gekruisigd werd. Toen behield hij niet als Martinus de helft van zijn mantel, maar die werd onder het werpen van dobbelstenen verloot. Het is waar, dat de gehele kerk in de navolging van Christus struikelt, maar de hemel behoede ons er voor, dat wij daarom Martinus meer liefhebben dan Christus!

A. F. L. VAN DIJK

absolute staatsvorm onvermijdelijk is. Maar het vermoeden is gewettigd, dat de staatsen maatschappij vorm der communistische landen door het principiële accent op stoffelijke lotsverbetering en rechtvaardigheid voor de toekomst als apparaat meer mogelijkheden biedt. Ten slotte weet bijv. het communistische regime in China een indrukwekkend élan te wekken, en ook een zeker positief geloof te kweken. Wij beseffen het, dit is een riskante gedachte. Maar om bij de nuchtere feiten te blijven: het communistische deel der wereld zal zijn politiek tegenover het andere deel beheerster kunnen voeren. Het gevaar dat de communistische landen uit emotionele behoefte een oorlog moeten gaan voeren is op het ogenblik waarschijnlijk reeds aanzieniijk kieiner dan voor het Westen het geval is. O.a. is de reden hiervoor, dat zulk een oorlog practisch uiterst bezwaarlijk is en voor de nog steeds zeer zwakke levensstandaard dier landen fataal zal worden. Wie tegen dit alles bezwaar heeft, moge bedenken, dat de hiervoor gegeven waardebepaling van de communistische staatsvormen plaatsgevonden heeft bij gebrek aan beter.

Consequente marxisten zullen hun hoop gevestigd hebben op het industriële Amerika, waar dan misschien tegen de verdrukking der omstandigheden in zich op den duur een waarlijk socialisme zou kunnen ontwikkelen. Hierbij moge echter bedacht worden, dat zulk een ontwikkeling slechts mogelijk is na gewelddadige conflicten om en in dat Amerika. Dat wil vrijwel zeker zeggen, na een derde wereldoorlog.

Het is echter beslist de enige taak der politici om die derde wereldoorlog te vermijden, om dus te trachten de plaatsvindende omwenteling in rustiger banen te leiden. Hun werkelijke taak; inderdaad, al bemerken wij er weinig van!

H. VAN VEEN.

Industrialisatie en investeringsbeperking

Een van de grote politieke strijdpunten vormt op het ogenblik, zoals men weet, de investeringsbeperking. De regeringsverklaring van 17 Maart hield in: 5 pet consumptiebeperking en 25 pet beperking van de investeringen. De eerste is daarop snel tot stand gekomen; dit was, gegeven de medewerking van de vakbeweging, ook vrij makkelijk omdat de Regering dit rechtstreeks kon doen door subsidies op enige eerste levensbehoeften af te schaffen. De laatste, de investeringsbeperking dus, is er nog niet; deze heeft de Regering nl, op enkele uitzonderingen na, niet rechtstreeks in de hand: zij moet het gevolg zijn van een reeks credietbeperkende en belastingverhogende maatregelen welke de investeringsplannen remmen, terwijl de reeds in uitvoering zijnde realisaties uiteraard nog in de eerste maanden worden voltooid. Er is dus een overgangsperiode en die wordt gekenmerkt door een zekere politieke spanning. Zullen de investeringen ten slotte inderdaad hun offer brengen?

Daar de investeringen die de industralisatie raken van zulk een eminent belang zijn, is het interessant om eens te zien hoe de minister van Economische Zaken, die voor deze sector verantwoordelijk is, hierover denkt. Van tevoren staat vast dat hij een moeilijk dilemna moet oplossen: de industriële investeringen moeten immers volgens de bestaande plannen worden uitgebreid ter wille van de (niet heel verre) toekomst, terwijl de eis van investeringsbeperking, die een deel vormt van het regeringsprogramma van Maart, is gesteld met het oog op de betalingsbalans van nu (of van 1952). Het ligt dus zeer voor de hand dat de Minister zal proberen de druk op de industriële investeringen zo gering mogelijk te maken, hetgeen uiteraard inhoudt dat de last dientengevolge zal moeten worden gedragen door zijn ambtgenoten van de overige economische departementen.

In de Industrialisatienota, die voor de derde maal zijn begroting vergezelt, vertelt hij zijn plannen. Hij wil 25 pet bezuinigen, maar ten dele niet door verlaging van het huidige niveau doch door verlaging van het plancijfer voor 1952. De hoofdmoot zal dan verder gevonden worden door inkrimping

van dat deel van het bestaande investeringsniveau dat voor rekening was gekomen van de voorraadvorming. Als we de totale investeringen voor 1950 stellen op 3500 mln dan is 25 pet daarvan dus 875 mln. Het deel daarvan dat door voorraadbeperking kan worden gevonden kan makkelijk op 600 of 700 mln worden begroot zonder in een onmogelijke toestand te geraken, want in 1952 was de voorraadvorming door Korea met ca 1600 mln zeker meer dan het dubbele van de normale. Het moet dus mogelijk zijn de investeringen in outillage en gebouwen van de industrie op het tegenwoordige niveau handhaven. De verhoging hiervan (van 1400 op 1600 mln) die in het industrialisatieplan oorspronkelijk noodzakelijk was geacht, geeft de Minister dus, zoals gezegd, prijs. Uit zijn beschouwingen kan men opmaken dat hij zich hier niet al te zeer bezorgd over maakt, vermoedelijk doordat de oude ramingen wat zijn meegevallen.

De lezer zal hoop ik met mij eens zijn, dat deze poging de moeite waard is. Te recht probeert de Minister zijn sector prioriteit te geven. Dit is meer dan een pleidooi voor zijn eigen standje. De industriële investeringen in gebouwen en outillage vormen inderdaad voor ons land het strategische punt.

Maar ja, de lezer zal eveneens hebben bemerkt, dat op deze wijze van een offer door de ondernemers slechts tot op zekere hoogte sprake is. Door de verschillende maatregelen zal de productie en dus ook de winst af nemen; de mindere winst zal leiden tot minder consumptie, maar voor zover zij leidt tot minder investeringen of tot beperking van ’t tempo der investeringstoename is ’t vooral het Nederlandse volk als geheel dat de last, vooral op den duur ervan meedraagt. Van een geheel evenredig offer is in onze maatschappijstructuur geen sprake ondanks de enorme progressie der belastingen. Het is te hopen dat het Nederlandse volk in de spanning van de juist aangevangen verkiezingstrijd zal willen aanvaarden dat we in dit opzicht in een onvolmaakte wereld leven, waarin we slechts op het bereiken van beperkte verlangens mogen rekenen. R. EVERTS

N.V. De Arbeiderspers