is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1951, no 4, 20-10-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Duitse meningen over de herbewapening van Duitsland

2

De voormalige (minister van Binnenlandse Zaken der Westduitse Bondsrepubliek heeft, zoals wij de vorige keer al schreven, in zijn samenvatting van de problematiek rondom het vraagstuk van de herbewapening van West-Duitsland, naast de reeds vermelde nog andere argumenten en overwegingen. Deze zijn dan:

1. De van West-Duitsland gevraagde bijdrage aan de verdediging van het Westen is stellig ook bedoeld om West-Duitsland te beschermen tegen het gevaar van een aanval uit het Oosten. Bestaat er echter werkelijk ernstig het gevaar van een dergelijke aanval? Kan het ook niet zo zijn, dat Rusland tot een dergelijke aanval gedwongen wordt door dat, wat het Westen doet? Rusland heeft immers al verklaard, dat het een herbewapening van West-Duitsland niet zou dulden? Het versterkte zijn vredespropaganda, die stellig voortspruit uit de dogmatisch-Marxistische vrees voor een „omsingelings-politiek”. Zou het niet kunnen zijn, dat Amerika, naarmate de Amerikaanse politiek van een wereldomvattende tegen Rusland gerichte versterking der militaire krachten volledig gerealiseerd wordt, het uiterste gaat wagen? Al het gepraat over de onvermijdelijkheid van een nieuwe oorlog is de beste manier om deze oorlog inderdaad onvermijdelijk te maken.

2. Wat moeten wij in West-Duitsland doen? Een oorlog zal onder geen enkele omstandigheid een oplossing voor ons betekenen. Daarom moet het er voor ons om gaan de vrede te bewaren en voor de rest maar geduldig af te wachten.

3. Wat wij kunnen verhinderen is voor alles, dat wij als mensen van hetzelfde volk en van dezelfde families, in de twee stukken van deze „gespleten wereld” in haat en oorlog tegenover elkaar komen te staan. Het moet daarom veeleer onze taak zijn, om wat er nog over is van een „gemeenschappelijk Duits leven” in stand te houden en te gebruiken als uitgangspunt voor een hereniging van ons gehele volk. Tot die houding zullen wij de mensen in de Oostzone en in de Westzone moeten oproepen. Verwachten wij in het Westen niet van alle Duitsers in de Oostzone, dat niemand van hen zal deelnemen aan een oorlog, die tegen ons zou worden gevoerd? Hoe mogen we dit verwachten, wanneer we zelf als deel van ons volk deelnemen aan de bewapening van het Westen? Zolang wij alleen maar anti-communistisch zijn, zijn wij zuiver defensief.

Zodra wij op de basis van een uitstekende sociale ordening van onze samenleving weer tot een Duitse-natie-inzijn-geheel worden, kunnen wij in de goede zin actief zijn.

4. Betekent dit neutraliteit? Neen. Wij zijn, zowel op grond van onze geschiedenis als van onze levensinstelling, anti-

totalitair. Onder de gegeven omstandigheden zouden wij, evenals Finland, Zweden, lerland, Zwitserland, Oostenrijk, Joegoslavië en sommige Aziatische volkeren, een land moeten blijven, dat zich naar geen van beide zijden door verplichtingen verbindt.

5. En als de Amerikanen dan weg zouden ■ gaan? Die zullen niet weggaan. Die verdedigen hun eigen zaak in West-Europa, en de Westeuropese volkeren willen hun zaak in West-Duitsland verdedigen en dat bovendien nog met de Westduitse soldaten, die wij hun moeten geven.

6. En wanneer de Amerikanen ons willen dwingen? Dan zouden wij ons niet minder sterk moeten verzetten dan de mensen in de Oostzone dat doen in hun situatie. Natuurlijk zal men proberen ons te dwingen, al zal men het niet tot een crisis laten komen, die het bolsjewisme in de kaart zou kunnen spelen.

De voornaamste argumenten hebben we hiermee wel genoemd. De tweede, die, zoals wij ook al schreven, zijn mening formuleert en daarmee een ander deel der in West-Duitsland levende gevoelens en gedachten inventariseert, is de president van de Bondsdag, het Westduitse parlement. Allereerst noemt hij enkele punten, waarover geen verschil van mening bestaat:

1. De huidige wereldsituatie wettigt in geen enkel opzicht de verwachting van een duurzame vrede.

2. leder ogenblik kan door een der partijen een oorlog worden ontketend.

3. De volkeren ook het Duitse volk willen de vrede bewaard zien.

4. Geen enkel serieus-denkend mens in Duitsland gelooft dat de situatie in de wereld of van bepaalde volken er door een oorlog beter op zou worden.

Vervolgens noemt hij enkele punten, waarover, naar hij meent, geen eensgezinde opinie kan worden verwacht. Dit zijn:

1. De vraag, of Rusland werkelijk een aanval op het Westen wil ondernemen.

2. De vraag, of een herbewapening van West-Duitsland noodzakelijk zal leiden tot een oorlog met Rusland.

3. De vraag, of de gedachte van een „preventieve oorlog” tegen Rusland, die in bepaalde kringen wordt voorgestaan, op een gegeven ogenblik niet de overhand zou kunnen krijgen in het Westen.

4. De vraag, of zelfs bij een deelname van West-Duitsland aan de militaire macht van het Westen een verdediging van Europa, en in het bijzonder van het Duitse gebied, bij een aanval uit het Oosten wel mogelijk zal blijken.

Bij de discussie over het vraagstuk der Westduitse herbewapening mag men niet doen, alsof men een van deze vragen wel met volledig zekerheid zou kunnen beantwoorden (in het bijzonder de eerste vraag).

In de derde plaats somt hij enkele punten op, waarover naar zijn mening wel een

eensgezind oordeel zou moeten bestaan en wel:

1. De wil der Duitsers om de vrede te bewaren, vormt op zich zelf geen garantie voor de vrede. Men kan het vraagstuk niet losmaken van de internationale situatie.

2. Bij een conflict tussen Oost en West zou Duitsland altijd betrokken raken; op z’n minst als oorlogsterrein en door de economische gevolgen.

3. Het zou alleen dan zin hebben om te praten over de mogelijkheid van een „neutraal Duitsland”, waar allen, bij een mogelijke conflict betrokken staten, zelf permanent belang zouden hebben bij een dergelijke neutraliteit. ledere nuchtere beschouwing van de situatie moet tot de conclusie leiden, dat dit niet het geval is.

4. Noch de geschiedenis noch een analyse van de huidige situatie van Duitsland kunnen de gedachte rechtvaardigen, dat Duitsland ook maar enige kans heeft om door zijn schijnbare „tussen-positie” een soort „derde” neutrale macht te vormen.

5. Het scheppen van een politiek vacuum in Duitsland, d.w.z. het uitleveren van heel Duitsland aan de propagandistische en politieke methoden van het systeem, dat nu reeds Oost-Duitsland beheerst, zou heel Duitsland onder de heerschappij van dat systeem brengen.

6. De grootte van een eventuele Duitse bijdrage aan de verdediging van het Westen wordt beslist door de „risico-gedachte”, d.w.z. deze zal zo groot moeten zijn, dat voor een eventuele aanvaller het risico van een aanval te groot wordt. Natuurlijk blijven er dan nog een reeks detailvragen, waarover stellig gesproken zal moeten worden. Da,t gesprek zal door deskundigen gevoerd moeten worden en daarbij mogen noch gevoelens van ressentiment noch onreële wensdromen een rol spelen.

Zijn persoonlijke mening vat de president van de Bondsdag dan aldus samen:

1. Ik meen, dat men in de huidige situatie de vrede in Duitsland en in Europa het beste dient, door het gevaar van een aanval zo sterk mogelijk te beperken.

2. Ik geloof niet, dat dit gebeuren kan door het scheppen van een politiek en militair vacuum in Duitsland en houdt daarom een „neutralisering van Duitsland” niet voor mogelijk.

3. Ik meen, dat een Duitse bijdrage aan de verdediging van het Westen de vorm moet hebben van een deelname aan een Europees leger, indien door de geallieerden de politieke en militaire voorwaarden daarvoor geschapen zijn.

4. Op psychologische en algemeen-politieke gronden pleit ik voor een „vrijwilligerssysteem” en tegen een algemene dienstplicht in West-Duitsland.

De derde en zeer merkwaardige stem in deze discussie, die van de ex-generaal, bewaren we met enige commentaar op de drie meningen, voor een slot-artikel over dit onderwerp. J. H.

P.S. In het vorige artikel werd „Cirrus” ten onrechte een Franse naam genoemd; het Duitse blad kreeg eveneens ten onrechte de naam „Kirche und Mensch” en tot slot werd er abusievelijk onder punt 7 gesproken over een Europese linie. Respectievelijk hadden er de woorden fraaie, Mann en unie behoren te staan. Wij verzoeken echter lezeressen en lezers hiervoor de zetter(s) geen verwijt te maken. De oorzaak lag stellig in ons bovenmate (on) duidelijk' handschrift.