is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1951, no 4, 20-10-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Want het zou juist een depreciatie zijn van het bestaan van de arbeider, die waarlijk niet gekarakteriseerd is door een pruim achter de kiezen en door een sexueel en religieus nogal pittig vocabulair.

Van betekenis is zulk een daad zeker, maar dan toch niet voor het directe apostolaat. Je kunt méé-bomen in de schafturen, je kunt onder het werk een opmerking plaatsen, je kunt belangstelling hebben voor moeder de vrouw, die met een zwerende vinger zit en nu door de buurvrouw de was moet laten doen. Je kunt leren, hoeveel rangen en standen er onder de arbeiders zijn en wat een hogere loonklasse voor de geestelijke welstand, voor het gevoel van eigenwaarde betekent. Je kunt ontzaglijk veel leren. Maar je kunt, dunkt mij, er uiterst weinig doen. Persoonlijk denk ik alleen maar met diepe dankbaarheid terug aan mijn jeugd, toen ik als „zoon van de baas” te midden van de arbeiders speelde en meehielp. Waarbij ik dan met verhulde eerbied en openlijke hoon bejegend werd. Hun onderlinge jaloezie leerde ik kennen en hun grote gevoeligheid voor waardering. De sigaar bij het Zaterdagse loon (patriarchale verhoudingen dus) was meer dan een dubbeltje waard. Hij ging onder de pet voor Zondag.

Maar later heb ik, tussen landarbeiders, toch weer heel andere dingen moeten leren en weer later, met fabrieksarbeiders in aanraking komend èn met werklozen (1932—1939) moest de herinnering aan de verhoudingen in het ambacht en op het platteland herzien worden. Een paar maanden, liever een paar jaar intiem verkeer, kan voor dit alles het oog openen. Men zal als predikant anders door het leven gaan, dan wanneer men in de broeikast is klaargekweekt. En de maatstaven van het eigen bestaan voor alleen-mogelijk en goedchristelijk houdt.

Ik heb hier geen advies over het apostolaat te geven. Alleen dit: wanneer men werkelijk de mens wil benaderen, dan zal men met deze mens moeten werken èn leven. Ook ziende op het probleem van de massajeugd zou ik willen pleiten voor een aantal predikantsgezinnen in arbeiderswijken, die als de theologische opleiding van heden daarvoor geen verhindering is de deur open houden, mensen ’s avonds vragen. Maar dan ook dezelfde nood ondergaan. De nood van de te kleine ruimte en van de voortdurende onderschikking; van de levensonzekerheid en van het broeierig samengepakt zijn. Maar dan niet een tijdje. Zoiets „lukt” alleen maar, als het voor het leven bedoeld is. En wordt men daarvoor predikant met een studie, die, globaal berekend, een kleine ƒ 10.000 kost? Hiervoor zal men moeten wachten op mensen, die een ziel hebben als Franciscus en nuchter zijn als een vakverenigingsleider.

Misschien zullen de aankomende predikanten, die geen pastorie kunnen vinden, van de nood een deugd kunnen maken. Maar zijn daaronder, die deze singuliere gaven hebben? Een feit is het, dat van de voorlaatste lichting van het Hervormde seminarie nog niet allen een gemeente gevonden hebben. Merkwaardig: hierover klaagt men nu veel meer, dan in een vroegere periode, toen het ook soms enige j aren kon duren, voor men aan slag kwam. En toen men wel is waar niet reglementair (kerkordelijk moet ik thans zeggen) maar economisch gedwongen was een hulppredikerschap op zich te nemen. De verwachting, dat alles maatschappelijk wel zou lopen is bij zoveel ordening in de hele samenleving ook levend geworden onder de theologen. De geest van de free enterprise blijkt (ondanks „Burgerrecht" e.d.)

toch wel teruggedrongen te zijn en wordt door welke stoere taal dan ook, niet zo gauw meer levend. Ik vind dat niet erg. Integendeel. Maar dan moet de Kerk in zijn geheel ook weten, wat dat voor de planning van zijn geestelijke arbeid betekent. Dat betekent, dat men zo nauwkeurig mogelijk nagaat hoe groot de behoeften zijn voor de komende jaren en dat men de inschrijving in het kerkelijk album als student tevens gebruikt om hierover aan de nieuw-aangekomene goede inlichtingen te geven. Het betekent verder, dat de Kerk dus ook voor de studenten al verantwoordelijkheid op zich moet nemen, óók in economisch opzicht.

Hier is men nog niet mee klaar. Men is er zelfs nog niet mee begonnen. Ik ken de weerstanden natuurlijk héél goed. Ik ken ook de schijnbaar vrome tegenwerpingen. In het verschiet zie ik liggen, dat de Kerk de opleiding van de dienaars gaat betalen, de aanvoer regelt en de afvoer planmatig beïnvloedt. Dat ook hier weer grote gevaren

aan verbonden zijn, behoeft men mij niet te vertellen. Maar wij moeten, juist in de kerk, dunkt mij, de angst voor gevaren overwinnen.

Ik zie het in het verschiet liggen. Ik zie het niet volgend jaar in de practijk gebracht. Men zal nog aan het idee moeten wennen en men zal, zonder vrees, in brede lagen moeten nagaan of men tegen nieuwe dingen alleen maar tegenstribbelt, omdat men naar de natuurlijke mens conservatief is (gestut door bijbelteksten natuurlijk, anders heeft men geen excuus) of dat men het afwijst wijl men in het heden betere wegen ziet.

Als een afgestudeerde theoloog de overall aantrekt, moet hij dat vrijwillig doen. Zonder illusie. Enkel om zijn naaste in een bijzondere situatie te leren kennen. Misschien om hem voor het leven te helpen. De Kerk in zijn geheel moet er voor zorgen, dat hij er niet toe verplicht wordt, dat te doen.

L. H. R.

VERACHT DE DAG DER KLEINE DINGEN NIET

Veracht de dag der kleine dingen niet,

De dag die morgen reeds vergeten is

En waarvan geen herinnering ooit ’t gemis Doet voelen, dat een and’re dag U liet.

Misschien dat nauw' geweten wonder U verliet: In kinderlijke onhekommernis

Te kunnen luist’ren naar een simpel lied. Veracht zo’n dag van kleine dingen niet.

Wellicht dat Gij Uzelf verried

Aan haar, voor wie dit droef geheimenis En deze dag niet te vergeten is.

Wijl Gij niet naar de kleine dingen ziet.

Of, dat ge in het eng verschiet

Van één, zijn kleine zekerheden zeer gewis. Zo achteloos de bange twijfel stiet.

Daarom, veracht de dag der kleine dingen niet.

ET. E LUCTOR