is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1951, no 4, 20-10-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Over de mens (2)

(n.a.v. Dr H. R. Wijngaarden. Hoofdproblemen der volwassenheid. Uitgave J. Bijleveld. Utrecht. 1950. 268 blz. ƒ 6,90.)

De Uitgeverij Bijleveld te Utrecht doet een goed werk, door met haar serie „Psychologische en Paedagogische werken”, die zo langzamerhand meer dan één boekenplank beslaan, de Nederlandse ontwikkelde lezer in staat te stellen zich op de hoogte te houden van de belangrijkste bevindingen op psychologisch en paedagogisch gebied. Vertaalde en oorspronkelijke werken, boeken uit de verschillende psychologische samenvattende studies en speciale vraagstukken, men vindt in deze serie, die een rijke verscheidenheid vertoont, vrijwel alles, wat men bij mogelijkheid zou willen weten op dit terrein. De boeken staan rustig naast elkaar op één boekenplank, maar ze leveren geducht met elkander slag, overeenkomstig de slagorde der verschillende scholen van de dieptepsychologie, Freud, Adler, Jung, en deze te zamen maken weer front tegen de auteurs van die boeken, die in heel de dieptepsychologie weinig zien. De geduldige lezer kan er zijn geest mee verrijken, zijn inzicht in andermans gedrag mee verdiepen, en als hij wil, zijn eigen handelen mede door laten bepalen. Nog altijd is de studie van de mens het mooiste onderwerp dat men zich denken kan, en hoewel ik niet graag beweren zou, dat men de mens alleen maar kent, als men de wetenschap der psychologie beheerst, toch valt het niet te ontkennen, dat juist deze wetenschap machtig veel kan bijdragen juist tot deze kennis.

Het boek van Dr Wijngaarden was een gerede aanleiding om onze lezers eens nadrukkelijk op het bestaan van deze serie te wijzen, temeer, daar dit boek er een voortreffelijk figuur in slaat. Al meteen het onderwerp is buitengewoon aantrekkelijk. Er is heel wat geschreven, goed en slecht, over de verschillende jeugdphasen, maar de volwassenheid was zelden een voorwerp van studie. Dit zal wel mede zijn oorzaak vinden in het feit, dat het erg moeilijk te zeggen is, wat volwassen eigenlijk is. Het is een begrip, haast even doorzichtig als b.v. gezondheid. ledereen weet wel ongeveer wat er mee bedoeld wordt, maar probeer het maar eens te omschrijven anders dan met negatieve aanduidingen in de trant van: gezond is, wie niet ziek is; volwassen is, wie zijn jeugd achter zich heeft en nog niet oud genoemd kan worden. Dr Wijngaarden heeft er goede redenen voor, dat hij het tijdperk van de volwassenheid ruw af bakent als de tijd tussen twintig en veertig (zie ondertitel en discussie blz. 78 en vlg.), maar daarmee is nog weinig gezegd.

In zijn „Woord vooraf” zegt de schr. dat dit boek ontstaan is in de psychologische praktijk. Men kan dit terdege merken. Het zal hiermee wel samenhangen, dat hij, en van zijn standpunt terecht, de volwassenheid benadert van uit de vraagstelling: voor welke levensopgave wordt de mens in dit tijdperk gesteld en dan komt hij tot vier hoofdproblemen: de mens moet nu zichzelf leren aanvaarden, de anderen, d.i., de gemeenschap leren aanvaarden, zo ook de anderen d.w.z. in huwelijk, sexualiteit en ouderschap, en ten slotte een zin des levens leren aanvaarden.

De hoofdstukken, waarin hij deze viervoudige aanvaarding beschrijft, vormen de hoofdzaak van dit boek. Ik kan er niet aan denken ze samen te vatten. Hier spreekt een wijs mens met veel ervaring, terdege

thuis in de vele psychische ontsporingen, die mogelijk zijn, en suggereert uitkomst en oplossing in levensmoeilijkheden. Hij is psycholoog en zielzorger in enen. Nergens verhult hij zijn levensbeschouwing, die Christelijk is (Dr Wijngaarden promoveerde op dit boek aan de V.U., waaraan hij, naar ik meen, doceert. Hij ging destijds vanuit Hersteld Verband over naar de Nederlands Hervormde Kerk), maar dit belet hem niet, wat zo vaak, en niet geheel ten onrechte, aan Christenen verweten wordt, zijn nut te doen met de verworvenheden van een wetenschap, die in menigeen van zijn kopstukken wel ver verdwaald is van het Christelijk gedachtegoed omtrent de mens.

Ik denk hier speciaal aan het wijze hoofdstuk over liefde en huwelijk, maar niet minder aan het uitvoerig voorwerk van dit boek, waar de schr. met grote nadrukkelijkheid het recht opvordert psychologie te beoefenen vanuit een bijbelse levensbeschouwing. Wonderlijk genoeg leeft jmst in de milieu’s van psychologen nog vaak het verouderd vooroordeel, dat hun wetenschap pas goed beoefend wordt, als men geen levensbeschouwelijke veronderstellingen mede inbrengt. Alsof dit mogelijk was! Alsof dit meestal niet betekent de vooron-

derstelling van een z.g.n. neutraliteit, die in feite een verkapt en vaak Jioogmoedig agnosticisme is!

Het is jammer, dat de hier en daar geleerde argumentatie met veel citaten in vreemde talen belet, dat men dit boek zonder meer kan aanbevelen aan elke belangstellende leek. De practische inzichten, waar het om gaat, verdienen de ruimste verspreiding. In elk geval mogen degenen, die verantwoordelijke leiding over volwassenen en bij na-volwassenen hebben, dit boek niet ongelezen laten. Ze hebben overigens, voor zover ik zien kan, geen keuze. Er is geen ander boek.

Gegroeid uit en voor de practijk, vertoont dit boek die typische ineenstrengeling van psychische en ethische vraagstukken, die enerzijds niet zonder gevaar is voor een zuiver doordenken der problemen, maar anderzijds juist die mate van levensechtheid geeft, welke veel populaire boeken over psychologie volstrekt missen, doordat zij argeloos zedelijke oplossingen suggereren vanuit psychologische waarnemingen, alsof elke psycholoog tevens, zonder aparte studie, een begenadigd paedagoog was. Wel wil ik bekennen, dat naast mijn grote waardering voor de op de practijk gerichte inzichten van de schr. mijn kritiek vooral zou willen gaan naar bepaalde theoretische stellingen; ik denk b.v. aan wat de schr. zonder bewijs stelt over de wil, (blz. 46),

TER ZAKE

Ik lees in „Trouw” (13 X), dat de heer F. H. V. d. Wetering, lid der Tweede Kamer, in Maartensdijk voor een afdeling van de C.H.U. heeft gesproken over een „moderne toren van Babel”. Zijn Edelachtbare heeft daarbij kritiek uitgeoefend op het Plan-Schumann, op de politiek der schone belof ten zoals die in dit land de laatste jaren bedreven wordt en op de gevaarlijke overspanning op het gebied der belastingheffing.

Ik kan er in komen, dat de heer v. d. Wetering kritiek uitoefent op het binnenen buitenlands beleid van de regering. Dat hij dat in bijbelse termen doet, zou men als een gebrek aan goede smaak kunnen aanmerken. Het H. Boek is er niet, om als wapen te dienen in de politieke arena, tenzij er zaken aan de orde zijn, waarover de Bijbel onmiskenbaar duidelijk spreekt, maar het plan-Schumann of een belastingkwestie horen daar immers niet bij?

Maar ronduit ergerlijk lijkt me de strekking van dit betoog: „Men vraagt niet meer naar de orde Gods, doch wil zelf de zaken in een bepaalde richting dwingen”. Dit over het plan-Schumann.

„Teveel is er op eigen kracht vertrouwd en te weinig heeft men zich gerealiseerd, dat er om te kunnen bouwen een principieel draagvlak moet zijn.” Dit over de politieke lijn der laatste jaren.

„Als blijkt dat de mens met zijn constructies de loop van het wereldgebeuren in een bepaalde richting zeker wil stellen, dan wordt zulk streven bedenkelijk, omdat men er door aantoont niet meer met Gods souvereiniteit te willen rekenen.”

En ziedaar dan Drees, Lieftinck en Staf als de goddeloze bouwers van de moderne toren van Babel!

Zouden ze dat nu in Maartensdijk geloofd hebben?

We moeten aannemen dat de heer v. d. Wetering weet waarover hij spreekt. Van de mensen, die de toren van Babel bouwden, weten hij en ik, dat ze zeer nadrukke-

lijk tegen Gods bedoelingen handelden en dat God hen daarom strafte. In gemoede, durft hij dat oordeel Gods nu ook maar over deze regering afroepen?

In dezelfde aflevering van „Trouw” staat een uitnemend artikel van prof. Berkouwer over het geval Doornspijk, waarin de schrijver vast stelt dat het de mensen geboden is voorzorgsmaatregelen te treffen en dat men dat geen weerstaan der goddelijke Almacht mag noemen. Onthouding of tegenwerking moet worden veroordeeld als ongehoorzaamheid. (Aldus Berkouwer die hier Kuyper citeert!)

Kuyper heeft het over voorzorgsmaatregelen tegen lijden, ellende, jammer.

Daar mogen we toch oorlog en werkloosheid ook wel toe rekenen.

Nogmaals, als de heer v. d. Wetering aan kan tonen, dat de regering in haar voorzorgsmaatregelen te kort schiet, laat hij dat dan aantonen!

Maar te stellen, dat maatregelen op buitenlands of binnenlands politiek gebied uitingen zijn van „vertrouwen in eigen kracht” men moet de taal van het kerkvolk verstaan, om te proeven, hoe erg dit is is toch eigenlijk lasterlijk. Of is het alleen maar belachelijk? Dat is het ook! Maar wie zal zeggen hoeveel kwaad dergelijk dolzinnig theologiseren doet?

In twee richtingen: het kan de heer v. d. Wetering bekend zijn, dat niet al zijn geloofsgenoten in dezen denken zoals hij; dat ook in de hoogste regeringskringen mensen aanwezig zijn, die weet hebben van het oordeel over Babel. Denkt hij er wel eens aan, hoezeer zijn woorden nodeloos grievend zijn?

En ook dit: ik vraag me af wat voor indruk een dergelijke lichtzinnige exegese maken moet op een, voor wie de Bijbel geen heilig boek is. Er staat in diezelfde bijbel ook nog iets over de ergernis!

Ter overweging aanbevolen aan wie de a.s. verkiezingsstrijd ingaan met bijbelteksten I KORZELIGE KES